ECLI:NL:TGDKG:2026:84 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/773220 / DW RK 25/256 KM/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:84
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 12-10-2026
Zaaknummer(s): C/13/773220 / DW RK 25/256 KM/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarders hebben weliswaar geen gebruik gemaakt van briefpapier en enveloppen van het gerechtsdeurwaarderskantoor, maar hebben de envelop met de brief van 25 juni 2025 wel gefrankeerd met de frankeermachine van het kantoor. De brief is hiermee duidelijk herleidbaar tot het gerechtsdeurwaarderskantoor. Ook zijn e-mailberichten verzonden vanaf het kantoor e-mailadres van de gerechtsdeurwaarders en hebben zij een dossiernummer in hun e-mail van 3 juli 2025 vermeld. Verder zijn de brieven van de gerechtsdeurwaarders redelijk intimiderend van aard. Nu de gerechtsdeurwaarders bewust of onbewust de noodzakelijke terughoudendheid uit het oog zijn verloren en de schijn hebben gewekt hun ambtelijke gewicht ten eigen bate, althans ten bate van hun zoon te gebruiken, verklaart de kamer de klacht gegrond en wordt de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden geacht.  

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 7 september 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/773220 / DW RK 25/256 KM/WdJ ingesteld door:

[  ],

gevestigd te [  ],

klager,

tegen:

1. [  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

2. [  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagden.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 juli 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 29 augustus 2025, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026 alwaar klager met zijn echtgenote en de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 7 september 2026.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Klager heeft in 2021 en 2022 rijlessen gegeven aan de zoon van de gerechtsdeurwaarders.

-           Op 2 juni 2025 stond het rijexamen van de zoon van de gerechtsdeurwaarders gepland, dat niet kon doorgaan vanwege het verlopen theoriecertificaat.

-           Bij brief en e-mail van 2 juni 2025 hebben de gerechtsdeurwaarders klager daarvoor verantwoordelijk gehouden. Hierbij hebben de gerechtsdeurwaarders een voorstel gedaan om de situatie minnelijk op te lossen.

-           Hierop heeft klager de gerechtsdeurwaarders telefonisch medegedeeld niet akkoord te kunnen gaan met hun voorstel.

-           Bij e-mail van 2 juni 2025 heeft klager de zoon van de gerechtsdeurwaarders een factuur gestuurd.

-           Bij brief van 25 juni 2025 hebben de gerechtsdeurwaarders namens hun zoon bezwaar gemaakt tegen de factuur van klager en hun ongenoegen geuit over het handelen van klager.

-           Bij aanmaningsbrief van 2 juli 2025 heeft klager de zoon van de gerechtsdeurwaarders verzocht om alsnog tot betaling van het openstaande bedrag over te gaan.

-           Bij e-mail van 3 juli 2025 hebben de gerechtsdeurwaarders namens hun zoon aangegeven dat er niet tot betaling zal worden overgegaan.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er - naar wordt begrepen - samengevat over dat de gerechtsdeurwaarders hun positie als gerechtsdeurwaarders misbruiken door de factuur van klager te betwisten en klager zo te dwingen om voor de incasso van een laag bedrag een gerechtelijke procedure op te starten. Omdat de gerechtsdeurwaarders weten dat de kosten van een dergelijke procedure niet opwegen tegen de baten, is de bedoeling van de gerechtsdeurwaarders daarmee om onder de betalingsverplichting uit te komen. Om dit kracht bij te zetten hebben de gerechtsdeurwaarders gebruik gemaakt van kantoorenveloppen en zakelijke

e-mailadressen.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Weliswaar is aannemelijk dat de gerechtsdeurwaarders beoogd hebben om de belangen van hun zoon als ouders te behartigen, maar gelet op het geheel van alle omstandigheden hebben zij daarbij niet gehandeld zoals een gerechtsdeurwaarder betaamt.

5.3 De gerechtsdeurwaarders hebben geen gebruik gemaakt van briefpapier en enveloppen van het gerechtsdeurwaarderskantoor, maar hebben de envelop met de brief van 25 juni 2025 wel gefrankeerd met de frankeermachine van het kantoor. De brief is hiermee duidelijk herleidbaar tot het gerechtsdeurwaarderskantoor. Ook zijn e-mailberichten verzonden vanaf het kantoor e-mailadres van de gerechtsdeurwaarders. Verder hebben de gerechtsdeurwaarders, in hun e-mailbericht van 3 juli 2025, in reactie op de aanmaning van 2 juli 2025 aan de zoon van klagers, een dossiernummer vermeld. Ter zitting hebben de gerechtsdeurwaarders verklaard dat het voor hen gebruikelijk is om voor privézaken via hun zakelijke e-mailadressen te corresponderen en een dossier aan te leggen. Met deze werkwijze hebben de gerechtsdeurwaarders de grens tussen hen als privépersoon en als openbaar ambtenaar op ontoelaatbare wijze laten vervagen. De gerechtsdeurwaarders hadden zich moeten realiseren dat bij het behartigen van de belangen van hun kind, wat op zich niet tuchtrechtelijk laakbaar is, per definitie de kans bestond dat persoonlijke emoties of belangen hun integriteit en objectiviteit konden beïnvloeden. In een dergelijk geval mag van een gerechtsdeurwaarder een hoge mate van zelfreflectie worden verwacht om te voorkomen dat de wederpartij redelijkerwijs het gevoel krijgt onder druk te worden gezet door een gerechtsdeurwaarder, terwijl het een privékwestie betreft. Enige terughoudendheid is hier op zijn plaats en past bij de kernwaarden die de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders voor de gerechtsdeurwaarder heeft geïdentificeerd, te weten: integer, onafhankelijk en onpartijdig.   

5.4 Hierbij speelt mee dat de brieven van de gerechtsdeurwaarders redelijk intimiderend van aard zijn. De gerechtsdeurwaarders hebben onder meer meegedeeld dat zonder rechterlijke tussenkomst niet zou worden betaald, het opstarten van een incassotraject vexatoir en onnodig kostenverhogend is, en zij een tegenvordering in zouden stellen als klager zou besluiten tot dagvaarding (onder meer bestaande uit vergoeding van schade, terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen en een verzoek tot volledige kostenveroordeling).

5.5 Nu de gerechtsdeurwaarders bewust of onbewust de noodzakelijke terughoudendheid uit het oog zijn verloren en de schijn hebben gewekt hun ambtelijke gewicht ten eigen bate, althans ten bate van hun zoon te gebruiken, verklaart de kamer de klacht gegrond en wordt de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden geacht. Bij deze stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarders te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht gegrond is, dienen de gerechtsdeurwaarders wel aan klager het betaalde griffierecht te vergoeden.

5.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel van waarschuwing op;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarders aan klager het betaalde griffierecht

ad € 50,- vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.