ECLI:NL:TGZCTG:2013:166 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.123
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:166 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-12-2013 |
| Datum publicatie: | 07-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | c2013.123 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager verwijt de huisarts onzorgvuldigheid als gevolg van het niet functioneren van zijn praktijk en onzorgvuldigheid in het beroepsmatig handelen, omdat het klager veel moeite heeft gekost de huisarts ertoe te bewegen langs te komen en de huisarts onvoldoende haast heeft betracht bij het bezoeken van patiënte (de overleden echtgenote van klager), doordat hij de ernst van de situatie onderschatte. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt een waarschuwing op. Hoger beroep huisarts gegrond, klachtonderdelen alsnog ongegrond verklaard |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2013.123 van:
A., huisarts, werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde: mr. E.P. Haverkate,
tegen
C., wonende te D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg.
1. Verloop van de procedure
C. - hierna: klager - heeft op 27 februari 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen A. - hierna: de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van
16 oktober 2012, onder nummer G2012/18 heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de huisarts de maatregel van waarschuwing opgelegd.
De huisarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 31 oktober 2013, waar de huisarts is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,
die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist vaststaan.
2.1
Klager is de echtgenote van (thans wijlen) mevrouw E., hierna te noemen: patiënte. Op 24 november 2011 werd patiënte misselijk wakker. Aanvankelijk dachten zij en klager dat het aan haar galstenen lag, omdat zij daarvan wel vaker last had. Aangezien de misselijkheid aanhield en patiënte daarnaast ook duizelig begon te worden en last van tintelingen in haar rechterarm en -been kreeg, heeft klager om 12:17 uur naar de praktijk van verweerder gebeld. Klager werd te woord gestaan door diens assistente. Zij vertelde hem dat hij niet aanwezig was, en evenmin telefonisch bereikbaar was. Klager werd verzocht tijdens het telefonisch spreekuur vanaf 13:30 uur nogmaals te bellen.
2.2
Om 13:44 uur belde klager voor de tweede keer en kreeg hij verweerder aan de telefoon. Blijkens de journaalregels meldde hij dat patiënte last had van overgeven, duizeligheid, onduidelijke spraak, geheel doof gevoel in haar rechterarm en –been en dat zij slecht aanspreekbaar was. Ook hoorde verweerder dat patiënte op de achtergrond aanwezig was en een snurkende en rochelende ademhaling had. Verweerder zei dat hij langs zou komen. In de journaalregels staat dit als volgt omschreven: “Visite vandaag”.
2.3
Om 13:52 uur heeft klager 112 gebeld. Hierna arriveerde verweerder. Nadat hij patiënte had onderzocht, constateerde hij dat ze waarschijnlijk een ernstige beroerte had gehad. Verweerder nam telefonisch contact op met de dienstdoende neuroloog van het F.-Ziekenhuis te G.. Vlak daarna arriveerde de ambulance en werd patiënte met spoed naar voornoemd ziekenhuis vervoerd.
2.4
In het ziekenhuis werd geconstateerd dat patiënte leed aan het locked-in syndroom als gevolg van een hersenstaminfarct. De volgende dag overleed patiënte om 16:55 uur op 49-jarige leeftijd.
2.5
Vlak voor de begrafenis van patiënte heeft verweerder klager een condoleancebezoek gebracht. Hierna heeft laatstgenoemde telefonisch aan de assistente van verweerder te kennen gegeven geen prijs meer te stellen op contact met hem.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
3.1 Eerste klachtonderdeel
Naar het College begrijpt, bestaat het eerste klachtonderdeel uit de volgende twee subonderdelen.
Subonderdeel a
Onzorgvuldigheid, voor rekening komend van verweerder, als gevolg van het niet goed functioneren van zijn praktijk. Zo deelde de assistente de klager mede dat verweerder niet bereikbaar was en vroeg ze niet door.
Subonderdeel b
Onzorgvuldigheid in het beroepsmatig handelen van verweerder zelf. Het heeft volgens klager veel moeite gekost om verweerder ertoe te bewegen langs te komen. Vervolgens heeft hij, doordat hij de ernst van situatie nog steeds onderschatte, onvoldoende haast betracht bij het bezoeken van patiënte, waardoor het onnodig lang heeft geduurd voordat hij ter plaatse arriveerde. Klager is van mening dat deze vertraging tot het overlijden van zijn echtgenote heeft geleid.
3.2 Tweede klachtonderdeel
Klager is van mening dat verweerder in zijn bejegening van hem en patiënte te kort is geschoten. Verweerder heeft zowel vóór als na het overlijden van patiënte door bepaalde uitingen onvoldoende blijk gegeven van empathie.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
4.1 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, subonderdeel a
Het is niet juist dat verweerder niet bereikbaar was tijdens het visite rijden, hij heeft namelijk altijd zijn mobiele telefoon bij zich. Hij heeft zijn assistente hierop aangesproken.
