ECLI:NL:TGDKG:2026:87 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/772108 DW RK 25/236 BB/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:87 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-09-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/772108 DW RK 25/236 BB/WdJ |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De gerechtsdeurwaarder heeft geen zorgvuldige marginale toets uitgevoerd. Klacht gegrond, maatregel van waarschuwing opgelegd en veroordeling in de proceskosten van klager. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 14 september 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/772108 DW RK 25/236 BB/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 8 juli 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 23 september 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij e-mail van 30 juni 2026 heeft klager aanvullende producties gestuurd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 juli 2026 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op
14 september 2026.
2. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Op 11 december 2024 heeft de voorzieningenrechter te Haarlem uitspraak gedaan in een kort geding tussen klager en zijn ex-partner.
- Bij exploot van 19 juni 2025 is het vonnis van 11 december 2024 aan klager betekend met gelijktijdig bevel een bedrag van € 54.707,78 te voldoen.
- Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht een bedrag van € 158,28 te voldoen, teneinde beslagmaatregelen te voorkomen.
- Bij e-mail van 24 juni 2025 heeft de advocaat van klager gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het bevel tot betaling.
- Bij e-mail van 27 juni 2025 heeft de advocaat van klager aangekondigd een executie kort geding op te starten, wegens het uitblijven van een reactie van de gerechtsdeurwaarder.
- Bij e-mail van 30 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de advocaat van klager geïnformeerd dat executiemaatregelen worden aangehouden in afwachting van het aangekondigde kort geding.
- Bij e-mail van 2 juli 2025 is klager inhoudelijk op de vordering ingegaan en heeft hij aangekondigd een tuchtklacht in te dienen.
- Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 10 juli 2025 gereageerd.
3. De klacht
Klager beklaagt zich samengevat over het volgende.
De gerechtsdeurwaarder is door de advocaat van klager een aantal keren gewezen op het feit dat de door klagers ex-partner geleverde stukken niet lieten zien dat aan de voorwaarden uit, zoals gesteld in het vonnis, was voldaan. De gerechtsdeurwaarder was niet ontvankelijk voor dit argument en stelde dat klager een executiegeding moest starten als hij de executie wilde stoppen. Dit kostte klager veel tijd, geld en energie, maar was vooral emotioneel belastend. Hoewel een zorgvuldige marginale toets liet zien dat niet rechtsgeldig tot een bevel tot betaling en de daarop volgende executie kon worden overgegaan, is dit toch gebeurd en bestond geen bereidheid deze te stoppen.
4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met bij of krachtens die wet en de Wet kwaliteit incassodienstverlening gegeven bepalingen en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
5.2.1 De kamer overweegt dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Volgens vaste jurisprudentie hoeft door een gerechtsdeurwaarder in beginsel slechts marginaal te worden getoetst of de verstrekte titel voldoende grond biedt voor de betekening en het bevel tot betaling. In dit geval is in het vonnis een veroordeling tot betaling van een geldsom opgenomen waarvan de hoogte niet in het vonnis is vastgesteld omdat die afhankelijk was van toekomstige omstandigheden. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis opgenomen op welke wijze de hoogte van het verschuldigde bedrag kon worden vastgesteld en heeft daarbij beslist dat voor het vaststellen hiervan een schriftelijke verklaring van een makelaar moest worden overgelegd waaruit bleek dat de ex-partner van klager een koopovereenkomst voor een woning had getekend waarvan de bedenktijd was verstreken. Zo’n verklaring is nooit verstrekt. De gerechtsdeurwaarder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van zijn marginale toets tot bevel tot betaling over kon gaan. Hij heeft navraag gedaan bij zijn opdrachtgever en deze heeft toegelicht dat er geen verklaring van een makelaar aanwezig was omdat de ex-partner van klager (het aandeel in) de woning zonder tussenkomst van een makelaar van haar vriend heeft gekocht.
5.2.2 Het staat de gerechtsdeurwaarder niet vrij om een voorwaarde van de voorzieningenrechter te negeren. Nu niet is voldaan aan een van de gestelde voorwaarden in het vonnis heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de uitspraak van 11 december 2024 aan klager te betekenen en klager bevel te doen tot betaling. De gerechtsdeurwaarder heeft geen zorgvuldige marginale toets uitgevoerd.
5.3 De kamer verklaart de klacht gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. De kamer acht deze maatregel passender dan de maatregel van berisping, omdat de gerechtsdeurwaarder na het doen van het bevel geen executiemaatregelen meer heeft genomen en onmiddellijk heeft toegezegd de executie op te schorten nadat de advocaat van klager had aangekondigd een executie kort geding te zullen opstarten. Bij deze stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klager het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klager gemaakte (forfaitair vast te stellen) kosten.
5.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, begroot op
€ 50,-, te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden; - bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht
ad € 50,- vergoedt, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. S.J.W van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 september 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.