ECLI:NL:TGDKG:2026:77 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/778620 / DW RK 25/464 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:77
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): C/13/778620 / DW RK 25/464 MK/SM
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat zij verkeerde informatie ontvangen over te ontvangen gelden. De voorzitter heeft de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt, ook al onderkend de kamer dat de berichtgeving van de gerechtsdeurwaarder op een (door de gerechtsdeurwaarder erkende) fout berustte. Daartoe overweegt de kamer dat niet elke vergissing of fout van een gerechtsdeurwaarder leidt tot een tuchtrechtelijk laakbaar verwijt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens; het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 21 oktober 2025 met zaaknummer C/13/770066 DW RK 25/178 EdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/778620 / DW RK 25/464 MK/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klaagster,

tegen:

[   ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: mr. A.Z.Y.Z. Kariman.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 27 mei 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 17 september 2025, heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 21 oktober 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij brief, ingekomen op 5 februari 2026, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 alwaar klaagster, de gerechtsdeurwaarder, diens gemachtigde en mw. [   ] en zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 26 augustus 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          Bij e-mail van 10 juni 2024 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven om achterstallige alimentatie te innen bij haar ex-partner.

-          Vervolgens zijn in overleg met klaagster meerdere executiemaatregelen getroffen ten laste van de ex-partner van klaagster.

-          Op 25 november 2024 heeft klaagster telefonisch contact gehad met een medewerkster van het gerechtsdeurwaarderskantoor.

-          Bij e-mail van 25 november 2024 is een overzicht van de vordering aan klaagster verstrekt en is om haar rekeningnummer verzocht voor het geval er tussentijds al iets afgedragen kan worden.

-          Nadat klaagster op 5 december 2024 opnieuw telefonisch contact met het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft opgenomen, is aan klaagster bij e-mail van 5 december 2024 medegedeeld dat de gemaakte kosten toch niet volledig zijn gedekt en er geen afdrachten kunnen plaatsvinden.

-          Hierop heeft klaagster bij e-mails van 5 en 11 december 2024 verzocht om een overzicht van alle kosten die het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft gemaakt en heeft zij de samenwerking per direct beëindigd.

-          Bij separate e-mail van 5 december 2024 heeft klaagster een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend.

-          Op 16 december 2024 is aan klaagster een eindnota verzonden met het verzoek het verschuldigde bedrag ad € 579,76 binnen veertien dagen over te maken.

-          Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft klaagster zich nogmaals beklaagd en heeft zij het gerechtsdeurwaarderskantoor aansprakelijk gesteld voor geleden schade.

-          Hierop is bij e-mail van 9 januari 2025 gereageerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster klaagt samengevat over het volgende.

