ECLI:NL:TGDKG:2026:75 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/755964 / DW RK 24/313 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:75
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): C/13/755964 / DW RK 24/313 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder beslag op de auto van klager heeft gelegd zonder rechterlijke uitspraak. De voorzitter heeft de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt; het verzet dan ook ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 13 augustus 2024 met zaaknummer C/13/751938 DW RK 24/224 EdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/755964 / DW RK 24/313 MK/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

[   ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlage, ingekomen op 9 juni 2024, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 27 juni 2024, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 13 augustus 2024 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van 15 augustus 2024 aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 27 augustus 2024, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 waar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De uitspraak is bepaald op 26 augustus 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          Op 21 november 2023 heeft Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees een dwangbevel ten laste van klager uitgevaardigd.

-          Bij exploot van 24 november 2023 is het dwangbevel van 21 november 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-          Op 31 mei 2024 is executoriaal beslag gelegd op de auto van klager, te weten een Peugeot 3008.

-          Bij exploot van 4 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klager betekend.

-          Bij e-mail van 4 juni 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht om het gerechtelijke besluit waaruit blijkt dat klager een schuld heeft.

-          Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 11 juni 2024 gereageerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder beslag op de auto van klager heeft gelegd zonder rechterlijke uitspraak. Er is geen bepaalde akte of contract waaruit blijkt dat klager een schuld heeft bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts deur waar ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts deur waar der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van het ten laste van klager uitgevaardigde dwangbevel van

21 november 2023. Een dwangbevel levert een executoriale titel op. Een gerechtsdeurwaarder is op grond van artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet in beginsel verplicht om ambtshandelingen, waartoe hij bevoegd is, te verrichten indien hierom wordt verzocht. Op het moment dat een gerechtsdeurwaarder een opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt en geen sprake is van uitsluiting van bevoegdheid, ontstaat daarmee automatisch de verplichting tot het verrichten van die ambtshandeling. De gerechtsdeurwaarder heeft dat ook niet tuchtrechtelijk laakbaar door beslag op de auto van klager te leggen. Indien klager het met de tenuitvoerlegging van de titel niet eens is dient hij een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geƫigende weg.

4.3 Nu geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen is gebleken, wordt op grond van het voorgaande beslist als volgt.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat:

  1. er geen rechterlijke uitspraak ten grondslag zou liggen aan het handelen van de gerechtsdeurwaarder;
  2. hij geen dagvaarding heeft ontvangen;
  3. de gerechtsdeurwaarder niet heeft gecontroleerd of er sprake is van een schuld;
  4. de gerechtsdeurwaarder het beslag op de auto niet wil opheffen, aangezien er geen sprake is van een schuld;
  5. de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op de mail van 21 december 2023 waarin klager heeft verzocht de bankkosten terug te geven en te stoppen met het sturen van waarschuwingsbrieven;
  6. de gerechtsdeurwaarder geen ontvangstbevestiging heeft gestuurd op de klacht van klager en niet wil communiceren met klager;
  7. de gerechtsdeurwaarder niet de juiste juridische stappen volgt;
  8. de gerechtsdeurwaarder geen enkel bewijs toont van de zogenaamde werknemers van klager waar het geld naartoe zou gaan.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klachten als vermeld onder b. tot en met h.

7.2 Voor het overige overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt.

7.3 Ten overvloede merkt de kamer op dat de gerechtsdeurwaarder ter zitting heeft aangegeven dat indien klager de gegrondheid van de vordering jegens de schuldeiser wil aanvechten, omdat hij geen werknemers zou hebben, de klager het dwangbevel moet aanvechten dan wel een formulier moet invullen met gegevens waaruit (voor de schuldeiser) blijkt dat (het voortzetten van) de executie niet gegrond is. De gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven dat er in dat verband veel pogingen zijn geweest tot contact met klager hierover, maar dat klager tot op heden niet het formulier met gegevens heeft ingevuld. De kamer geeft klager in overweging alsnog met de gerechtsdeurwaarder contact op te nemen en hem te voorzien van deze informatie.

7.4 De kamer heeft ambtshalve kennis genomen van de eerdere uitspraak op verzet van 4 oktober 2024[1] waarin de grondslag van de klachten van klager berusten op executie handelingen die voortvloeien uit dezelfde titel die ten grondslag ligt aan de onderhavige klacht. De kamer ziet hierin aanleiding om op te merken dat als klager opnieuw een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder(s) indient met betrekking tot de punten die reeds aan de orde zijn gekomen in de onderhavige klacht, alsmede in de eerdere klacht, hij er rekening mee moet houden dat de klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

7.5 Nu de kamer het eens is met de beslissing van de voorzitter dient het verzet dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.6 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

[1] ECLI:NL:TGDKG:2024:106