ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2521 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.335

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2521
Datum uitspraak: 20-12-2012
Datum publicatie: 20-12-2012
Zaaknummer(s): c2011.335
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht: Klaagster verbleef in 2005 in een ziekenhuis in Duitsland wegens symptomen na een insectensteek/-beet. Terug in Nederland werd zij door de huisarts verwezen naar verweerder, internist, en heeft zij diens polikliniek bezocht.  Klaagster verwijt de arts dat hij niet de zorg heeft verleend die mag worden verwacht van een zorgvuldig handelend internist. Met name heeft de arts klaagster niet meteen bij het eerste bezoek aan de polikliniek onderzocht en behandeld en is zij onheus bejegend. Verder heeft de arts de diagnose Lyme gemist. Bovendien verwijt klaagster de arts dat deze het medisch beroepsgeheim heeft geschonden door in deze procedure bij het medisch tuchtcollege zonder klaagsters toestemming medische gegevens in te brengen die niet tot zijn vakgebied behoren. RTG Den Haag: klacht afgewezen. CTG: verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2011.335 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

raadsvrouw mr. W.J. Boer,

tegen

C., internist/klinisch farmacoloog, wonende te D.,

verweerder in beide instanties, raadsman mr. N. van den Burg.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 10 augustus 2010 bij het Regionaal Tuchtcollege te

‘s-Gravenhage tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van

9 augustus 2011, onder nummer 2010-147 heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 november 2012, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. W.J. Boer, en de arts, bijgestaan door

mr. N. van den Burg.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2. De feiten

            2.1       Van 11 juli tot 20 juli 2005 verbleef klaagster in een ziekenhuis in E. wegens symptomen na een insectensteek/-beet. Terug in Nederland werd zij door de huisarts verwezen naar een internist, te weten de arts: op 22 juli 2005 heeft zij diens polikliniek bezocht.

2.2       Klaagster kreeg in de polikliniek te horen dat zij moest vertrekken omdat er eerst kweken op MRSA dienden te worden afgenomen.

2.3       Na thuiskomst heeft klaagster de polikliniek gebeld en aangegeven dat zij zich onheus bejegend voelde en de arts verzocht haar terug te bellen. De arts heeft telefonisch contact met haar gezocht, gezegd dat het hem speet dat zij zich onheus bejegend voelde en haar de situatie uitgelegd.

2.4       De MRSA-kweken bleken negatief en op 29 juli 2005 heeft de arts klaagster alsnog gezien. Er volgde onder andere een bloedonderzoek, ook op de ziekte van Lyme en een doorverwijzing naar de cardioloog en de allergoloog. De arts heeft klaagster laten weten dat er klinisch geen sprake was van Lyme.

2.5       In een terugkoppeling heeft de arts aan de huisarts laten weten dat Lyme-serologie was afgenomen en dat sprake was van een anafylactische reactie op een insectenbeet en daarna ritmestoornissen.

2.6       In november 2009 stelde een uroloog in een ander ziekenhuis een atonale blaas vast en legde deze een link naar de ziekte van Lyme. Opnieuw werd de Lymeserologie bepaald en deze bleek ‘zwak positief’ te zijn.

2.7       In december 2009 liet klaagster nogmaals bloed afnemen voor onderzoek naar de ziekte van Lyme, thans door een laboratorium te F.. Zij bleek een positieve immuniblot IGG en positieve Elisa IgG te hebben.

2.8       In januari 2010 heeft de arts op klaagsters verzoek de uitslag opgevraagd. Bij de uitslag stond de volgende mededeling vermeld: ‘serologie van Lyme/erythema migrans wordt pas 8 weken na een tekenbeet positief. Indien te vroeg bepaald, is het zinvol de serologie te herhalen’.

2.9       Op 22 februari 2010 heeft klaagster bij de arts opnieuw een Lyme-serologie laten bepalen. Zowel Blot tests IGM als IGG bleken negatief, zodat – zo bleek uit door de arts met de dienstdoende bacterioloog gevoerd intercollegiaal overleg – mocht worden aangenomen dat noch op dat moment noch in 2005 bij klaagster van Lyme sprake was..

2.10     Klaagster heeft vervolgens een andere behandelaar gevonden en op

22 maart 2010 kreeg zij het eerste infuus met ceftriaxon.

             3. De klacht

Klaagster verwijt de arts dat hij niet de zorg heeft verleend die mag worden verwacht van een zorgvuldig handelend internist. Met name heeft de arts klaagster niet meteen bij het eerste bezoek aan de polikliniek onderzocht en behandeld en is zij onheus bejegend. Verder heeft de arts de diagnose Lyme gemist, omdat hij heeft nagelaten in 2005 opnieuw de serologietesten te herhalen, hetgeen aangewezen was omdat deze testen te vroeg (binnen drie weken) waren verricht.