  1. zij heeft verkeerde informatie ontvangen. Op 25 november 2024 heeft klaagster te horen gekregen dat alle gerechtsdeurwaarderskosten verrekend waren en dat zij op 3 december 2024 een bedrag van € 550 zou ontvangen. Nadat het bedrag op de opgegeven datum niet gestort was en klaagster opnieuw contact met het gerechtsdeurwaarderskantoor had opgenomen, kreeg klaagster te horen dat zij het bedrag zo spoedig mogelijk zou ontvangen. Enkele minuten later ontving klaagster echter een e-mail met de mededeling dat toch niet alle gerechtsdeurwaarderskosten waren berekend en er geen geld meer over was voor klaagster;
  2. de gerechtsdeurwaarder heeft een bedrag van € 1.095 geïncasseerd en klaagster heeft niets ontvangen;
  3. zij is nooit gewezen  op haar recht op toevoeging voor rechtsbijstand, terwijl bekend was dat klaagster het financieel zwaar had;
  4. zij heeft na de beëindiging van de samenwerking een factuur gekregen met het verzoek om het verschuldigde voor 24 december 2024 te betalen, met daarbij een dreiging dat er beslag zo worden gelegd als klaagster niet tot betaling zou overgaan.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer is bovengenoemde gerechtsdeurwaarder opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt in het verweerschrift ontkend dat er op 25 november 2024 telefonisch is toegezegd dat er een bedrag aan klaagster zal worden betaald. Wel is aan klaagster medegedeeld dat er bedragen zijn ontvangen en dat bij de boekhouder zal worden nagegaan wat er kan worden afgedragen aan klaagster. Klaagster heeft haar stelling dat er is toegezegd dat er uiterlijk 3 december 2024 een bedrag van € 500 aan haar zal worden betaald niet met stukken onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld wie het gelijk hier aan zijn zijde heeft. Hoewel het gelet op de inhoud van de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 25 november 2024, waarin klaagster wordt verzocht om een rekeningnummer waar een tussentijdse afwikkeling op gestort kan worden, begrijpelijk is dat klaagster verwachtte een tussentijdse afwikkeling te zullen ontvangen, is van een daadwerkelijke toezegging van een tussentijdse afdracht niet gebleken. Ook uit de gemaakte excuses van de medewerkster van het gerechtsdeurwaarderskantoor in de e-mail van 5 december 2024 waarin wordt aangegeven dat de medewerkster van de boekhouder heeft vernomen dat de gemaakte kosten niet volledig gedekt zijn en er geen afdrachten kunnen worden verricht, blijkt niet dat eerder is toegezegd dat er een bedrag van € 500 aan klaagster zal worden betaald. Nu tuchtrechtelijk laakbaar handelen niet kan worden vastgesteld, wordt dit klachtonderdeel als kennelijk ongegrond afgewezen.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat de door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten berusten op de door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders (Btag) neergelegde tarieven. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder andere of hogere kosten in rekening heeft gebracht. Nu klaagster de opdracht heeft ingetrokken kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt door de gemaakte kosten bij klaagster in rekening te brengen. De gerechtsdeurwaarder verwijst hiervoor naar artikel 7.3 van de Algemene Voorwaarden.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat op een gerechtsdeurwaarder geen verplichting rust om een schuldeiser te wijzen op de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een toevoeging. De enkele mededeling van klaagster dat zij het financieel zwaar heeft is hiervoor ook geen reden.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder klaagster weliswaar op 16 december 2024 een eindnota heeft gestuurd met het verzoek deze binnen veertien dagen te voldoen, maar dat nergens uit blijkt dat daarbij is gedreigd met beslaglegging indien klaagster de nota niet voldoet. Met het versturen van de eindnota, nadat het dossier op verzoek van klaagster is gesloten, heeft de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.

4.6 Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding dient klaagster zich tot de civiele rechter te wenden. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster, herhaald, aangevoerd dat haar een telefonische toezegging is gedaan van een betaling van €550, om vervolgens enkele dagen later excuses te ontvangen en de mededeling dat er toch geen geld naar klaagster overgemaakt kon worden. Deze fout wordt zowel schriftelijk als mondeling erkend door de (medewerkster van de) gerechtsdeurwaarder. Deze fout heeft ernstige gevolgen voor het welzijn van klaagster (gehad) en schaadt de belangen van het kind van klaagster.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klaagster ter zitting aangevoerde, namelijk dat de medewerker van de gerechtsdeurwaarder zowel schriftelijk als mondeling heeft erkend dat er een vergissing is gemaakt, maken dit niet anders. Niet elke vergissing of fout van een gerechtsdeurwaarder leidt tot een tuchtrechtelijk laakbaar verwijt. Dit kan anders zijn als de vergissing of fout het gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hoewel het evident is dat deze onjuiste toezegging van de gerechtsdeurwaarder achterwege had kunnen en moeten blijven – en vaststaat dat bij klaagster door die fout gedurende een korte periode de verwachting heeft bestaan dat zij geld uitgekeerd zou krijgen – is dit onvoldoende om tuchtrechtelijk laakbaar handelen vast te stellen.

7.2 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.