ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2522 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.348

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2522
Datum uitspraak: 20-12-2012
Datum publicatie: 20-12-2012
Zaaknummer(s): c2011.348
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen arts, destijds werkzaam als medisch adviseur bij het BMA van de IND. Klager verwijt de arts dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De klacht houdt in dat de arts 1) een verkeerde definitie van ‘medische noodsituatie’ hanteert, 2) onvoldoende individueel heeft geadviseerd en 3) niet is ingegaan op het risico van suïcide bij reizen en de gevolgen van terugkeer voor klager naar het land van uitzetting. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond en de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond en legt de arts de maatregel van waarschuwing op, inclusief publicatie. De arts komt in beroep tegen de gegrondverklaring van het tweede en derde klachtonderdeel en zijn grieven slagen. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de bestreden beslissing voor zover dit het tweede en derde klachtonderdeel betreft en verklaart deze klachtonderdelen alsnog ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2011.348 van:

A., verzekeringsarts, destijds werkzaam bij het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst,

appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde:

mr. H.C. Schutrops,

tegen

B., wonende te C., verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. L.M. Straver.

1.         Verloop van de procedure

B. - hierna klager - heeft op 13 december 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen verzekeringsarts A. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 juli 2011, onder nummer G2010/110, heeft dat College twee van de drie klachtonderdelen gegrond verklaard en de arts de maatregel van een waar-schuwing opgelegd en bepaald dat de beslissing wordt gepubliceerd, echter eerst nadat deze onherroepelijk zal zijn geworden. De arts is van die beslissing voor wat betreft de gegrondverklaring van de twee klachtonderdelen tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd met de zaak C2011.395 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 oktober 2012, waar zijn verschenen de arts, bijgestaan door mr. H.C. Schutrops en de gemachtigde van klager, mr. L.M. Straver. Klager is niet verschenen. Mr. Schutrops heeft de standpunten van de arts toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2 Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,

die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

2.1

Verweerder was in 2009 gedurende negen maanden als medisch adviseur werkzaam bij het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

2.2

Klager heeft op 15 december 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het ondergaan van een medische behandeling’ dan wel ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. Bij nota van 14 januari 2009 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) medisch advies gevraagd inzake klager aan het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA). Verweerder heeft namens het BMA op 31 maart 2009 op basis van, de met toestemming van klager, verkregen informatie van de behandelaars een medisch advies uitgebracht aan de IND. Op grond van de verstrekte medische informatie achtte verweerder het niet noodzakelijk klager op te roepen voor een spreekuuronderzoek, noch om nader specialistisch onderzoek te laten verrichten. In het advies vermeldt verweerder dat bij klager sprake is van een posttraumatische stressstoornis en depressie. Verder dat de behandeling bestaat uit medicatie en gesprekstherapie, terwijl in de toekomst gerichte traumabehandeling geïndiceerd is. Verweerder stelt in het advies dat: ‘bij adequate traumabehandeling, er binnen een jaar verbetering verwacht kan worden’. Verweerder verwacht geen medische noodsituatie op korte termijn: ‘De voorgeschiedenis van betrokkene vermeldt geen periodes van psychische decompensatie of opname in het kader van de wet BOPZ. Er wordt wel melding gemaakt van suïcidale gedachten, maar er zijn geen eerdere pogingen bekend. De huidige behandeling is van lichte intensiteit (zowel qua medicatie als qua verdere therapie).’ Ten slotte concludeert verweerder dat voor klager in D. onvoldoende medische behandelmogelijkheden zijn. De aanvraag verblijfsvergunning wordt afgewezen en in de bezwaarprocedure benadrukken de behandelaars, bij brief van 4 juni 2009, dat zonder passende behandeling zij de kans op een tentamen suïcide heel groot achten en dat de kans op een medische noodsituatie op korte termijn zeer groot is. Bij nota van 17 september 2009 vraagt de IND daarop aan het BMA, in casu verweerder, of er aanleiding is om het medisch advies aan te passen, dan wel te herzien. Verweerder ziet, bij advies van 29 oktober 2010, geen aanleiding om zijn medisch advies van 31 maart 2009 inhoudelijk te wijzigen en motiveert als volgt:‘Punt 3 van het bezwaar richt zich op het reizen naar D. en het feit dat dit in de nota niet is benoemd. In de vraagstelling (en dus ook de beantwoording) komt dit aspect niet voor, er wordt slechts gevraagd naar reizen in het algemeen. Punt 4 handelt met name over het optreden van een medische noodsituatie op korte termijn, bij staken van de behandeling. Ik heb aangegeven dat er geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. Daarbij is als mede-onderbouwing aangegeven dat de voorgeschiedenis van betrokkene geen aanwijzingen daartoe geeft. Dat wil echter niet zeggen (en zo staat het ook niet in de nota) dat dit de enige onderbouwing is en ook wil dit niet zeggen dat ik hierbij een andere definitie hanteer van een medische noodsituatie.

