ECLI:NL:TGDKG:2026:76 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/778121 / DW RK 25/443 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:76
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): C/13/778121 / DW RK 25/443 MK/SM
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich er – onder meer – over dat de gerechtsdeurwaarder zich niet onafhankelijk en onpartijdig heeft opgesteld. De voorzitter heeft de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klaagster ter zitting aangevoerde maken dit niet anders. Het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 21 oktober 2025 met zaaknummer C/13/772911 DW RK 25/255 EdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/778121 / DW RK 25/443 MK/SM ingesteld door:

[   ]., vertegenwoordigd door haar bestuurder [   ],

gevestigd te [   ],

klaagster,

tegen:

mr. [   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 22 juli 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 september 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 21 oktober 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij brief, ingekomen op 1 november 2025, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De gerechtsdeurwaarder heeft op 24 maart 2026 een verweerschrift na verzet ingediend. Het verzet is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 alwaar [   ] en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 26 augustus 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          De gerechtsdeurwaarder is belast met een vordering van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op klaagster.

-          Bij vonnis van de kantonrechter te Breda van 9 oktober 2024 is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

-          Bij e-mail van 23 oktober 2024 is de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat klaagster in hoger beroep gaat tegen de uitspraak van de kantonrechter.

-          Op 5 november 2024 is klaagster verzocht tot betaling van de openstaande vordering over te gaan.

-          Hierop heeft de vertegenwoordiger van klaagster bij e-mail van 5 november 2024 gereageerd en verzocht het hoger beroep af te wachten.

-          Bij exploot van 21 november 2024 is het vonnis van 9 oktober 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-          Bij e-mail van 25 november 2024 is namens klaagster bezwaar gemaakt tegen de betekening en het bevel tot betaling.

-          Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van diezelfde datum gereageerd.

-          In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof te Den Bosch op 8 mei 2025 zijn gemaakte afspraken tussen klaagster en RVO vastgelegd.

-          Bij e-mail van 20 mei 2025 is namens klaagster bij de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat zij niet akkoord is met de afspraken die tijdens de zitting van 8 mei 2025 bij het Gerechtshof te Den Bosch zijn gemaakt. 

-          Op 27 juni 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder een betaallink aan klaagster verstuurd betreffende de met klaagster tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof te Den Bosch overeengekomen betalingsregeling.

-          Hierop heeft de vertegenwoordiger van klaagster bij e-mail van 30 juni 2025 ontkent dat er een betalingsregeling is overeengekomen.

-          Bij brief van 3 juli 2025 is namens klaagster een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend.

-          Bij brief van 9 juli 2025 is op de klacht gereageerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

  1. zich niet heeft gedragen als een onafhankelijk gerechtsdeurwaarder en zich niet onpartijdig heeft opgesteld. De gerechtsdeurwaarder heeft alleen de belangen van RVO behartigd en legt bewust de door klaagster verstrekte cruciale informatie terzijde met als gevolg dat RVO klaagster forse schade heeft toegebracht;
  2. niet met de vertegenwoordiger van klaagster heeft gecommuniceerd over de door hem ingediende klacht en de gerechtsdeurwaarder de schijn wekt dat de klacht van de vertegenwoordiger van klaagster niet is behandeld.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet (Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de voorzitter voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Er is dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titels van 9 oktober 2024 en 8 mei 2025 te executeren. Dat de vertegenwoordiger van klaagster het achteraf niet eens is met de gemaakte betaalafspraken bij het gerechtshof te Den Bosch op 8 mei 2025 en hierop wil terugkomen kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten. Hiervoor zal klaagster een andere procedure moeten volgen. Ook kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder in beide procedures is opgetreden als gemachtigde van RVO. Dit is immers een toegestane nevenwerkzaamheid als bedoeld in artikel 20, lid 3 en onder a, Gdw.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder bij brief van 9 juli 2025 op de klacht van de vertegenwoordiger van klaagster heeft gereageerd. Dat de vertegenwoordiger van klaagster hierbij niet is uitgenodigd voor een gesprek en niet het door hem gewenste antwoord heeft gekregen maakt niet dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster – samengevat – aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder:

  1. niet alle informatie heeft opgevraagd bij het aannemen van de opdracht van RVO;
  2. de informatie van klaagster niet heeft opgenomen als informatie om te controleren;
  3. bewust heeft ingezet op een civiele procedure;
  4. tijdens de behandeling bij het gerechtshof vooral als advocaat heeft geopereerd;
  5. de klacht over hem zelf heeft behandeld en niet heeft overgelaten aan de directie van GGN.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klaagster nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klaagster kan niet worden ontvangen in haar klachten als vermeld onder c, d en e.

7.2 Voor het overige overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klaagster ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.

7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.