ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2558 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.337
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2558 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 16-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2011.337 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Intrekking van de klacht na beëindiging van het onderzoek van de zaak ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege niet mogelijk op basis van artikel 73 lid 7 juncto artikel 65 lid 10 Wet BIG. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011.337 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. T. Spronk, advocaat te Aalsmeer,
tegen
C., tandarts, wonende te B., werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. H.J.C. Smink, als jurist verbonden aan het E.
1. Verloop van de procedure
A. (hierna klaagster) heeft op 15 maart 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. (hierna de tandarts) een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 mei 2011, onder nummer 10/058T, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 november 2012, waar zijn verschenen klaagster en de tandarts. Klaagster werd bijgestaan door mr. T. Spronk en door haar echtgenoot
mr. S. Springer. De tandarts werd bijgestaan door mr. H.J.C. Smink, die de standpunten van de tandarts heeft toegelicht aan de hand van pleitnotities welke aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Verweerder is tevens als kaakchirurg verbonden aan het E. te D..
2.2 Op 15 februari 2010 heeft F., tandarts te D., bij klaagster een implantaat in de onderkaak links geplaatst. Daarna had klaagster geen gevoel meer in een deel van de onderkaak, kin en lip. Op 17 februari 2010 heeft F. het implantaat verwijderd.
2.3 Naar aanleiding van deze gang van zaken heeft klaagster een second opinion gevraagd bij G., kaakchirurg te H.. In diens brief van 19 februari 2010, gericht aan het "E.-Ziekenhuis Afd. Rontgen/CT scan D." staat vermeld:
" Diagnose: Anesthesie van N. alveolaris inferior na
1) Implantatie onderkaak links (regio 36) op maandag 15 februari 2010
2) Explantatie woensdag 17 februari 2010
Vraagstelling:
Weergave van het verloop van het zenuwkanaal in de onderkaak links en boorgat voor de implantaat in regio 36. Gaarne Uw rapport "
2.4 Op 22 februari 2010 is klaagster op de polikliniek Mondziekten en Kaakchirurgie (MKA) van het E. gezien door kaakchirurg in opleiding I. en door verweerder die supervisie had. Behalve anamnestisch- en klinisch onderzoek werd een orthopantomogram (OPT) bij klaagster vervaardigd, waarop een status na verwijdering van een implantaat in de onderkaak links regio “36” werd geconstateerd. Er werd een vervolgafspraak gemaakt voor 25 februari 2010. Voorts werd afgesproken dat klaagster het op 16 februari 2010 vervaardigde orthopantomogram bij G. zou opvragen. Op 25 februari 2010 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden, in aanwezigheid van verweerder, I., klaagster en haar echtgenoot. Over dit gesprek werd in het dossier genoteerd:
"- aannemelijk/suggestief dat sensibiliteitsstoornis het gevolg is van implantatie behandeling
- niet met zekerheid vast te stellen of sensstoornis gevolg is van preparatie v. implantaat of dat implantaat te diep is geplaatst
- CT-scan niet van aanvullende waarde
- Prognose onzeker → expectatief beleid geadviseerd
- retour ta voor bespreken situatie m’n ook vanwege onvrede over bejegening ta→pte
Alhier geen vaste afspraken gemaakt.
brief→dr G. (…) "
2.5 Op 26 februari 2010 heeft klaagster J., verbonden aan het Ziekenhuis K. te L. (M.) geconsulteerd. De toen gemaakte CT-scan toonde een "boorgat doorheen het canalis mandibularis links". Op grond hiervan heeft J. klaagster een chirurgische reconstructie van de zenuw voorgesteld.
2.6 Bij brief van 9 maart 2010 aan G. heeft I. verslag gedaan van haar bevindingen bij het onderzoek bij klaagster.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder is tekortgeschoten in de tandheelkundige zorg die hij jegens klaagster had behoren te betrachten. Klaagster heeft de volgende klachtonderdelen naar voren gebracht:
1. verweerder heeft een fout van een hem bekende tandarts willen verdoezelen door willens en wetens na te laten een CT-scan te maken, dat terwijl G. daarom in zijn brief van 19 februari 2010 expliciet heeft verzocht;
2. een expectatief beleid heeft ingesteld, terwijl direct ingrijpen geboden was.
Klaagster heeft ten aanzien van het eerste klachtonderdeel onder andere aangevoerd dat verweerder tijdens het gesprek op 25 februari 2010 op haar vraag of hij bevriend is met F. heeft gezegd: " Nou bevriend, we komen niet dagelijks bij elkaar over de vloer, maar we kennen elkaar goed" . Dit gegeven en mede het feit dat verweerder in dat gesprek meldde geen CT-scan te willen maken, wijst er op dat verweerder fouten heeft willen verdoezelen. Daarnaast heeft verweerder ongevraagd een diagnose gesteld. Bovendien heeft verweerder de aan G. gerichte brief van 9 maart 2010 door I. laten ondertekenen, waardoor wordt gesuggereerd dat niet verweerder maar I. voor de inhoud daarvan verantwoordelijk is.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1 De twee klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.2 Nu verweerder dit betwist, kan niet worden vastgesteld of verweerder zich jegens klaagster op de door haar beschreven wijze heeft uitgelaten en dat derhalve sprake is van een vriendschappelijke relatie tussen verweerder en F.. Met betrekking tot klaagsters stelling dat verweerder willens en wetens heeft nagelaten een CT-scan te maken overweegt het college als volgt. Anders dan klaagster meent kan uit de vraagstelling, hiervoor weergegeven onder 2.3, niet worden afgeleid dat door G. expliciet om een CT-scan is verzocht. Het feit dat deze brief gericht is aan de afdeling Radiologie van het E. maakt dit niet anders. Klaagster heeft het college ook verder geen aanknopingspunten verschaft waaruit blijkt dat verweerder willens en wetens heeft nagelaten een CT-scan te maken. Verweerder heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij op 22 februari 2010 evenals I., gelet ook op de vele vragen van klaagster, ervan uit is gegaan dat sprake was van een second opinion-consult. In dat kader heeft verweerder klaagster uitgelegd dat, mede na beoordeling van het door G. bij klaagster gemaakte OPT, het maken van een CT-scan geen toegevoegde waarde had bij het beoordelen van de aard, de ernst en prognose van het bij klaagster opgetreden letsel van de nervus alveolaris links. Daarbij was het causale verband tussen de implantatiebehandeling en de opgetreden gevoelsstoornis duidelijk en zou verweerder aan de bevindingen van een CT-scan, mede gezien het beleid binnen de afdeling MKA van het E., geen consequenties hebben verbonden. Het college acht dit beleid verdedigbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Datzelfde geldt voor het door verweerder naar aanleiding van klaagsters klachten ingestelde expectatieve beleid. Naar het oordeel van het college is dit binnen de beroepsgroep een gerechtvaardigde keuze. Dat J. in de gegeven omstandigheden wel een chirurgische reconstructie van de zenuw heeft voorgesteld, doet aan het voorgaande niet af.
Voorts merkt het college op dat het niet ongebruikelijk is dat in een opleidingssituatie zowel de kaakchirurg in opleiding als het superviserend staflid de correspondentie ondertekenen.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. In hoger beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht. De tandarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.2. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. J.P. Balkema en
mr. M. Wigleven, leden-juristen, prof. dr. A. Vissink en mr. drs. R. van der Velden, leden- beroepsgenoten, en mr. drs. E.E. Rippen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
10 januari 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.