ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2564 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.006
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2564 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 16-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2012.006 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De tandarts, heeft bij klaagster vier implantaten in de bovenkaak geplaatst met een sinuslift rechts en links. De implantaten stonden niet parallel en de prothese was esthetisch niet juist en ook na aanpassing door een tandtechnisch laboratorium is de positie van de voortanden en de vorm niet goed geworden. De tandarts heeft toen toegezegd een nieuwe prothese te maken. Dat is vanwege zijn plotselinge vertrek uit de praktijk niet gebeurd. Klaagster verwijt de tandarts dat hij 1. de implantaten op ondeugdelijke wijze heeft geplaatst en 2. geen goede prothese heeft geleverd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond en legt de maatregel van schorsing van inschrijving voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, op. Het Centraal Tuchtcollege acht het eerste klachtonderdeel gegrond en wijst het tweede klachtonderdeel af. Niet gebleken is dat de tandarts ten aanzien van het leveren van de prothese tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege legt de maatregel van berisping op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2012.006 van:
A., tandarts, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde: mr. M.S.E. van Beurden, advocaat te Utrecht,
tegen
C., wonende te B., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg.
1. Verloop van de procedure
C. (hierna klaagster) heeft op 7 juli 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage tegen A. (hierna de tandarts) een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 november 2011, onder nummer 2010-119b, heeft dat College de klacht gegrond verklaard en de tandarts de maatregel van schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van twee maanden opgelegd, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, ingaande op de datum dat de beslissing kracht van gewijsde zal hebben verkregen, onder de voorwaarde dat de tandarts voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig maakt aan tuchtrechtelijk handelen. De tandarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 november 2012, waar zijn verschenen de tandarts, bijgestaan door mr. M.S.E. van Beurden, en klaagster. Aan de zijde van de tandarts is mevrouw D., voormalig baliemedewerkster in de voormalige tandartspraktijk van de tandarts, als getuige gehoord. Mr. van Beurden heeft de standpunten van de tandarts toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op 9 december 2008 heeft de tandarts bij klaagster vier implantaten in haar bovenkaak geplaatst met een sinuslift rechts en links. De tandarts was toen in loondienst werkzaam bij de Tandzorg Groep te E.. Een van de geplaatste implantaten werd daarna vanwege peri-implantitis vervangen. De implantaten stonden niet recht en de prothese was esthetisch niet juist. Ook nadat de tandarts de prothese had laten aanpassen door het tandtechnische laboratorium, was de positie van de voortanden en de vorm niet goed. De tandarts zegde daarom toe een nieuwe prothese te laten maken. Dat is niet gebeurd. Klaagster is daarna door verschillende tandartsen en een tandtechnicus gezien, maar de problemen zijn niet verholpen.
3. De klacht
Klaagster verwijt de tandarts dat hij de implantaten op een ondeugdelijke wijze heeft geplaatst. Na de plaatsing gaf klaagster aan de tandarts aan dat zij last had van één van de implantaten, omdat deze schuin en diep was ingebracht. Bij twee implantaten zat het uitstekende gedeelte (het abutment) los, hetgeen klaagster meerdere keren bij de tandarts heeft laten aandraaien.
Klaagster is niet tevreden over de vervaardigde prothese. De prothese zat na plaatsing niet zoals het hoorde. De protheserand zat maar tot de helft van de omslagplooi, zodat haar lip bij glimlachen daarboven bleef hangen, en de tanden stonden te ver naar voren. Hierop stuurde de tandarts de prothese terug naar het laboratorium. Toen de prothese terug kwam schrok de tandarts van het resultaat. De tanden stonden veel te ver naar binnen.
Sindsdien is klaagster bij meerdere tandartsen geweest. Een nieuwe prothese zat ook niet goed vast aan de ongewijzigde implantaten. Om alsnog voldoende houvast voor een prothese te verkrijgen, moeten de implantaten vervangen worden en eventueel uitgebreid met extra implantaten. De kosten daarvan kan klaagster niet betalen. Ondanks toezeggingen van de directeur van de Tandzorg Groep om de problemen te (laten) verhelpen gebeurde dat niet. Klaagster heeft onnodig veel pijn geleden, haar gezicht is ontsierd en zij ondervindt veel last bij het eten.