Punt 5 handelt met name over de behandeling die betrokkene ondergaat en de mening van de behandelaars over het risico op een noodsituatie. Met de opmerking dat de behandeling van lichte intensiteit is, wat de behandelaars overigens bevestigen, heb ik geenszins bedoeld en ook niet zo weergegeven dat er sprake zou zijn van lichte problematiek. Noch suggereer ik dat betrokkene meer gebaat zou zijn bij intensievere behandeling. De behandelaars richten zich verder echter op het terugzenden naar D. en de reactie van betrokkene op deze terugkeer naar het land van herkomst. Ten overvloede wijs ik er op dat dit in de vraagstelling en dus ook in de beantwoording van de nota dit aspect (het reisdoel) niet is genoemd.’ Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is bij beschikking van 22 maart 2011 afgewezen, waarop door klager beroep is ingesteld.

3   De klacht

De oorspronkelijke klacht bestaat uit een drietal samenhangende onderdelen die  -zakelijk weergegeven- betrekking hebben op het onzorgvuldig tot stand komen van de medisch adviezen.

3.1

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager dat verweerder een verkeerde definitie hanteert van medische noodsituatie. Door de uitleg van het begrip medische noodsituatie zoals neergelegd in het Protocol Bureau Medische Advisering 2007 (hierna: het Protocol BMA 2007) te volgen, hanteert verweerder een beperking op de uitleg van het begrip medische noodsituatie in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

3.2

In het tweede klachtonderdeel wordt het verwijt gemaakt dat verweerder onvoldoende individueel heeft geadviseerd. Uit het medisch advies wordt niet duidelijk dat de voor de behandeling van klager cruciale elementen in de beoordeling zijn meegewogen.

3.3

In het derde klachtonderdeel verwijt klager dat het medisch advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen met betrekking tot het reisadvies. Door niet in te gaan op het risico van suïcide bij reizen en de gevolgen van terugkeer naar D. heeft verweerder zijn verantwoordelijkheid te eng geïnterpreteerd.

4 Het verweer

Verweerder heeft de drie klachtonderdelen gemotiveerd bestreden.

5   Beoordeling van de klacht

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het College als volgt. Het tweede en derde klachtonderdeel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.1

Het College zal aan de hand van de onder 3. genoemde klachtonderdelen beoordelen of de arts terzake van de behandeling van klager een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt. Daarbij wordt vooropgesteld dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met wat toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het College stelt voorop dat een arts die een medisch advies op verzoek van de IND uitbrengt in het kader van een vreeemdelingenrechtelijke procedure, zich begeeft op het gebied van de individuele gezondheidszorg en dat de, door die arts uitgebrachte, medische adviezen of rapportages volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie worden beoordeeld of deze vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de volgende eisen voldoen:

a. in het rapport moet op heldere en consistente wijze zijn uiteengezet op welke gronden de conclusie en het advies zijn gebaseerd;

b. de in het rapport uiteengezette gronden moeten op haar beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen, vermeld in het rapport;

c. de bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen;

d. de rapportage beperkt zich tot de deskundigheid van de rapporteur en

d. de methode van onderzoek om tot beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen kan tot het beoogde doel leiden en/of heeft de rapporteur daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.