4.2 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, subonderdeel b
Verweerder stelt dat hij na klager telefonisch te hebben gesproken vrij snel tot het afleggen van een visite heeft besloten. Ter plaatse aangekomen heeft hij patiënte onderzocht en snel verdere actie ondernomen. De ambulance arriveerde enige tijd later en patiënte is door hem doorverwezen naar de dienstdoende neuroloog van het F.-Ziekenhuis te G.. Verweerder is van mening dat hij gezien het voorgaande zorgvuldig heeft gehandeld en heeft gedaan wat van hem verwacht mocht worden.
4.2 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel
Verweerder bestrijdt dat de autorit van de praktijk van verweerder naar het woonhuis van patiënte onnodig lang heeft geduurd, zoals klager betoogt. Dat verweerder zich aan de maximumsnelheid heeft gehouden en soms voorzichtig moest rijden vanwege de slechte kwaliteit van het wegdek, kan hem niet worden aangerekend.
Wat betreft de communicatie met klager na het overlijden van patiënte merkt verweerder het volgende op. Hij heeft op de dag van overlijden van patiënte tevergeefs telefonisch contact gezocht met klager. Pas later heeft hij van het overlijden gehoord en heeft hij een condoleancebezoek afgelegd. Hij heeft een andere herinnering aan het gesprek met klager en zijn gedrag jegens hem en zijn kinderen tijdens het condoleancebezoek dan klager heeft. Verweerder is van mening dat hem geen onheuse bejegening jegens klager, patiënte, dan wel hun kinderen kan worden verweten.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het College wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of het handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen binnen de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2 Eerste klachtonderdeel, subonderdeel a
Verweerder heeft onvoldoende weersproken dat zijn assistente tijdens het eerste telefonisch contact op 24 november 2011 om 12:17 uur met klager heeft opgemerkt dat hij niet aanwezig was en dat hij niet telefonisch bereikbaar was. Het College acht echter aannemelijk dat deze laatste mededeling niet klopte, omdat verweerder, zoals hij stelt en het College geloven wil, zijn mobiele telefoon juist altijd bij zich heeft om bereikbaar te zijn. Het voert bij deze stand van zaken te ver verweerder aan te rekenen dat zijn assistente klager op dit punt niet correct heeft geïnformeerd.
Anders ligt het bij de verdere beoordeling van dit telefoongesprek. Gebleken is dat de assistente niet heeft doorgevraagd op de symptomen die klager beschreef. In zoverre heeft de assistente niet gehandeld overeenkomstig de Triagewijzer van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Dat was in strijd met wat in de praktijk gebruikelijk is en als professionele norm geldt. Verweerder heeft het College er niet van kunnen overtuigen dat hierover binnen zijn praktijk afspraken bestonden dan wel dat deze, indien zij er waren, werden nageleefd en dat hij op die naleving toezicht hield. Het College houdt hem hiervoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk.
Het voorgaande brengt mee dat het eerste klachtonderdeel, subonderdeel a, deels gegrond is.
5.4 Eerste klachtonderdeel, subonderdeel b
Aangaande het handelen van verweerder overweegt het College het volgende.
Onder 2.2 is weergegeven hoe klager de situatie van patiënte heeft beschreven in zijn telefoongesprek met verweerder op 24 november 2011 en wat verweerder zelf tijdens het gesprek constateerde op de achtergrond. Verweerder heeft ter zitting gezegd dat hij hierdoor weliswaar een niet-pluis gevoel had, maar dat hij desondanks nog niet aan de mogelijkheid van een beroerte dacht. Om die reden noteerde hij in de journaalregels enkel “Visite vandaag”. Als hij aan een beroerte zou hebben gedacht, zou hij naar eigen zeggen een spoedvisite hebben afgelegd. Eventueel – afhankelijk van de omstandigheden – zou hij ook 112 hebben gebeld.
Het College is anders dan hij van oordeel dat de symptomen zoals hem gemeld en door hemzelf waargenomen tijdens het bewuste telefoongesprek dermate ernstig waren dat hij onmiddellijk aan de mogelijkheid van een beroerte had moeten denken. Onder de gegegeven omstandigheden had verweerder een spoedvisite moeten afleggen en meteen 112 moeten bellen. Hij heeft de ernst van situatie niet goed geschat. Het gebrek aan ‘sense of urgency’ levert gezien de ernst van de situatie een tuchtrechtelijk verwijt op. Dit subonderdeel van het eerste klachtonderdeel is derhalve gegrond.
Met het voorgaande wil het College niet betogen dat het leven van patiënte gespaard had kunnen blijven indien verweerder en zijn assistente in alle opzichten adequaat zouden hebben gehandeld.
