ECLI:NL:TGDKG:2026:80 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/792024 / DW RK 26/383 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:80 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/792024 / DW RK 26/383 MK/SM |
| Onderwerp: | BFT |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek voorlopige schorsing ex art. 38 lid 1 Gdw. Verzoek afgewezen. De kamer komt tot een afwijzing van het verzoek. Hoewel het mogelijk is dat de uitleg van [ x ] uiteindelijk wordt gevolgd, is die uitleg niet zo evident – en is de uitleg van de gerechtsdeurwaarder niet zodanig zonder grond dat daarvan geabstraheerd moet worden – dat de gerechtsdeurwaarder zijn bewaarplicht (ook) anders moet berekenen zoals het BFT voorstaat. De verwijzing van het BFT naar de uitspraak van hof Amsterdam uit 2021 maakt dit ook niet anders. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet in het verzoek met nummer C/13/792024 / DW RK 26/383 MK/SM ingesteld door:
BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT (hierna: BFT),
gevestigd te Utrecht,
klaagster,
gemachtigde: mr. S. Bong,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin,
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij brief, ingekomen per e-mail op 4 augustus 2026, heeft het BFT verzocht om de schorsing ex artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) van de beklaagde (hierna: de gerechtsdeurwaarder). Bij e-mail van 10 augustus 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd op het verzoek. Op 12 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren voornoemde gemachtigde van het BFT, mr. J. Feikema en mr. H. van Engelen (beide toezichthouders), de gerechtsdeurwaarder, diens gemachtigde en de heer [ ] (financial controller) aanwezig. Zij hebben de standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en vragen van de kamer beantwoord. Bij e-mail van 18 augustus 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder een nader stuk toegezonden. De kamer ziet geen aanleiding om dit nagekomen stuk bij de procedure te betrekken nu de mondelinge behandeling al was afgesloten. De beslissing is bepaald op vandaag.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- De gerechtsdeurwaarder verricht incasso- en ambtelijke werkzaamheden voor onder meer [ x ] en [ y ] (beide rechtsopvolgers van stichting [ z ]) en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO).
- De werkzaamheden voor [ x ] en [ y ] berusten op een op 16 maart 2017 met [ z ] gesloten samenwerkingsovereenkomst en een allonge daarop van 3 november 2021. In artikel 3.13 van de overeenkomst is opgenomen dat kosten verrekend mogen worden met alle voor de opdrachtgever ontvangen gelden (ook wel aangeduid als saldering op eiserniveau). In artikel 6.22 van de overeenkomst, zoals gewijzigd met de allonge, is kort gezegd opgenomen dat geïncasseerde gelden worden afgedragen aan de opdrachtgever minus bepaalde kosten op dossierniveau.
- [ x ] heeft de relatie met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder opgezegd. Met [ x ] bestaat een geschil over de afwikkeling van die relatie. Daarbij gaat het onder meer over de uitleg van de samenwerkingsovereenkomst en hoe die zich verhoudt met de op gerechtsdeurwaarders van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Bij vonnis in kort geding van 28 mei 2026[1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat deze contractuele uitlegvraag nader onderzoek vergt en zich niet leent voor een kort geding. Uit het vonnis volgt wel dat in het kort geding tot uitgangspunt is genomen dat de overeengekomen dienstverlening ondergeschikt moet zijn aan de ambtelijke normen uit wet- en regelgeving.
- Het BFT is een onderzoek gestart bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarder.
- Bij brief van 20 juli 2026 heeft het BFT de gerechtsdeurwaarder verzocht te reageren op de door het BFT geschetste berekeningswijze van de bewaarplicht en nadere stukken te verstrekken (kwaliteitsoverzicht op dossierniveau, de berekening van de (extra) bewaarplicht derden, de kolommenbalans en een actuele berekening van de bewaringspositie).
- De gerechtsdeurwaarder heeft op 24 juli 2026 gereageerd en op 27 juli 2026 overzichten verstrekt van de bewaarpositie uitgaande van de situatie met saldering op dossierniveau (in plaats van op eiserniveau).
