ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2559 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.397
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2559 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 16-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2011.397 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen tandarts. Klager is op enig moment niet op een afspraak verschenen en is op zoek gegaan naar een andere tandarts. Klager verwijt de tandarts dat deze hem medische zorg heeft onthouden en geen moeite heeft gedaan voor het vinden van een nieuwe tandarts voor klager. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht als kennelijk ongegrond af. Het hoger beroep van klager wordt verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.397 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., tandarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 26 oktober 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen C. - hierna de tandarts - een klacht ingediend. Bij ongedateerde beslissing met nummer 2010-212 (en aan partijen toegezonden op 15 november 2011) heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 november 2012. Voorafgaand aan de zitting bereikte het Centraal Tuchtcollege het bericht dat klager is overleden. Namens klager is niemand verschenen. Verweerder is niet ter zitting verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Klager was op 8 september 2009 op halfjaarlijkse controle bij de tandarts, die een orthopantomogram heeft gemaakt. De tandarts heeft vijf caviteiten geconstateerd, waarvan er één met een wortelkanaalbehandeling. Wegens de financiële situatie van klager heeft de secretaresse van de tandarts bijzondere bijstand aangevraagd, die is verkregen. Klager is vervolgens op een gemaakte afspraak niet verschenen. Bij brief van 16 december 2009 schreef klager aan de tandarts dat het hem niet was gelukt patiënt te worden bij de tandarts van D./E., naar de tandarts van F., de begeleidster van klager, vernam omdat deze niet de benodigde indicatie had.
Enkele maanden later verzocht F. aan de tandarts om de gegevens op te sturen naar tandarts G. van Zorginstelling D..
Op 9 november 2010 ontving de tandarts een brief van klager met betrekking tot het verstrekken van zijn patiëntgegevens. Later liet F. weten dat klager niet wilde dat zij nog op enigerlei wijze contact had met de praktijk van de tandarts.
3. De klacht
De klacht komt erop neer dat klager de tandarts verwijt dat hij hem medische zorg heeft onthouden en geen moeite heeft gedaan voor het vinden van een nieuwe tandarts voor hem.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen betwist. Op hetgeen hij als verweer heeft aangevoerd, zal – voor zover voor de beoordeling van belang – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling
Het College stelt voorop dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden die de conclusie rechtvaardigen dat de tandarts klager medische zorg heeft onthouden.
De afhandeling van de behandelrelatie had naar het oordeel van het College wel zorgvuldiger gekund: ook indien een patiënt verschillende keren niet verschijnt op een gemaakte afspraak blijft een tandarts gehouden dit in het contact met de patiënt te bespreken en met deze te overleggen over eventuele vervolgstappen zoals het zoeken van c.q. (laten) overstappen naar een andere tandarts. Naar het oordeel van het College had het dan ook de voorkeur gehad wanneer de arts met klager overleg had gevoerd over de vraag of hij voortaan niet beter een tandarts bij een instelling als D. zou kunnen bezoeken. Dit geldt temeer nu sprake was van een gehandicapte, zorgbehoevende persoon.
Nu de tandarts wel contact heeft opgenomen met klagers begeleidster, kan niet worden gezegd dat de tandarts in dezen zodanig nalatig of onzorgvuldig is opgetreden dat hem een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt.
De conclusie luidt dat de klacht als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert - impliciet - tot gegrond verklaring van het beroep. De tandarts heeft hiertegen verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van het beroep.
4.2 Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden die de conclusie rechtvaardigen dat de tandarts klager medische zorg heeft onthouden doch niet in zijn oordeel dat de tandarts de afhandeling van de behandelrelatie zorgvuldiger had kunnen laten verlopen door de gang van zaken rondom het niet verschijnen van klager op de gemaakte afspraak en de mogelijke overstap naar een andere tandarts met klager zelf te bespreken.
Uit de stukken leidt het Centraal Tuchtcollege af dat klager zelf telefonisch niet bereikbaar was. Nu rechtstreeks contact met klager derhalve niet mogelijk was, heeft de tandarts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege zorgvuldig gehandeld door in voorkomend geval steeds telefonisch contact op te nemen met de begeleidster van klager.
4.3 Voor het overige heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten noch tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. J.P. Balkema en
mr. M. Wigleven, leden-juristen en prof.dr. A. Vissink en mr.drs. R. van der Velden, leden- beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2013.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.