4. Het standpunt van de tandarts
De tandarts koos in overleg met klaagster voor een sinuslift, omdat er sprake was van veel botverlies verticaal en sagittaal en het niet mogelijk was om de regio 13-23 te implanteren. Een implantaat is vervangen vanwege peri-implantitis. Omdat klaagster geen ideale kaak had zijn de implantaten niet optimaal recht geplaatst, hierbij is echter een marge toegestaan, waarbij een prothese nog steeds past. De vorm en de positie van de voortanden van de vervaardigde prothese waren niet goed. De tandarts was het niet eens met het techniekwerk van het laboratorium, maar was door zijn werkgever de Tandzorg Groep verplicht om daarmee te werken. Nadat de tandarts eind juni 2009 bij Tandzorg stopte, sprak hij met een collega af dat de prothese opnieuw gemaakt zou worden. Het is de tandarts niet bekend hoe het daarna is gegaan. Dat inmiddels meerdere tandartsen klaagster hebben behandeld is van invloed op de beoordeling van de behandeling bij de tandarts. De tandarts werkte in opdracht van Tandzorg en moest dingen accepteren die invloed hadden op het werk en kon niet zelfstandig de problemen oplossen. De tandarts vindt dat Tandzorg verplicht is de schade te regelen.
5. De beoordeling
5.1. De klacht van klaagster bestaat in de kern uit twee onderdelen, te weten ten eerste dat de tandarts de implantaten niet deugdelijk heeft geplaatst en ten tweede dat de tandarts geen goede prothese heeft geleverd.
5.2. Het College komt op grond van de stukken - waaronder de foto’s van de kaak na plaatsing van de vier implantaten - en uit hetgeen door partijen en door de tandarts ter zitting naar voren is gebracht, tot de conclusie, dat de tandarts de implantaten bij klaagster niet deugdelijk heeft geplaatst. De implantaten staan te ver naar achteren en zijn strategisch niet zodanig gepositioneerd om als goede basis voor een prothese te kunnen dienen. Het ontbreken van voldoende bot kan geen argument zijn voor implantaten of de wijze van plaatsing daarvan. Van de tandarts had verwacht mogen worden dat hij zo nodig bot zou hebben aangemaakt en binnen de marges van de parallelliteit verschillen zou blijven. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.
5.3.De tandarts heeft in de stukken en ter zitting toegelicht dat hij niet tevreden was over de algemene kwaliteit van het door hem ingeschakelde tandtechnicus geleverde werk, maar dat hij door zijn toenmalige werkgever verplicht was om met deze tandtechnicus samen te werken. Dit verweer kan de tandarts niet baten. In de regel is een tandarts verantwoordelijk voor de door de tandtechnicus via het tandtechnisch laboratorium aan hem voor een patiënt geleverde werk.
Voor een uitzondering op deze regel is hier geen plaats. Dat het inschakelen van een bepaalde tandtechnicus door een werkgever is verplicht, doet daaraan niets af. De tandarts heeft bevestigd dat het voor klaagster geleverde werk niet deugdelijk was, maar dat Tandzorg dit probleem dient op te lossen. Hiermee gaat de tandarts voorbij aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn patiënten.
5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de klacht van klaagster gegrond is. Bij de oplegging van de maatregel overweegt het College dat de tandarts in de stukken en ter zitting duidelijk heeft gemaakt de noodzaak tot verbetering van de implantaten niet te zien en niet verantwoordelijk te zijn voor de levering van een ondeugdelijke prothese door de tandtechnicus. Hiermee heeft de tandarts laten blijken te weinig inzicht te hebben in zijn verantwoordelijkheden als tandarts voor de behandeling van een patiënt. Het College is gelet op de laconieke houding van de tandarts van oordeel dat een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden noodzakelijk is. Daarmee wordt mogelijk gemaakt dat, indien de tandarts zich opnieuw schuldig maakt aan tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, de thans op te leggen voorwaardelijke schorsing alsnogwordt omgezet in een onvoorwaardelijke schorsing.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Met het beroep beoogt de tandarts de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Het beroep strekt tot vernietiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege tot ongegrondverklaring van de klachten van klaagster, althans tot het opleggen van een lichtere maatregel dan de maatregel die het Regionaal Tuchtcollege heeft opgelegd.
4.2. Klaagster heeft in hoger beroep verweer gevoerd. Zij concludeert tot verwerping van het hoger beroep van de tandarts.