- Bij verzoek, ingekomen per e-mail op 4 augustus 2026, heeft het BFT de kamer verzocht de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 38 lid 1 Gdw te schorsen.
- Bij e-mail van 10 augustus 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder op het verzoek gereageerd.
2. De gronden van het schorsingsverzoek
2.1 Het BFT legt aan zijn verzoek, kort samengevat, het volgende ten grondslag.
2.2 Volgens het BFT is tijdens het onderzoek bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarder een ernstig vermoeden gerezen dat de gerechtsdeurwaarder een bewaringstekort heeft laten ontstaan en laat voortduren, in strijd met artikel 19 Gdw. Dit bewaringstekort wordt veroorzaakt omdat de gerechtsdeurwaarder zijn bewaarplicht gedurende een lange periode te laag heeft berekend door de contractuele afspraken met drie opdrachtgevers niet juist in de dossieradministratie te verwerken. Het gaat om de volgende opdrachtgevers.
- [ x ]:berekend op eiserniveau in plaats van op dossierniveau. Per 31 maart 2026 beliep de bewaarplicht op eiserniveau € 48.545,41 en op dossierniveau € 102.763,91; een verschil van € 54.218,49 wat ten onrechte niet in de bewaarplicht is betrokken. Het BFT wijst daarbij op de uitleg van [ x ] zoals die blijkt uit het kortgedingvonnis;
- [ y ]:hetzelfde contract als bij [ x ]; de bewaarplicht per 31 maart 2026 op eiserniveau berekend op € -31.078,48 tegenover € 318.813,80 op dossierniveau, zodat € 318.813,80 ten onrechte niet in de bewaarplicht is betrokken;
- LBIO:het LBIO zelf als eiser opgenomen in plaats van de individuele alimentatiegerechtigden,
waardoor over de dossiers ten onrechte werd gesaldeerd (op eiserniveau). Bewaarplicht
door de gerechtsdeurwaarder berekend op € 408,14 tegenover € 48.396,03 op dossierniveau,
zodat
€ 47.987,89 niet in de bewaarplicht is betrokken.
2.3 Per 31 maart 2026 is de omvang van het bewaringstekort € 380.755,26. (de opgegeven
bewaarpositie € 40.264,92 minus de hiervoor genoemde bedragen
€ 54.218,49, € 318.813,80 en 47.987,89) Volgens een herziene berekening van de gerechtsdeurwaarder
zou het op deze wijze berekende tekort per 30 juni 2026
€ 99.167,21 bedragen en per 22 juli 2026 € 210.968,93.
2.4 Bij de berekening van de bewaarplicht geldt als uitgangspunt volgens het BFT de meest ongunstige situatie voor de gerechtsdeurwaarder[2]. De basis van de berekening zijn de afspraken die met de opdrachtgever zijn gemaakt. In dit geval bestaat ten aanzien van [ x ] en [ y ] discussie over wat die afspraken zijn (afdracht na saldering op eiserniveau of op dossierniveau). Nu ook de voorzieningenrechter de uitleg zoals [ x ] die voorstaat (saldering op dossierniveau) niet heeft afgewezen moet volgens het BFT in het kader van de beschermingsgedachte van artikel 19 Gdw rekening worden gehouden met beide mogelijkheden. En dus ook met een bewaarplicht berekend op dossierniveau en dan is sprake van een bewaringstekort.
