ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2561 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.412
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2561 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 16-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2011.412 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verzekeringsarts. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat zij a) in afwijking van de eerdere beoordelingen, klaagster voor 40 uur per week arbeidsgeschikt met (geringe) beperkingen heeft geacht b)tot dit oordeel is gekomen terwijl klaagster onder invloed van een onaanvaardbare dosis Ritalin was en verweerster aldus heeft verzuimd haar waarnemingen te corrigeren voor de onderliggende ‘fybromyalgie’ en derhalve niet is gekomen tot een medisch juiste vaststelling van alle beperkingen en c) ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen van de beweeglijkheid van hoofd en nek, terwijl klaagster een prothese tussen twee nekwervels heeft. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen. Voor zover door klaagster voor het eerst in hoger beroep klachten naar voren zijn gebracht, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat hier geen kennis van kan worden genomen. Het beroep wordt verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.412 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C. te D.,
tegen
E., verzekeringsarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. E.G. van der Jagt te Amsterdam .
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft bij brief van 6 februari 2011, ingekomen op 8 februari 2011, bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen mevrouw E. - hierna de verzekeringsarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 december 2011, onder nummer 1125, heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De verzekeringsarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 november 2012, waar zijn verschenen de gemachtigde van klaagster en de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. Van der Jagt. Klaagster is – met kennisgeving – niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Klaagster was secretaresse toen zij in 1998 uitviel vanwege schouderklachten en psychische klachten. Vanaf 1999 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ). Zij werd sinds 2000 volledig arbeidsongeschikt geacht. Sinds 20 december 2006 is verweerster de verzekeringsarts van klaagster. In het kader van een herbeoordeling heeft verweerster een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en heeft er een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden, waarna klaagster 55-65% arbeidsongeschikt werd geacht en haar WAZ-uitkering met ingang van mei 2007 werd verlaagd. Deze beslissing heeft tot een bezwaar- en een beroepsprocedure geleid; de rechtbank heeft bij uitspraak van 15 september 2008 onder meer geoordeeld dat het medisch standpunt van UWV voor juist kon worden gehouden. Klaagster heeft zich vanaf
14 december 2007 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld waarna er op
11 november 2008 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsvond, naar aanleiding waarvan verweerster een rapportage alsmede een actuele FML opstelde. Bij beslissing van 15 september 2009 werd klaagster ongewijzigd 55-65% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de WAZ. Tegen deze beslissing maakte klaagster eerst bezwaar en vervolgens ging zij in beroep. Bij uitspraak van
3 mei 2010 heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“…..dat de verzekeringsartsen bij eiseres niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten, waaronder naast de verschillende lichamelijke klachten ook de psychische klachten naast de moeilijke sociale omstandigheden die eiseres heeft geschetst. Eiseres heeft in beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de medische beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 11 november 2008, die overigens na een technische correctie is vastgesteld op 22 juni 2009.”
De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 4 maart 2011, de uitspraak van de rechtbank van 3 mei 2010 bevestigd:
“Evenals de rechtbank ziet de Raad geen redenen om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts omtrent de arbeidsbeperkingen van appellante voor onjuist te houden.”
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Tot 20 december 2006 werd klaagster door andere UWV-keuringsartsen volledig arbeidsongeschikt geacht. Klaagster kent dermate veel beperkingen dat zij aan huis gebonden is, zowel als gevolg van fysieke klachten (met name fybromyalgie) als psychische klachten zodat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, dan wel van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid met forse beperkingen. Verweerster wordt, kort samengevat, verweten dat zij:
a) in afwijking van de eerdere beoordelingen, klaagster voor 40 uur per week arbeidsgeschikt met (geringe) beperkingen heeft geacht;
b) tot dit oordeel is gekomen terwijl klaagster onder invloed van een onaanvaardbare dosis Ritalin was en verweerster aldus heeft verzuimd haar waarnemingen te corrigeren voor de onderliggende ‘fybromyalgie’ en derhalve niet is gekomen tot een medisch juiste vaststelling van alle beperkingen;
c) ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen van de beweeglijkheid van hoofd en nek, terwijl klaagster een prothese tussen twee nekwervels heeft.