Bovendien verwijt klaagster de arts dat deze het medisch beroepsgeheim heeft geschonden door in deze procedure bij het medisch tuchtcollege zonder klaagsters toestemming medische gegevens in te brengen die niet tot zijn vakgebied behoren.

4. Het standpunt van de arts

De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen betwist. Op hetgeen hij als verweer heeft aangevoerd, zal – voorzover voor de beoordeling van belang – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1.         Ter zitting heeft de arts aangegeven dat ten tijde van het eerste bezoek van klaagster aan de polikliniek er net sprake was van een kort tevoren ingesteld MRSA-protocol waar de arts zich aan heeft gehouden. Dit protocol schrijft voor dat onderzoek en behandeling alleen moeten plaatsvinden indien de eerst af te nemen MRSA kweken negatief zijn. De arts heeft zich bij de behandeling van klaagster aan dit protocol gehouden. Volgens de arts is daarbij geen sprake is geweest van een onheuse behandeling van klaagster. Bovendien heeft de arts dezelfde dag nog telefonisch contact opgenomen met klaagster om de situatie uit te leggen. Daarbij heeft hij zijn excuses gemaakt voor het feit dat klaagster zich onheus bejegend heeft gevoeld.

Het College is van oordeel dat de arts in de gegeven omstandigheden op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, nu hij het protocol heeft gevolgd en daarenboven een en ander op vorenvermelde wijze met klaagster heeft besproken.

5.2       Op grond van het medisch dossier en het ter zitting besprokene is gebleken dat de arts de diagnose in 2005 met name heeft gestoeld op het ontbreken van een erythema migrans en op het gegeven dat klaagster geen tekenbeet had gehad maar een mogelijke acute insectensteek/-beet, hetgeen bevestiging vond in het negatieve resultaat van het bloedonderzoek in 2005 en later in 2010. Laatstbedoeld bloedonderzoek op Lyme betekent, aldus de arts, dat de diagnose Lyme definitief verworpen kon worden. Voor herhaling van de test na een aantal weken in 2005 zag de arts geen aanleiding nu hij geen twijfel had en ook niet hoefde te hebben op grond van de fysisch diagnostische en anamnestische bevindingen en omdat er meer dan 18 dagen waren verstreken. In die tijd zou een seroconversie in het algemeen moeten zijn opgetreden. Dat de arts niet heeft gekozen voor herhaling van de serologie hing volgens de arts ermee samen dat de insectenbeet bij klaagster op het moment dat de arts haar zag als enige tijd geleden had plaatsgevonden en dus niet meer recent was.

5.3          De arts heeft met kracht van argumenten toegelicht waarop hij zijn bevindingen heeft gebaseerd. Het College is van oordeel dat de arts - op dit gebied een deskundige bij uitstek -  een volledig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht en op goede gronden tot de gestelde diagnose is gekomen. De anamnese bood geen aanknopingspunten specifiek voor Lyme, met name niet nu geen sprake was van voor Lyme relevante tekenbeet, terwijl de arts heeft mogen vertrouwen op zijn eigen ziekenhuislaboratorium. Dit betreft immers een gevisiteerd en geaccrediteerd laboratorium, alwaar specifiek geschoolde arts-microbiologen werkzaam zijn.

De (enigszins) afwijkende uitslagen van het laboratorium in F. maken dit niet anders, nu genoemd laboratorium in tegenstelling tot het door de arts ingeschakelde (ziekenhuis)laboratorium geen geaccrediteerd laboratorium is en bovendien niet de beschikking had over een arts-microbioloog. Ook de afwijkende diagnose van de uroloog in 2009 (zie hiervoor 2.6) maakt dit niet anders, nu onvoldoende duidelijk is waarop deze diagnose is gebaseerd en hiermee in ieder geval voormelde bevindingen niet zijn achterhaald. Van enig tuchtrechtelijk tekortschieten is niet gebleken.

5.4          In het kader van zijn verdediging in een tuchtrechtelijke procedure is het de arts toegestaan medische gegevens betreffende een klagende partij in het geding brengen. Ook ten aanzien van klaagster zijn medische gegevens overgelegd. Dat de arts bij het overleggen van deze gegevens jegens klaagster verder is gegaan dan nodig was ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure is het College niet gebleken, zodat ook de klacht betreffende schending van het beroepsgeheim ongegrond is.

5.4          De conclusie luidt dat de klacht moet worden afgewezen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1       Met haar beroep beoogt klaagster de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van de stellingen die zij reeds in eerste aanleg heeft geuit.

4.2       De arts heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.3       De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. P.J. Wurzer, leden-juristen en dr. J.B.L. Hoekstra en dr. R. Heijligenberg, leden- beroepsgenoten en mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2012.                           Voorzitter   w.g.                     Secretaris  w.g.