2.5 Dit betekent dat sprake is van een ernstig vermoeden dat de gerechtsdeurwaarder een bewaringstekort heeft laten ontstaan en laat voortduren in strijd met artikel 19 Gdw. Ter bescherming van de rechthebbenden op de derdengelden verzoekt het BFT schorsing op grond van artikel 38 lid 1 Gdw.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
3.1 De gerechtsdeurwaarder erkent dat hij de bewaarplicht bij LBIO ten onrechte niet op het juiste eiserniveau (de alimentatiegerechtigde) heeft berekend. Hij heeft dat inmiddels hersteld. De gerechtsdeurwaarder betwist verder dat sprake is van een bewaringstekort. Hij berekent de bewaarplicht bij [ x ] en [ y ] op eiserniveau met saldering over de portefeuille van de opdrachtgever. Dit op grond van artikel 3.13 van de samenwerkingsovereenkomst. Berekend op deze wijze is de bewaringspositie positief. De gerechtsdeurwaarder voert aan dat het klopt dat de uitleg van de overeenkomst met [ x ] onderwerp is van een discussie met [ x ], maar dit betekent niet dat de door hem gevolgde uitleg voor het berekenen van de bewaarplicht verkeerd is. In het kort geding is de uitleg van [ x ] niet gevolgd en het onderzoek van het BFT is nog niet afgerond. Bovendien is de relatie met [ x ] opgezegd dus dan mag er sowieso op basis van artikel 3.13 van de samenwerkingsovereenkomst verrekend worden op eiserniveau. De gerechtsdeurwaarder voert daarbij aan dat hij de bewaarplicht volgens de regels berekent wat de fictie inhoudt dat alle dossiers op initiatief van de gerechtsdeurwaarder worden gesloten, waardoor een lagere vergoeding geldt en de bewaarplicht dus hoger is. De gerechtsdeurwaarder voert verder aan dat de door het BFT genoemde uitspraak van hof Amsterdam uit 2021 niet meebrengt dat bij ieder geschil over de uitleg van een overeenkomst de voor hem meest ongunstige uitleg moet worden gevolgd. Die uitspraak zag volgens hem op de bijzondere situatie dat toepassing van de BLOS-fictie van opzegging juist leidde tot een lagere bewaarplicht dan gedurende de looptijd van de overeenkomst. Een schorsing is volgens de gerechtsdeurwaarder bovendien een veel te ingrijpend en onomkeerbaar middel. De gerechtsdeurwaarder oppert een minder ingrijpend alternatief – een stille bewindvoerder – en heeft gewezen op lopende mogelijkheden die hij onderneemt om een eventueel tekort – als de interpretatie van het BFT juist blijkt te zijn – aan te zuiveren. Tenslotte voert de gerechtsdeurwaarder aan dat er sprake is van een positieve exploitatie.
4. De beoordeling van het verzoek
het toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 38 lid 1 Gdw kan de kamer een gerechtsdeurwaarder tegen wie een ernstig vermoeden is gerezen dat hij een van de in artikel 34 lid 1 Gdw bedoelde handelingen of verzuimen heeft gepleegd in afwachting van een beslissing daarover met onmiddellijke ingang schorsen voor ten hoogste zes maanden. Zij kan deze periode eenmaal verlengen voor ten hoogste zes maanden of totdat een beslissing tot voordracht tot ontslag onherroepelijk is geworden. Het is een autonome bevoegdheid van de kamer en een ingrijpende spoedmaatregel. Volgens de wetsgeschiedenis kan het, ingeval ernstige bezwaren tegen een gerechtsdeurwaarder zijn gerezen, aangewezen zijn hem met onmiddellijke ingang te schorsen teneinde het aanzien van het ambt te beschermen. Omdat de maatregel zo ingrijpend is, is niet iedere twijfel voldoende. Vereist is een ernstig vermoeden dat de schorsing rechtvaardigt, waarbij de kamer een discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet te schorsen. Bij een gesteld bewaringstekort weegt ook de bescherming van rechthebbenden op de derdengelden zwaar mee.
bewaarplicht, bewaringspositie en afdracht
4.2 De kern van het verzoek is gebaseerd op het ernstige vermoeden dat de gerechtsdeurwaarder een bewaringstekort heeft laten ontstaan en laat voortduren. Om te kunnen beoordelen of dat zo is houdt de kamer drie begrippen uit elkaar die nadrukkelijk niet samenvallen.