Daarbij wordt het onderzoek van de arts ten volle getoetst op vakkundigheid en zorgvuldig-heid. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage vindt slechts marginale toetsing plaats.

5.3

Eerste klachtonderdeel.

Het College overweegt ten aanzien van het debat over de definiëring van het begrip medische noodsitutatie als volgt.

Aangezien in het Protocol BMA 2007 is vermeld dat het BMA bij de beantwoording van de vraag naar de verwachting over het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn uitgaat vande omschrijving in paragraaf B-8.3.2 van de Vc 2000 komt naar het oordeel van het College aan het begrip  medische noodsituatie in de BMA adviezen dezelfde betekenis toe als omschreven in de Vc 2000.

5.4

Het voorgaande brengt mee dat het eerste klachtonderdeel faalt.

5.5

Tweede en derde klachtonderdeel.

Het College is van oordeel dat verweerder in zijn tweede advies van 29 oktober 2009 de bevindingen van de behandelaars onvoldoende heeft betrokken. De alarmering van de behandelaars die betrekking heeft op het ontstaan van een medische noodsituatie bij staken van de behandeling, al dan niet in Nederland, had verweerder moeten aansporen tot het betrekken daarvan in zijn advies en tot navraag bij de behandelaars dan wel consulteren van een externe deskundige met psychiatrische expertise. Dit klemt temeer omdat verweerder weliswaar een opgeleid medisch adviseur is maar geen psychiater.

Op deze wijze heeft verweerder in de rapportage onvoldoende de invloed van de mogelijk balansverstorende effecten van staken van de behandeling maar ook de invloed van verhoogde externe stressfactoren op het ziektebeeld van klager erkend en gemotiveerd.

Het College is daarmee van oordeel dat de rapportage niet voldoet aan de onder 5.2 omschreven eisen.

5.6

Het voorgaande brengt mee dat het tweede en derde klachtonderdeel doel treft.

6 Slotsom

Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

De overige (tweede en derde) klachtonderdelen zijn gegrond.

Het College acht het onzorgvuldig handelen van verweerder, mede in onderling verband en in samenhang bezien, zodanig dat met een waarschuwing kan worden volstaan.

Het is in het algemeen belang dat deze beslissing in bredere kring bekend wordt. Het College zal dan ook bepalen dat de beslissing in geanonimiseerde vorm wordt gepubliceerd als hierna te vermelden.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en zoals hierboven onder 2. weergegeven.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

4.1              Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. In het kader van een voorgenomen uitzetting van klager naar D. heeft de arts op verzoek van de IND bij brief van 31 maart 2009 over klager een medisch rapport en een daarop gebaseerd advies uitgebracht. De aanvraag verblijfsvergunning is afgewezen en in de bezwaarprocedure hebben de behandelaars van klager, bij brief van 4 juni 2009, de medische situatie van klager toegelicht. De IND heeft bij nota van 17 september 2009 aan de arts gevraagd of er aanleiding is om het advies van 31 maart 2009 aan te passen dan wel te herzien, waarop de arts bij advies van 29 oktober 2009 heeft geantwoord dat er geen aanleiding is om zijn medisch advies van 31 maart 2009 inhoudelijk te wijzigen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het eerste klachtonderdeel, te weten het verwijt van klager dat de arts een verkeerde definitie van het begrip ‘medische noodsituatie’ hanteert, ongegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel, dat inhoudt dat de arts onvoldoende individueel heeft geadviseerd, en het derde klachtonderdeel, dat het verwijt betreft dat het advies van de arts op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen met betrekking tot het reisadvies, zijn door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaard. Het Regionaal Tuchtcollege heeft hiertoe overwogen dat de rapportage van de arts niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat de arts in zijn tweede advies van 29 oktober 2009 de bevindingen van de behandelaars onvoldoende heeft betrokken, en omdat deze bevindingen hem hadden moeten aansporen tot het doen van navraag bij die behandelaars dan wel tot het consulteren van een externe deskundige met psychiatrische expertise.