4.3. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, te weten dat de tandarts de implantaten ondeugdelijk heeft geplaatst, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Op basis van de stukken, de in het geding gebrachte foto’s van de kaak van klaagster na plaatsing van de implantaten en het verhandelde ter zitting, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de tandarts de implantaten bij klaagster niet deugdelijk heeft geplaatst. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de door de tandarts toegepaste methode, de zogenoemde smiling-cone abutments, zijn de implantaten te ver naar achteren gepositioneerd. Met name de voorste twee implantaten hadden verder naar voren geplaatst moeten worden. Het ontbreken van voldoende bot kan geen argument zijn voor de wijze van plaatsing van de implantaten. Van de tandarts had verwacht mogen worden dat hij zo nodig kunstbot zou hebben aangebracht, om de regio waarin voor het vervaardigen van de gewenste prothetische voorziening een implantaat zou moeten worden aangebracht, te reconstrueren. Dat geldt met name voor wat betreft het implantaat in de regio 2.3 - 2.4. Hierover heeft de tandarts ter zitting van het Centraal Tuchtcollege verklaard dat hij direct na verwijdering van het implantaat vanwege een periimplantitis, rekening houdend met de suboptimale situatie aldaar voor wat betreft het aanwezige bot, het nieuwe implantaat schuin heeft herplaatst om voldoende bot te hebben. In de regio met de peri implantitis was immers door het ontstekingsproces al veel bot verloren gegaan. De tandarts heeft tevens verklaard dat hij dit achteraf bezien niet had moeten doen. Gelet op de suboptimale beschikbare hoeveelheid bot en teneinde het implantaat vanuit prothetisch opzicht in de gewenste positie te herplaatsen, had de tandarts het nieuwe implantaat eerst na een reconstructie van het botdefect moeten herplaatsen en niet direct na verwijdering van het implantaat, zoals hij heeft gedaan. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het eerste klachtonderdeel gegrond is.
4.4. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, te weten dat de tandarts geen goede gebitsprothese (hierna prothese) geleverd heeft, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De tandarts heeft in de stukken en ter zitting van het Centraal Tuchtcollege verklaard dat het tandtechnisch laboratorium tot twee maal toe een ondeugdelijke prothese heeft geleverd. De eerste prothese heeft hij, na constatering dat deze ondeugdelijk was, direct teruggestuurd naar het tandtechnisch laboratorium. De tweede prothese bleek ook ondeugdelijk en hij was voornemens ook deze terug te sturen naar het betreffende laboratorium. Dit heeft hij nagelaten, omdat hij de tandartspraktijk in die periode onverwacht heeft verlaten. In verband met een binnen de praktijk geldende regeling, heeft de tandarts zijn patiënten, onder wie klaagster, overgedragen aan een collega die ervaring had met het plaatsen van implantaten. Hij heeft deze collega uitdrukkelijk verzocht de tweede prothese aan te laten passen dan wel een nieuwe prothese voor klaagster te laten maken, dit alles aldus de tandarts.
4.5. Uit de onweersproken verklaring van de tandarts volgt dat hij erkend heeft dat de twee geleverde protheses ondeugdelijk waren, dat hij de eerste prothese heeft teruggestuurd aan het tandtechnisch laboratorium en dat hij bij zijn vertrek uit de praktijk de behandeling van klaagster heeft overgedragen aan een collega met het verzoek de tweede prothese aan te laten passen dan wel een nieuwe te laten maken. Gesteld noch gebleken is dat de tandarts is tekortgeschoten bij het geven van de opdracht tot het vervaardigen van de protheses aan het tandtechnisch laboratorium. Evenmin is gesteld noch gebleken dat bij de overdracht van de behandeling van klaagster aan een collega onzorgvuldig is gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de tandarts gedaan heeft wat van hem verwacht mocht worden in het kader van het leveren van een prothese aan klaagster en dat hem dienaangaande geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dit klachtonderdeel treft derhalve geen doel.
4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover daarin het tweede klachtonderdeel gegrond is verklaard wordt vernietigd. Het Centraal Tuchtcollege acht voor het eerste en gegrond bevonden klachtonderdeel een berisping de aangewezen maatregel. Om praktische redenen zal de beslissing waarvan beroep geheel worden vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan.
4.7. Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing worden bepaald.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond en wijst het tweede klachtonderdeel af;
legt de maatregel van berisping op;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Nederlands Tandartsenblad, Gezondheids-zorg Jurisprudentie en Tijdschrift voor Gezondheidszorg met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. J.P. Balkema en
mr. M. Wigleven, leden-juristen, prof. dr. A. Vissink en mr. drs. R. van der Velden, leden- beroepsgenoten, en mr. drs. E.E. Rippen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
10 januari 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.