4.3 De bewaarplicht ziet op het bedrag dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 19 Gdw te allen tijde op zijn kwaliteitsrekening beschikbaar moet hebben voor de rechthebbenden. De bewaringspositie is het saldo van de kwaliteitsrekening minus die bewaarplicht; die positie mag niet negatief zijn en wordt op kantoorniveau bepaald (op basis van de totale bewaarplicht voor alle opdrachtgevers gezamenlijk). De afdracht, ten slotte, is de feitelijke uitbetaling aan de opdrachtgever of andere rechthebbende.
4.4 De bewaarplicht wordt berekend volgens de door de beroepsgroep vastgestelde methodiek[3], die uitgaat van de fictie dat alle dossiers op enig moment (ad hoc) worden gesloten op initiatief van de gerechtsdeurwaarder. Leidend zijn daarbij de contractuele afspraken met de opdrachtgever. Die afspraken bepalen onder meer of bij die veronderstelde afwikkeling de kosten en ontvangsten over de verschillende dossiers van één eiser (vaak ook de opdrachtgever) met elkaar verrekend mogen worden (saldering op eiserniveau) of dat elk dossier op zichzelf staat (saldering op dossierniveau). Beide afspraken zijn in de regelgeving toegelaten.
toepassing op dit verzoek
4.5 De kamer stelt vast dat het door het BFT gestelde bewaringstekort ten aanzien van het LBIO niet meer aan de orde is. De gerechtsdeurwaarder heeft de administratie van die dossiers per 30 juni 2026 aangepast door de individuele alimentatiegerechtigden als eisers op te nemen, zodat over die dossiers niet langer verkeerd wordt gesaldeerd. Het BFT heeft dat ter zitting bevestigd. Deze post blijft bij de beoordeling buiten beschouwing. Dat de gerechtsdeurwaarder dit in het verleden niet goed gedaan heeft, is onvoldoende reden voor een schorsing met onmiddellijke ingang.
4.6 De kamer stelt verder vast dat het BFT en de gerechtsdeurwaarder het erover eens zijn dat de contractuele afspraken bepalend zijn voor de bewaarplicht ten aanzien van een opdrachtgever. Zij zijn het er ook over eens dat tussen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en [ x ] (en [ y ]) in dit geval discussie bestaat over hoe de contractuele afspraken uitgelegd moeten worden. Omdat daar onzekerheid over bestaat stelt het BFT zich op het standpunt dat de gerechtsdeurwaarder ook met de door de opdrachtgever bepleite uitleg rekening moet houden, in die zin dat de bewaarplicht ook op basis van die uitleg berekend moet worden. Dat is in dit geval een berekening op dossierniveau wat leidt tot een aanzienlijk hogere bewaarplicht dan bij een berekening op eiserniveau. Het BFT verwijst daarbij naar het feit dat de gerechtsdeurwaarder jarenlang feitelijk heeft afgedragen op dossierniveau, in lijn met wat in artikel 6.22 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald en dat de voorzieningenrechter in het kort geding niet heeft geoordeeld dat deze door de opdrachtgever bepleite uitleg onjuist is.
4.7 Welke uitleg juist is (in de zin van geldend tussen partijen), staat niet vast. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de uitlegvraag zich niet leent voor een kort geding en nader onderzoek vergt. Wel heeft de voorzieningenrechter in het kort geding tot uitgangspunt genomen dat de overeengekomen dienstverlening ondergeschikt moet zijn aan de ambtelijke normen uit de wet- en regelgeving. Daaruit kan worden afgeleid dat een uitleg die leidt tot de schending van een ambtelijke norm niet direct voor de hand ligt. Als hier al een aanwijzing uit te halen is wat de meest voor de hand liggende uitleg is, dan pleit dat eerder voor de uitleg die de gerechtsdeurwaarder voorstaat (saldering op eiserniveau) dan de uitleg die de opdrachtgever voorstaat (saldering op dossierniveau). Welke uitleg uiteindelijk geldt is niet vast te stellen in deze schorsingsprocedure, net zomin als in de kortgedingprocedure. Wel volgt hieruit dat beide standpunten goed verdedigbaar zijn.
