ECLI:NL:TGDKG:2026:81 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/774993 / DW RK 25/323 KM/WdJ
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:81 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/774993 / DW RK 25/323 KM/WdJ |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich met name over het nasalaris. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 7 september 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 26 augustus 2025 met zaaknummer C/13/769891 DW RK 25/177 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/774993 / DW RK 25/323 KM/WdJ ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
gemachtigde: [ ],
tegen:
1. [ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
2. [ ],
kandidaat gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagden.
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 21 juli 2025, heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 26 augustus 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde dag aan klager toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op
2 september 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026 alwaar klager en gerechtsdeurwaarder sub 2 zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op
7 september 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- Bij exploot van 16 mei 2025 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2025 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
- Bij e-mail van 19 mei 2025 heeft klager de gerechtsdeurwaarders onder meer verzocht het dubbele nasalaris binnen een dag te verwijderen en een correct herstelexploot uiterlijk op 20 mei 2025 kosteloos aan klager te betekenen.
- Hierop heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 bij e-mail van 20 mei 2025 gereageerd.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
a: de gerechtsdeurwaarders nakosten blijven vorderen, ondanks dat klager bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte daarvan;
b: hij niet wil betalen aan de advocaat van de wederpartij, omdat sommige advocaten en gerechtsdeurwaarders de ontvangen gelden niet aan de opdrachtgevers hebben afgedragen. Klager heeft het vermoeden dat de optredende advocaat de gelden in eigen zak zal stoppen. Er is sprake van het witwassen van geld door de opdrachtgever die samen met de advocaat subsidiegelden andere bestemmingen heeft gegeven;
c: de gerechtsdeurwaarders laakbaar en in strijd met de Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit hebben gehandeld.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat het gerechtshof het nasalaris heeft toegewezen. Dat klager het niet eens is met de hoogte van dit nasalaris, mag zo zijn, gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de twee bedragen van het nasalaris te vorderen. Daarbij wordt tevens overwogen dat het gerechtshof de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt het volgende overwogen. Klager heeft geen concrete aanwijzingen voor zijn stellingen omtrent het afdragen van gelden. Evenmin heeft klager aangetoond noch is gebleken dat de beklaagde gerechtsdeurwaarders zich hieraan schuldig zouden maken.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c wordt het volgende overwogen. Op 1 februari 2023 is de Gerechtsdeurwaardersverordening in werking getreden, waardoor de Verordening Normen voor Kwaliteit niet meer van toepassing is. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarders zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de regels van de Gerechtsdeurwaardersverordening.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
6.1 In verzet heeft klager aangevoerd dat artikel 475 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet de onbegrensde bevoegdheid biedt voor executie. Indien een gerechtsdeurwaarder opzettelijk doorgaat met executie, ondanks dat hij van fouten in een vonnis op de hoogte is gesteld, is duidelijk sprake van misbruik van executiebevoegdheid en dus ernstig laakbaar handelen. In dit geval is sprake van kennelijk foute proceskosten die nooit hadden moeten worden toegewezen. Zolang het Hof deze bedragen niet heeft herzien of een andere beslissing heeft genomen, kunnen de bedragen van de proceskosten zoals genoemd in het arrest van 22 april 2025 niet worden gevorderd, aldus klager.
6.2 Ten aanzien van het nasalaris stelt klager zich op het standpunt dat indien een debiteur daartegen bezwaar maakt, de gerechtsdeurwaarder dit niet meer mag vorderen zonder een bevelschrift. Klager heeft bij e-mail van 19 mei 2025 uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het nasalaris. Verder betreft nasalaris kosten die zijn ontstaan na het arrest. Deze kosten zijn dus pas verschuldigd als een prestatie is geleverd voor deze kosten. De gerechtsdeurwaarders hebben niet onderbouwd op grond van welke prestatie zij het nasalaris vorderen.
6.3 Klager heeft verder aangevoerd dat het de keus van de debiteur is en blijft aan wie hij wenst te betalen. Hier is sprake van een schijnrechtszaak. Als klager zou willen betalen, zou dit zeker niet aan de oplichtende gerechtsdeurwaarders of de betreffende advocaat zijn, maar rechtstreeks aan de opdrachtgever. Het is het recht van klager om voorzichtig te zijn met betaling.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.
7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.K. Mireku, plaatsvervangend-voorzitter, mr. B. Brokkaar en R. Elshof, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.