5.5 Tweede klachtonderdeel
De snelheid waarmee verweerder zich per auto heeft verplaatst naar het huis van klager en patiënte, is niet goed vast te stellen en levert reeds hierom geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt. Aangaande de bejegening door verweerder, zowel voor als na het overlijden van patiënte, geldt het volgende. De lezingen over de wijze waarop verweerder zich verbaal en non-verbaal heeft geuit jegens klager en zijn familie lopen tussen partijen uiteen, zodat een eventueel incorrecte bejegening door verweerder dan ook niet is komen vast te staan. Het tweede klachtonderdeel is derhalve ongegrond wegens een gebrek aan een feitelijke grondslag.
6. Slotsom
De klacht is gedeeltelijk gegrond. Alles overziend acht het College de maatregel van waarschuwing passend.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. Vaststaande feiten” van de beslissing in eerste aanleg.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 De huisarts richt zich in hoger beroep tegen het oordeel dat klachtonderdeel 1 sub a gedeeltelijk en klachtonderdeel 1 sub b geheel gegrond is. Ten aanzien van klachtonderdeel 1 sub a, betreffende het niet goed functioneren van de praktijk, stelt hij zich op het standpunt dat de assistentes goed waren geïnstrueerd, maar dat een van de assistentes in dit geval niet volgens de instructies heeft gehandeld. Met betrekking tot klachtonderdeel 1 sub b voert de huisarts aan dat hij wel degelijk de ernst van de situatie goed heeft ingeschat en een spoedvisite heeft afgelegd. De huisarts heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en tot ongegrondverklaring van de klacht.
4.2 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3 Wat betreft klachtonderdeel 1 sub a, het niet goed functioneren van de praktijk van de huisarts, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Met betrekking tot het door de assistente van de huisarts met klager gevoerde telefoongesprek staat vast dat zij in dit geval niet heeft gehandeld volgens de Triagewijzer van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Anders dan het College in eerste aanleg ziet het Centraal Tuchtcollege in deze handelwijze onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er in de praktijk van de huisarts in zijn algemeenheid geen goede afspraken bestonden of dat de huisarts onvoldoende toezicht hield op de naleving van afspraken. De huisarts heeft in hoger beroep toegelicht dat in de praktijk werd en wordt gewerkt volgens de Triagewijzer, dat de in de praktijk werkzame assistentes goed geïnstrueerd zijn over hoe te handelen en dat zij allen de opleiding voor doktersassistente hebben gedaan, waar triagetraining een onderdeel van is, en dat hij naar vermogen toezicht heeft gehouden en houdt op het handelen van de assistentes. Voor een tuchtrechtelijk verwijt is onder deze omstandigheden geen plaats. Het beroep met betrekking tot dit klachtonderdeel slaagt.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel 1 sub b, het handelen van de huisarts op
24 november 2011, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Vast staat dat patiënte ten tijde van het door de huisarts om 13.44 uur gevoerde telefoongesprek een verlaagd bewustzijn had en zich uitbreidende uitvalsverschijnselen vertoonde. De Standaard CVA van het Nederlands Huisartsen Genootschap (oktober 2004) schrijft bij (elk van) deze omstandigheden het afleggen van een spoedvisite voor. In hoger beroep is gebleken dat de huisarts, nadat hij tijdens het telefoongesprek constateerde dat patiënte een rochelende ademhaling had, klager heeft gemeld dat hij er direct aankwam, het gesprek beëindigd heeft en meteen op weg is gegaan naar patiënte. Hoewel dit niet als zodanig is genoteerd in het journaal heeft de huisarts dus een spoedvisite afgelegd en in zoverre gehandeld overeenkomstig de Standaard CVA.
Gelet op de tijd die met het overbruggen van de afstand naar het adres van patiënte gemoeid was, had het de voorkeur verdiend indien de arts tevens spoedvervoer had aangevraagd. Nu de Standaard CVA op dit punt (nog) geen eenduidige richting geeft kan de arts daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat het beroep van de arts ook met betrekking tot dit klachtonderdeel slaagt.
4.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege zal worden vernietigd, voor zover daarin de klachtonderdelen 1 sub a gedeeltelijk en 1 sub b geheel gegrond zijn verklaard en daarvoor de maatregel van waarschuwing is opgelegd.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarin de klachtonderdelen 1 sub a en 1 sub b gegrond zijn verklaard en daarvoor de maatregel van waarschuwing is opgelegd;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart die klachtonderdelen alsnog ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. J.P. Fokker en
prof. mr. J.K.M. Gevers, leden-juristen en drs. H.J. Blok en drs. M.A.P.E. Bulder-Beers, leden-beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.