ECLI:NL:TGDKG:2026:88 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/777099 / DW RK 25/393 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:88 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-09-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/777099 / DW RK 25/393 BB/WdJ |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 14 september 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 30 september 2025 met zaaknummer C/13/771709 DW RK 25/224 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/777099 / DW RK 25/393 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ].
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mails met bijlagen, ingekomen op 8 juni 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij e-mail, ingekomen op 28 augustus 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 30 september 2025 heeft de voorzitter de klacht voor zover die ziet op een periode van meer dan drie jaren geleden niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 11 oktober 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij email, ingekomen op 13 november 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder een beschikking van de kantonrechter te Leiden van 24 juli 2025 aan de kamer gezonden. Klaagster heeft haar verzet aangevuld bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 13 februari 2026. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 juli 2026 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 14 september 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op 2 september 2014 is beslag gelegd op het saldo op de bankrekening van klaagster.
- Op 23 september 2014 is beslag gelegd op de uitkering van klaagster.
- Klaagster heeft meermalen verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet.
4. De oorspronkelijke klacht
Klaagster beklaagt zich er - voor zover de voorzitter begrijpt - samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet hanteert.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 De klacht is gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) dienen klachten die zijn gericht tegen een met naam genoemde gerechtsdeurwaarder te worden afgehandeld als zijnde tegen hem gericht. De in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarder wordt daarom als beklaagde aangemerkt.
4.2 De klacht wordt, voor zover deze ziet op een periode van meer dan drie jaren geleden, op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet niet-ontvankelijk verklaard.
4.3 Voor zover klaagster stelt dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet hanteert, overweegt de voorzitter dat deze (tuchtrechtelijke) procedure zich niet leent voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter.
4.4 De voorzitter overweegt dat dat de enkele niet nader door klaagster onderbouwde stellingen onvoldoende zijn om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen. Klaagster volstaat met algemeenheden zonder toelichting. De klacht voldoet aldus niet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster voor zover die ziet op een periode van meer dan drie jaren geleden niet-ontvankelijk en voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klaagster het volgende aangevoerd.
6.1 De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster in december 2021 niet op de hoogte gesteld van de verlaging van de beslagvrije voet.
6.2 De gerechtsdeurwaarder heeft bij zijn beslaglegging vanaf december 2021 tot augustus 2025 (wederom) geen rekening gehouden met de belangen van klaagster.
6.3 De gerechtsdeurwaarder heeft niet gereageerd op het per aangetekend verstuurde inhoudelijke bezwaarschrift van klaagster van 18 december 2021.
6.4 De gerechtsdeurwaarder is vanaf 18 december 2021 voorbijgegaan aan het feit dat klaagster een vordering heeft op haar ex-partner.
6.5 De gerechtsdeurwaarder is in december 2021 voorbijgegaan aan het vonnis van 23 september 2015 van de rechtbank Rotterdam.
6.6 De gerechtsdeurwaarder heeft geen enkele keer inzicht gegeven in de bedragen die zijn geïncasseerd tijdens het beslag op de WAZ-uitkering van klaagster vanaf december 2021 tot en met augustus 2025, ondanks meerdere verzoeken hiertoe.
6.7 De gerechtsdeurwaarder liet gebeuren dat de ex-partner van klaagster het ouderdomspensioen vanaf 2 april 2024 en het vroegpensioen vanaf 2 april 2025 voor zichzelf houdt, in strijd met de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en het vonnis van 23 september 2023.
6.8 De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster vanaf december 2021 tot augustus 2025 gegijzeld gehouden in een armoedige situatie.
6.9 De gerechtsdeurwaarder heeft in strijd met de geheimhoudingsplicht het heimelijk-woonadres van klaagster gelekt richting de zeer gevaarlijke de ex-partner van klaagster.
6.10 De gerechtsdeurwaarder heeft na december 2021 ook beslag gelegd op (een deel van) de vakantietoeslag van klaagster.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder 6.9.
7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klaagster ter zitting aangevoerde maken dit niet anders. De kamer verwijst ten aanzien van de hoogte van de beslagvrije voet naar de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde beschikking van de kantonrechter te Leiden van 24 juli 2025. De kantonrechter heeft in de beschikking overwogen dat klaagster geen enkel inzicht in haar leefsituatie heeft gegeven, waardoor er geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen of om tot vaststelling van de beslagvrije voet over te gaan.
7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.