4.2       De arts is onder aanvoering van drie grieven in beroep gekomen bij het Centraal Tuchtcollege. Met het beroep beoogt de arts de zaak voor wat betreft de tweede en derde en tevens gegrond verklaarde klachtonderdelen aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Het beroep strekt in zoverre tot vernietiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en opnieuw rechtdoende tot ongegrondverklaring van de klacht van klager.

4.3              Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.4       De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen is het de taak van een BMA-arts om medisch advies uit te brengen wanneer de IND dat in het kader van een vreemdelingenrechtelijke procedure verzoekt. De BMA-arts die een zodanig advies uitbrengt, begeeft zich daarmee op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege dient een zodanig medisch advies vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan de navolgende eisen te voldoen:

1) In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;

2) De in het rapport uiteengezette gronden vinden aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport;

3) Bedoelde gronden kunnen de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen;      

4) De rapportage beperkt zich tot de deskundigheid van de rapporteur;

5) De methode van onderzoek om tot beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen kan tot het beoogde doel leiden en de rapporteur heeft daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.

Het Centraal Tuchtcollege toetst daarbij ten volle of het onderzoek uit een oogpunt van vakkundigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.

4.5       Vooropgesteld wordt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zaak als de onderhavige de BMA-arts de kennis en kunde bezit, althans geacht wordt te bezitten, om aan de hand van beschikbare medische gegevens de hem gestelde vragen van een deskundig antwoord te voorzien. Dat in het onderhavige geval de arts een opgeleid medisch adviseur is maar geen psychiater, vormt, anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn niet gebleken.

4.6       Het rapport van de BMA-arts is opgesteld aan de hand van de door de IND geformuleerde vragen en deze vragen zijn gesteld in het kader van artikel 64 Vreemdelingenwet (Vw), kort gezegd inhoudende dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. In lijn hiermee noopte de vraagstelling in rubriek A (persoonsgebonden vragen) van het door de arts opgestelde rapport van 31 maart 2009 dan ook niet tot een beoordeling van de vraag of bij uitzetting en/of verblijf in het land van herkomst een medische noodsituatie zou kunnen ontstaan. In de formulering van vraag 3 in de voornoemde rubriek A is het eventuele ontstaan van ‘een medische noodsituatie op korte termijn’ verbonden met ‘het uitblijven van de onder 2 genoemde behandeling’, te weten de medische behandeling waarvan eventueel ten aanzien van betrokkene sprake is en waarover door middel van de vragen 2a en 2b nadere informatie gegeven kan worden. In de vragen is geen verbinding gelegd met mogelijke, door de arts dan te onderzoeken, andere omstandigheden in het land van herkomst die voor het ontstaan van een medische noodsituatie na terugkeer in dat land van belang zouden kunnen zijn. In het kader van artikel 64 Vw wordt de BMA-arts ten slotte in de vragen 4a en 4b in de voornoemde rubriek A de vraag voorgelegd of betrokkene met of zonder medische voorwaarden kan reizen met de in de vraag genoemde vervoermiddelen.

4.7       De BMA-arts heeft zich bij de beantwoording van de vraag of het uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn dan ook mogen beperken tot een medische inschatting op basis van de huidige gezondheids-toestand in relatie tot de voorgeschiedenis van klager. De arts heeft verklaard dat hij de, door de IND geformuleerde, vragen in voormelde zin (beperkt) heeft opgevat en dat van hem niet gevraagd werd om de periode na een eventuele uitzetting hierin te betrekken. Voorts heeft de arts verklaard:

- dat hij zich op basis van de bevindingen van de behandelaars in hun brief van

27 maart 2009 een goed beeld heeft kunnen vormen van de voorgeschiedenis en de huidige situatie van klager, te weten dat sprake was van een PTSS bij klager, waarvoor hij eerder niet is behandeld, dat klager depressief werd als gevolg van een afwijzing van zijn verzoek om een verblijfsvergunning, waarvoor een behandeling is gestart in de zin van ondersteunende gesprekken en medicatie (anti-depressivum), dat klager als gevolg van de afwijzing van zijn verzoek om een verblijfsvergunning sombere, soms suïcidale, gedachten had en dat deze bevindingen als uitgangspunt hebben gediend bij de beantwoording van de vraag in zijn rapport van 31 maart 2009 of het uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn;

- dat hij bij zijn beoordeling heeft betrokken dat klager nooit een zelfmoordpoging heeft ondernomen, dat klager nooit opgenomen is geweest in het kader van de wet BOPZ, dat niet gebleken is dat klager impulsief gedrag heeft vertoond in reactie op andere situaties en dat klager geen anti-psychotica of slaapmedicatie gebruikt;

- dat de aanvullende bevindingen van de behandelaars in hun brief van 4 juni 2009 in zijn tweede rapport van 29 oktober 2009 niet hebben geleid tot een wijziging van zijn op 31 maart 2009 gegeven advies, omdat in het tussenliggende half jaar geen wijziging was opgetreden in de medicatie of behandeling van klager, hetgeen volgens de arts wel te verwachten was in een situatie van versombering en verslechtering zoals de behandelaars beschrijven;

- dat hij op basis van de bevindingen van de behandelaars geen noodzaak heeft gezien om klager op te roepen voor een spreekuuronderzoek dan wel om navraag te doen bij een specialist, omdat zijn bevindingen hem een voldoende helder beeld gaven van de gezondheidssituatie van klager en omdat hij geen inconsistenties constateerde tussen die bevindingen en het ziektebeeld van klager.

4.8       Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen voldoet het rapport van

31 maart 2009 in samenhang bezien met het aanvullende rapport van 29 oktober 2009 aan de hierboven weergegeven eisen. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat de arts bij het opstellen van de beide rapporten iets uitvoeriger was geweest in zijn formulering, is het achterwege blijven hiervan niet zodanig ernstig dat een tuchtrechtelijk verwijt op zijn plaats is.

4.9       Ten overvloede merkt het Centraal Tuchtcollege op dat in het Protocol BMA 2010 (onder ‘reikwijdte advies’, pagina 17), anders dan in het Protocol BMA 2007, is opgenomen dat de medisch adviseur aandacht dient te besteden aan de medische voorwaarden om een zorgvuldige reis te waarborgen, indien de toestand van betrokkene daartoe aanleiding geeft zoals blijkt uit concrete medische gegevens (“bijvoorbeeld dreigende impulsieve reacties bij uitzetting”). Hieruit kan begrepen worden dat de BMA-arts in zijn reisadvies niet alleen de voorgeschiedenis en de huidige gezondheidstoestand van de betrokkene dient te betrekken, maar ook het doel van de reis, te weten dat de reis wordt gemaakt naar het land van herkomst/uitzetting. Protocol BMA 2010 was echter ten tijde van het opstellen van de onderhavige rapporten (2009) nog niet van toepassing.

4.10     Het voorgaande brengt mee dat het beroep slaagt. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege kan niet in stand blijven. Het Centraal Tuchtcollege zal opnieuw rechtdoende de klacht voor wat betreft het tweede en derde klachtonderdeel ongegrond verklaren. De door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van waarschuwing komt hiermee te vervallen.               

4.11     Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing worden bepaald.

5.         Beslissing

            Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voor zover daarin het tweede en derde klachtonderdeel gegrond zijn verklaard

en opnieuw rechtdoende:

verklaart deze klachtonderdelen alsnog ongegrond op de hiervoor vermelde gronden;

bepaalt dat deze beslissing op voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter, mr. A.D.R.M. Boumans en mr.drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en mr.drs. J.A.W. Dekker en

mr.drs. M.J. Kelder, leden-beroepsgenoten en mr.drs. E.E. Rippen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2012.

                                               Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.