ECLI:NL:TGDKG:2026:74 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/782939 / DW RK 26/74 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:74
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): C/13/782939 / DW RK 26/74 MK/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich er – onder meer – over dat de gerechtsdeurwaarder heeft verzuimd de (door haar overgenomen) executie voort te zetten. De voorzitter heeft de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen. Het verzet is gegrond voor zover het is gericht tegen de ontoereikende motivering van de voorzitter, maar de klacht is bij deze nadere beoordeling nog steeds ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 13 januari 2026 met zaaknummer C/13/773294 DW RK 25/260 RH/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/782939 / DW RK 26/74 MK/SM ingesteld door:

[   ] V.O.F., vertegenwoordigd door haar vennoten [   ] en [   ],

gevestigd te [   ],

klaagster,

tegen:

[   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 13 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 13 januari 2026 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klaagster toegezonden. Bij brief, ingekomen op 23 januari 2026, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 alwaar [   ], de gerechtsdeurwaarder en haar gemachtigde zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 26 augustus 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          De gerechtsdeurwaarder heeft per 1 oktober 2021 het dossier van klaagster tegen [   ] h.o.d.n. [   ] (hierna: [schuldenaar]) overgenomen van [   ] Gerechtsdeurwaarders (hierna: [ x ]).

-          Bij brief van 12 januari 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gevraagd naar betalingen die zijn verricht door [ schuldenaar].

-          Bij brief van 16 januari 2025 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht om een gespecificeerde eindafrekening en is tevens opgemerkt dat klaagster gebrekkig is geïnformeerd over de voortgang van de activiteiten van de gerechtsdeurwaarder.

-          Bij e-mail van 27 februari 2025 heeft klaagster haar verzoek van 16 januari 2025 gerappelleerd.

-          Bij e-mail van 17 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de eindnota van 10 januari 2025 nogmaals aan klaagster verzonden. De gerechtsdeurwaarder heeft hierbij tevens aangegeven dat klaagster niet heeft gereageerd op verzoeken van de gerechtsdeurwaarder en zij niet is geïnformeerd over de aan klaagster rechtstreeks verrichte betaling.

-          Vervolgens is over en weer tussen klaagster en de gerechtsdeurwaarder verder gecorrespondeerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder heeft verzuimd de executie in een zaak van klaagster die de gerechtsdeurwaarder heeft overgenomen van [ x ] voort te zetten. Tevens heeft de gerechtsdeurwaarder niet dan wel slecht op verzoeken van klaagster gereageerd.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

44.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 De voorzitter overweegt dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat het juist klaagster is die niet reageert op verzoeken om informatie van de gerechtsdeurwaarder. Ook blijkt daaruit dat het de gerechtsdeurwaarder meermalen niet gelukt is om telefonisch met klaagster in contact te komen. De gerechtsdeurwaarder heeft, nadat zij de vordering van klaagster had overgenomen van [ x ], meermalen verzocht om informatie over betalingen van en afspraken met [ schuldenaar ]. Omdat een reactie en de gevraagde informatie van klaagster is uitgebleven, heeft de gerechtsdeurwaarder op 13 januari 2025 een eindnota aan klaagster verzonden. Hierin is duidelijk gespecificeerd waar de kosten op zien. Verder blijkt uit de overgelegde producties dat de gerechtsdeurwaarder steeds op verzoeken van klaagster heeft gereageerd. Dat klaagster hierbij niet het door haar gewenste antwoord heeft gekregen, maakt niet dat de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder drie en half jaar niets gedaan heeft in het dossier. Brieven zijn geantidateerd.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Aan de orde is de vraag of de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast.

7.2 De klacht komt er in de kern op neer dat de gerechtsdeurwaarder het per 1 oktober 2021 van [ x ] overgenomen dossier gedurende ongeveer drie jaar wel “levend” heeft gehouden, maar in die periode niets heeft ondernomen om de executie daadwerkelijk te gelde te maken. Daarnaast verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder niet of gebrekkig op haar verzoeken te hebben gereageerd.