Een dergelijke beoordeling doet afbreuk aan het vertrouwen in de medische stand.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft - kort en zakelijk weergegeven - als verweer het navolgende opgeworpen. Verweerster heeft zorgvuldig en conform de voor haar beroepsgroep geldende richtlijnen en normen gehandeld en de beperkingen van klaagster zo goed als mogelijk met de haar toen ter beschikking staande gegevens ingeschat. Haar bevindingen en overwegingen zijn inzichtelijk verwoord in haar rapportages. Verweerster treft dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel van verweerster is bij herhaling door de bestuursrechter getoetst en daarbij niet voor onjuist gehouden.
5. De overwegingen van het college
Aangezien alle klachtonderdelen de vaststelling van de beperkingen van klaagster betreffen, kunnen ze gezamenlijk worden behandeld. Verweerster heeft de beperkingen van klaagster vastgesteld op basis van (onder meer) haar eigen bevindingen bij onderzoek en dossierstudie, informatie van klaagster en van de behandelaars en zij heeft al deze gegevens verwoord in haar rapportage.
Een rapportage zoals door verweerster is uitgebracht, wordt volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege aan de hierna volgende criteria getoetst:
1. wordt in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt,
2. vinden de in het rapport uiteengezette gronden aantoonbaar voldoende
steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport,
3. kunnen bedoelde gronden de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen,
4. beperkt de rapportage zich tot de deskundigheid van de rapporteur en
5. kon de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de
voorgelegde vraagstelling te komen tot het beoogde doel leiden, en/of heeft de
rapporteur daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.
Vakkundigheid en zorgvuldigheid worden daarbij ten volle getoetst. Ten aanzien van
de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.
Het college is van oordeel dat de rapportage van verweerster voldoet aan de hiervoor genoemde criteria. Het verwijt van klaagster dat verweerster ten onrechte is afgeweken van een eerder oordeel van een andere verzekeringsarts treft geen doel. Het enkele feit dat klaagster in 2000 volledig arbeidsongeschikt werd geacht, wil immers niet zeggen dat de situatie in de jaren daarna niet anders zou kunnen zijn. Voor de stellingen van klaagster dat verweerster, gelet op onder meer de (reeds lang bestaande) diagnose fybromyalgie, de prothese tussen twee nekwervels en het medicijngebruik van klaagster, niet de geringe beperkingen heeft mogen vaststellen zoals zij dat heeft gedaan, zijn in het dossier geen aanwijzingen gevonden. Verweerster heeft in haar onderzoek het medicijngebruik en de nekprothese betrokken. De conclusie van verweerster dat zij op basis van haar onderzoek en aanvullende gegevens zodanige beperkingen heeft geschreven dat de later gestelde diagnose fibromyalgie, waarvan zij ten tijde van haar beoordeling niet op de hoogte was, voor haar geen aanleiding zou zijn om alsnog met terugwerkende kracht sterkere beperkingen aan te nemen, is niet onjuist. Verweerster heeft de situatie van klaagster conform de voor haar geldende normen en richtlijnen beoordeeld en is op goede gronden tot haar conclusies kunnen komen. Dat klaagster het niet eens is met het oordeel van verweerster, wil geenszins zeggen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 In hoger beroep heeft – de gemachtigde van – klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2 De verzekeringsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen. Voor zover door klaagster voor het eerst in hoger beroep klachten naar voren zijn gebracht, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat hier geen kennis van kan worden genomen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep ingediende klachten;
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. M. Zandbergen en
mr. A. Smeeing-van Hees, leden-juristen en mr. drs. J.A.W. Dekker en mr. drs. M.J. Kelder, leden-beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
10 januari 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.