4.8 Van omstandigheden die los van het vorenstaande aanleiding geven een schorsing te gelasten is niet gebleken. Er zijn geen onttrekkingen aan de kwaliteitsrekening, onjuiste of geflatteerde opgaven of verhulling gesteld of gebleken. Daarin onderscheidt deze zaak zich van gevallen waarin een schorsing met onmiddellijke ingang wegens een bewaringstekort op haar plaats werd geacht[4].
4.9 De kamer komt bij deze stand van zaken tot een afwijzing van het verzoek. Hoewel
het mogelijk is dat de uitleg van [ x ] uiteindelijk wordt gevolgd, is die uitleg
niet zo evident – en is de uitleg van de gerechtsdeurwaarder niet zodanig zonder grond
dat daarvan geabstraheerd moet worden – dat de gerechtsdeurwaarder zijn bewaarplicht
(ook) anders moet berekenen zoals het BFT voorstaat. De verwijzing van het BFT naar
de uitspraak van hof Amsterdam uit 2021 maakt dit ook niet anders. In die uitspraak
is weliswaar overwogen dat bij de berekening van de bewaarplicht moet worden uitgegaan
van de voor de gerechtsdeurwaarder meest ongunstige situatie, maar daar deed zich
een specifiek geval voor waarin toepassing van de BLOS-fictie van opzegging tot een
lagere bewaarplicht leidde dan gedurende de looptijd van de overeenkomst. Bij de afwijzing
van het verzoek in dit geval weegt de kamer ook mee dat een schorsing een uiterst
ingrijpende maatregel is met in de praktijk vaak moeilijk omkeerbare gevolgen: het
ontneemt de gerechtsdeurwaarder het beheer van de kwaliteitsrekening en de bevoegdheid
ambtelijke werkzaamheden te verrichten zorgt voor benoeming van een waarnemer en treft
niet alleen de gerechtsdeurwaarder – in dit geval de enige aan het kantoor verbonden
gerechtsdeurwaarder – maar ook de medewerkers van het kantoor. Een dergelijke maatregel
verdraagt zich niet met de situatie dat nog niet vaststaat of er een bewaringstekort
bestaat wat mede afhangt van de uitkomst van een lopende discussie met een opdrachtgever.
Voor zover het BFT vreest voor de beschikbaarheid van de derdengelden ligt een minder
ingrijpend middel meer in de rede. Nu de gerechtsdeurwaarder de suggestie van een
stille bewindvoerder heeft gedaan – wat niet past bij de situatie die hier speelt
– is goed denkbaar dat gerechtsdeurwaarder en het BFT in overleg treden hoe op andere
wijze de op zichzelf terechte zorg dat belangen van derden in geding zijn geadresseerd
kan worden.
4.10 De kamer overweegt ten overvloede dat deze afwijzing het BFT niet belet zijn onderzoek voort te zetten en dat, als blijkt dat nieuwe of gewijzigde omstandigheden een ernstig vermoeden opleveren dat de gerechtsdeurwaarder een van de in artikel 34 lid 1 Gdw bedoelde handelingen of verzuimen heeft gepleegd, het BFT een nieuw verzoek kan indienen.
BESLISSING
De kamer voor gerechtsdeurwaarders:
- wijst het verzoek tot schorsing, als bedoeld in artikel 38 lid 1 Gdw, af.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1]Rb. Rotterdam (vzr.) 28 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6849
[2] Het BFT verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHAMS:2021:2753
[3]Zie de door de KBvG vastgestelde Verslagstaten (BLOS) en de Bestuursregel Verslagstaten; de bewaarplicht wordt op dossier- of op eiserniveau gespecificeerd
[4]Vgl. ECLI:NL:TGDKG:2014:113 en ECLI:NL:TGDKG:2016:151 waarin het bewaringstekort vaststond en gepaard ging met respectievelijk onttrekkingen en onjuiste opgaven.