7.3 De voorzitter heeft de klacht ongegrond verklaard met de overweging dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat het juist klaagster is die niet op informatieverzoeken reageert en dat de gerechtsdeurwaarder steeds op verzoeken van klaagster heeft gereageerd. Daarmee is het accent gelegd op het verloop van de correspondentie. Naar het oordeel van de kamer raakt die motivering echter onvoldoende het voornaamste deel van de klacht, namelijk het verwijt dat gedurende langere tijd geen voortgang in de executie is gemaakt. Op dat onderdeel van de klacht ontbeert de beslissing een motivering. In zoverre is het verzet gegrond.

7.4 Die vaststelling leidt evenwel niet tot een ander oordeel over de klacht. Daartoe overweegt de kamer als volgt.

7.5 Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de gerechtsdeurwaarder in deze periode geen zichtbare executiehandelingen heeft verricht, is dat op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Of stilzitten laakbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Van een gerechtsdeurwaarder mag weliswaar voortvarendheid worden verlangd (artikel 3.3 van de Gerechtsdeurwaardersverordening), maar die norm bestaat naast de eveneens op hem rustende plicht zorgvuldig en nauwgezet te handelen (artikel 3.4).

7.6 De gerechtsdeurwaarder heeft, onderbouwd, aangevoerd dat zij met klaagster in contact heeft willen komen door mails en brieven te sturen en telefoontjes te plegen, zonder resultaat. Klaagster heeft betwist enige mail of brief of telefoontje te hebben gehad, maar na de (nadere) onderbouwing hiervan door de deurwaarder heeft klaagster deze stelling onvoldoende (nader) onderbouwd en gaat de kamer aan die stelling voorbij. Hoewel het mogelijk is dat niet alle post is aangekomen, is niet aannemelijk dat geen enkele van de door de gerechtsdeurwaarder genoemde verstuurde berichten zijn aangekomen. Er is ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat alle door de gerechtsdeurwaarder genoemde correspondentie geantidateerd is, zoals klaagster stelt. De gerechtsdeurwaarder heeft onweersproken gesteld dat in ieder geval op 17 maart 2025 naar klaagster is gemaild omdat klaagster zelf dat heeft aangegeven.

7.7 Daar komt bij dat er concrete aanwijzingen waren dat de schuldenaar ( [schuldenaar] ) reeds een deel van de vordering had voldaan en dat daarover afspraken waren gemaakt. Deze aanwijzingen, die de gerechtsdeurwaarder heeft gesteld en die klaagster niet heeft betwist, rechtvaardigden een afwachtende houding. Zolang klaagster de gestelde betalingen en afspraken niet bevestigde of verifieerde, kon de gerechtsdeurwaarder de omvang van het nog openstaande saldo immers niet vaststellen. Onder die omstandigheden kon van haar niet worden gevergd de tenuitvoerlegging voort te zetten: verder executeren op een niet-geverifieerd en mogelijk onjuist bedrag verhoudt zich niet tot de van haar te verlangen zorgvuldigheid en kan de schuldenaar benadelen. De afwachtende opstelling getuigt in dit licht juist van zorgvuldig handelen.

7.8 Ten slotte is gesteld noch gebleken dat klaagster door het uitblijven van verdere executiehandelingen in haar verhaalspositie is geschaad; het gelegde beslag is blijven liggen.

7.9 Het voorgaande brengt mee dat van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 Gerechtsdeurwaarderswet geen sprake is. Het verzet is gegrond voor zover het is gericht tegen de ontoereikende motivering van de voorzitter, maar de klacht is bij deze nadere beoordeling nog steeds ongegrond.

7.10 Ten aanzien van het onderdeel van de klacht dat ziet op het niet dan wel slecht op verzoeken van klaagster reageren is het verzet ongegrond. Op dat onderdeel heeft de kamer de juiste maatstaf aangelegd en is in verzet niets aan de orde gekomen dat tot een ander oordeel leidt. 

7.11 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet gegrond wat betreft het onderdeel van de klacht dat ziet op het langere tijd geen voortgang in de executie maken;
  • vernietigt de beslissing van de voorzitter op dat onderdeel;
  • verklaart de klacht op dat onderdeel ongegrond;
  • verklaart het verzet voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen het deel waarbij de beslissing van de voorzitter is vernietigd en alsnog op de klacht is beslist, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Voor het overige staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.