ECLI:NL:TGDKG:2026:78 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/778945 / DW RK 24/485 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:78
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): C/13/778945 / DW RK 24/485 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er – onder meer – over dat er beslag is gelegd op zijn voertuigen met als gevolg dat hij deze niet meer kan verkopen en/of gebruiken. De voorzitter heeft de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 4 november 2025 met zaaknummer 13/773386 DW RK 25/266 HE/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/778945 / DW RK 24/485 MK/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

gemachtigde: [   ],

tegen:

1. [   ],

2. mr. [   ],

3. [   ],

gerechtsdeurwaarders te Amsterdam,

beklaagden,

gemachtigde: [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

1.1 Bij klachtenformulier met bijlage, ingekomen op 24 juli 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 23 september 2025, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 4 november 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 18 november 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.2 Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 in de aanwezigheid van gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder. Klager is niet verschenen. Nadat de kamer bericht heeft ontvangen dat gemachtigde van klager vanwege een ongeval onderweg niet ter zitting aanwezig kon zijn, is klager in de gelegenheid gesteld zijn verzet schriftelijk aan te vullen. De gerechtsdeurwaarder op zijn beurt is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op die aanvulling te reageren. Bij e-mails van respectievelijk 8 juli en 15 juli 2026 hebben klager en de gerechtsdeurwaarder de aan hen verzochte reacties ingediend. De uitspraak is bepaald op 26 augustus 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 10 augustus 2022 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
  • Bij brief van 12 augustus 2022 hebben de gerechtsdeurwaarders klager verzocht tot betaling van de openstaande vordering ad € 2.671,08 over te gaan.
  • Op 24 augustus 2022 heeft klager een bedrag van € 797,75 rechtstreeks aan de schuldeiser betaald.
  • Bij exploot van 7 september 2022 is het vonnis van 10 augustus 2022 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
  • Bij brief van 16 september 2022 heeft de opdrachtgever een aanmaning aan klager verzonden waarbij de ontvangst van de betaling van klager is bevestigd en een negatief bedrag onder de eindstreep staat.
  • Bij e-mail van 25 mei 2023 is aan klager een toelichting met betrekking tot de vordering gegeven alsmede een specificatie met het verzoek de openstaande vordering te voldoen.
  • Bij e-mail van 27 juni 2023 is de gemachtigde van klager verwezen naar de aan klager verstuurde e-mail van 25 mei 2024.
  • Hierop heeft de gemachtigde van klager bij e-mail van 14 juli 2023 gereageerd en aangegeven dat klager niets meer verschuldigd is.

4. De oorspronkelijke klacht
Klager voerde als klachtonderdelen aan dat:

  1. de gerechtsdeurwaarders verschillende onduidelijk bedragen eisen, terwijl klager al een afrekening heeft ontvangen waaruit blijkt dat alles is verrekend en klager zelfs teveel heeft betaald;
  2. hij geen antwoord krijgt op de vraag of het gerechtsdeurwaarderskantoor gemachtigd is door de opdrachtgever;
  3. de gerechtsdeurwaarders hem blijven bestoken met aanmaningen en telefoontjes, ondanks dat klager heeft aangegeven een gemachtigde te hebben;
  4. er beslag is gelegd op zijn voertuigen met als gevolg dat hij deze niet meer kan verkopen en/of gebruiken, maar hij deze wel verzekerd moet houden en de waarde van de voertuigen verminderd zijn;
  5. hij juridische kosten heeft moeten maken als gevolg van het handelen van de gerechtsdeurwaarders.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. Uit de klacht alsmede de overgelegde producties kan niet worden opgemaakt tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht is ingediend dan wel welke gerechtsdeurwaarder de beklaagde handelingen heeft verricht. Daarom worden alle aan het kantoor waartegen de klacht is gericht werkzame gerechtsdeurwaarders als beklaagden aangemerkt. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter allereerst dat de gerechtsdeurwaarders niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de door de opdrachtgever verzonden brief van 16 september 2022, waaruit klager de conclusie heeft getrokken dat de vordering in zijn geheel is voldaan. De gerechtsdeurwaarders hebben zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de brief van 16 september 2022 niet correct is en niet door de opdrachtgever verzonden had moeten worden. Klager had gelet op het vonnis van 10 augustus 2022 en de brief van de gerechtsdeurwaarders van 12 augustus 2022 ook kunnen weten dat hij met de betaling van € 797,75 niet de volledige vordering had voldaan. Ten aanzien van de stelling van klager dat de gerechtsdeurwaarders verschillende onduidelijke bedragen eisen overweegt de voorzitter dat de bedragen in de specificaties conform het vonnis van 10 augustus 2022 zijn, verhoogd met executiekosten. De bedragen staan duidelijk toegelicht in de specificaties. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarders op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat deze niet nader onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders vast te stellen. Dit klachtonderdeel wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat er steeds is gecommuniceerd met de in de aanhef van deze beslissing genoemde gemachtigde van klager. Voor zover de gemachtigde van klager stelt dat hij een raadsman heeft ingeschakeld om de zaken van klager te behartigen, is dit niet aangetoond. In het verweerschrift hebben de gerechtsdeurwaarders aangegeven dat het kantoor geen bericht heeft ontvangen van een raadsman van (de gemachtigde van) klager. Er kan de gerechtsdeurwaarders dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat de correspondentie nog steeds verloopt via de in de aanhef van deze beslissing genoemde gemachtigde van klager.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdelen d en e overweegt de voorzitter dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarders hebben dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag op voertuigen van klager te leggen, nu volledige betaling van de vordering ondanks meerdere verzoeken hiertoe is uitgebleven. Indien klager het met executiemaatregelen niet eens is dient hij een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager (met zijn schriftelijke reactie van 8 juli 2026 ) aangevoerd dat hetgeen door hem reeds naar voren is gebracht als herhaald en ingebracht dient te worden te beschouwd. Voorts heeft klager (samengevat) aangevoerd dat:

  1. klager diverse keren heeft verzocht het beslag op te heffen;
  2. klager voorgesteld heeft om zekerheid te stellen voor het bestreden bedrag;
  3. het bedrag van meer dan € 1.500 nooit is gecorrigeerd, ondanks dat er vermoedelijk iets was misgegaan met de renteberekening;
  4. klager de brief van 12 augustus 2022 niet heeft ontvangen;
  5. niet is gebleken van een opdracht van [schuldeiser] B.V., ondanks vragen daartoe van klager.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn, in verzet aangevoerde, klachten als vermeld onder a. t/m d.

7.2 Ten aanzien van het in verzet onder e. aangevoerde (wat ziet op klachtonderdeel b) heeft de gerechtsdeurwaarder met zijn e-mail van 25 mei 2023 in voldoende mate zijn positie tot klager helder gemaakt. De kamer volgt de gerechtsdeurwaarder in zijn verweer dat verdere correspondentie met zijn opdrachtgever niet ter beschikking gesteld hoeft te worden aan een derde. 

7.3 Voor het overige overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klager ter zitting aangevoerde maakt dit niet anders.

7.4 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.1 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.