ECLI:NL:TGDKG:2026:90 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/771065 DW RK 25/204 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:90
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 12-10-2026
Zaaknummer(s): C/13/771065 DW RK 25/204 BB/WdJ
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager beklaagt zich onder meer over de hoogte van de beslagvrije voet, de vordering en dat er bankbeslag is gelegd terwijl klager in detentie verbleef. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. De klacht ten aanzien van het niet tijdig reageren op zijn verzoeken om een overzicht is gegrond. Maatregel van waarschuwing opgelegd en veroordeling in de proceskosten van klager.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 14 september 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/771065 DW RK 25/204 BB/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klager,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij e-mail, ingekomen op 14 juni 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen per e-mail op 31 juli 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 juli 2026 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 14 september 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij vonnis van de kantonrechter Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 28 juni 2023 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan VGZ Zorgverzekeraar N.V.

-           Bij exploot van 17 april 2024 is het vonnis van 28 juni 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Op 27 mei 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. ten laste van klager.

-           Bij brief van 13 maart 2025 is klager gesommeerd de openstaande vordering te voldoen.

-           Bij e-mail van 16 maart 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vordering en verzocht om een gespecificeerd overzicht. Tevens heeft klager aangegeven een betalingsregeling te willen treffen.

-           Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft klager zijn e-mail van 16 maart 2025 gerappelleerd.

-           Bij brief van 24 april 2025 is aan klager een overzicht van de openstaande vorderingen verstrekt en is tevens aangegeven dat akkoord kon worden gegaan met een betalingsregeling van € 215 per maand.

-           Bij brief van 5 mei 2025 is klager herinnerd aan de betalingsregeling, die klager niet is nagekomen.

-           Op 27 mei 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst/Toeslagen ten laste van klager.

-           Bij e-mail van 4 juni 2025 heeft klager verzocht om directe aanpassing van de gestelde bedragen, het te betalen bedrag en aanpassing van de beslagvrije voet.

-           Bij brief van 18 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om nadere bewijsstukken om de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen. Tevens is gereageerd op bezwaren van klager en is een opgave van het verschuldigde bedrag gegeven.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: beslag heeft gelegd zonder de correcte beslagvrije voet te hanteren en weigert de beslagvrije voet aan te passen, ondanks het verzoek van klager hiertoe;

b: een betaalafspraak heeft gemaakt zonder instemming van of overleg met klager;

c: bankbeslag heeft gelegd ten tijde dat klager in detentie zat, terwijl de gerechtsdeurwaarder wist dat er geen financiële middelen beschikbaar waren;

d: met vorderingen komt terwijl er geen vonnis is;

e: op geen enkel schrijven en/of voorstel van klager reageert, waardoor enige regeling onmogelijk wordt gemaakt;

f: geen kennisgeving stuurt na eventuele mondelinge afspraken na een bezoek van de gerechtsdeurwaarder.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met bij of krachtens die wet en de Wet kwaliteit incassodienstverlening gegeven bepalingen en ter zake van handelen of nalaten dat behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer voorop dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Wel is aan de orde in deze procedure of de gerechtsdeurwaarder rondom het vaststellen van een beslagvrije voet en de communicatie daarover gehandeld heeft zoals je van een gerechtsdeurwaarder mag verwachten. Uit de overlegde producties blijkt dat hier sprake van is. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet op basis van de bij hem bekende gegevens berekend. Klager heeft bij e-mail van 4 juni 2025 verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij

e-mail van 18 juni 2025 verzocht om nadere bewijsstukken om de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen. Hierop heeft klager niet gereageerd. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten is op dit klachtonderdeel niet gebleken.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat klager bij e-mail van 16 maart 2025 heeft aangegeven een betalingsregeling te willen treffen. Klager heeft hierbij geen specifiek voorstel gedaan. Bij brief van 24 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat akkoord kan worden gegaan met een betalingsregeling van € 215 per maand. Klager had een tegenvoorstel kunnen doen als hij het niet eens was met het betalingsvoorstel van de gerechtsdeurwaarder. Dat heeft hij niet gedaan. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c stelt de kamer voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis van 28 juni 2023 te executeren. Klager staat op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, dus ook op het saldo van bankrekening. Dat klager op het moment van het gelegde beslag in detentie verbleef, maakt niet dat de gerechtsdeurwaarder geen beslag mocht leggen. Niet gebleken dan wel aangetoond is dat de gerechtsdeurwaarder op de hoogte was van de financiële situatie van klager. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer dat klager bij vonnis van 28 juni 2023 is veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag. Het vonnis is bij exploot van 17 april 2024 aan klager betekend op de in artikel 47 Rv bepaalde wijze door achterlating van het exploot in een gesloten envelop op het adres waar klager volgens het register van de Basisregistratie Personen woonachtig is. De stelling van klager dat geen sprake is van een vonnis klopt niet.

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij e-mails en brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn, te weten rond twee weken, beantwoordt. Niet betwist is dat klager bij e-mail van

16 maart 2025 heeft verzocht om een overzicht van de openstaande vordering en tevens heeft aangegeven een betalingsregeling te willen treffen. Klager heeft bij

e-mail van 26 maart 2025 de deurwaarder gerappelleerd. De gerechtsdeurwaarder heeft pas bij brief van 24 april 2025 gereageerd. Dit is ruim buiten de termijn die redelijk wordt geacht. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.

5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de kamer dat deze enkele stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen. Dit klachtonderdeel wordt als ongegrond afgewezen.

5.8 De kamer verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. De kamer betrekt hierbij dat de gerechtsdeurwaarder weliswaar meestal tijdig op e-mailberichten van klager heeft gereageerd, maar pas op 24 april 2025 heeft gereageerd op de e-mail van klager van 16 maart 2025 en het rappel van 26 maart 2025. Bij deze stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klager het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klager gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.

5.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdeel e gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van waarschuwing op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, begroot op
    € 50, te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht

ad € 50 vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.