ECLI:NL:TGDKG:2026:73 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/782938 / DW RK 26/73 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2026:73 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/13/782938 / DW RK 26/73 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er onder meer over dat de gerechtsdeurwaarder weigert het bezwaar van klager inhoudelijk te behandelen en een onredelijke opstelling zou hebben bij betalingsvoorstellen van klager. De voorzitter heeft de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 26 augustus 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 27 januari 2026 (in de kop van de beslissing per abuis met 2025 aangeduid) met zaaknummer C/13/775683 DW RK 25/349 HE/RH en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/782938 / DW RK 26/73 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klager,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde,
gemachtigde: [ ]
1. Ontstaan en verloop van de procedure
Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 17 september 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 30 oktober 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 27 januari 2026 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klager toegezonden. Bij brief, ingekomen op 5 februari 2026, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 12 augustus 2026.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.
3. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- op 15 april 2010 is klager bij verstek veroordeeld een vordering van Ziggo B.V.;
- op 29 mei 2020 heeft een gerechtsdeurwaarder een bezoek gebracht aan het adres van klager waarbij een brief is achtergelaten met daarin de hoogte van de vordering;
- op 21 januari 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op de banktegoeden van klager, dit beslag heeft geen doel getroffen;
- op 19 april 2022 heeft een gerechtsdeurwaarder een huisbezoek aan klager afgelegd waarbij een brief is achtergelaten;
- op 17 november 2022 is beslag gelegd op een voertuig van klager;
- op 29 maart 2023 heeft een gerechtsdeurwaarder klagers woonadres bezocht met het doel klagers auto weg te slepen, de auto werd echter niet aangetroffen;
- op 16 juni 2023 en 17 oktober 2023 is klager gesommeerd de vordering te voldoen;
- op 7 juli 2025, betekend aan klager op 14 juli 2025, heeft een gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder de werkgever van klager;
- op 7 augustus 2025 heeft klagers advocaat een saneringsvoorstel van 25% gedaan; dit voorstel is op 8 augustus 2025 afgewezen;
- op 3 september 2025 heeft klager meegedeeld enkel het bedrag uit het vonnis te willen voldoen;
- op 10 en 11 september 2025 is aan klager meegedeeld dat dat niet akkoord is;
- op 11 september 2025, aangevuld op 15 september 2025, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder;
- op 16 september 2025 is klagers klacht beantwoord; klager heeft hierop dezelfde dag gereageerd;
- op 23 september 2025 is door een medewerker van de gerechtsdeurwaarders excuus aangeboden voor het gebruik van een onjuiste naam.
4. De oorspronkelijke klacht
Klager klaagt samengevat over het volgende.
- weigering van transparantie. Pas na klagers formele klacht werd een kostenoverzicht verstrekt;
- weigering het bezwaar van klager inhoudelijk te behandelen;
- opeisen van niet onderbouwde en disproportionele kosten (meer dan zes maal de hoofdsom);
- onredelijke opstelling bij betalingsvoorstel, het voorstel werd zonder motivering afgewezen;
- er is beslag gelegd zonder voorafgaande transparantie of gespecificeerde vordering;
- onzorgvuldige en foutieve adressering.
5. De beslissing van de voorzitter
5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van dat kantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a wordt het volgende overwogen. Sinds 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder getracht de vordering te innen. Klager heeft in eerdere instantie nooit iets van zich laten horen. Pas nadat beslag werd gelegd op zijn salaris heeft hij contact opgenomen met (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. Op 11 september heeft klager expliciet verzocht om een specificatie van de kosten, die hem dezelfde dag zijn verstrekt. Gelet op klagers langdurig zwijgen en niet reageren op eerdere beslagleggingen en sommaties, is het niet eerder verstrekken van een specificatie niet tuchtrechtelijk laakbaar.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft op 11 september 2025 meegedeeld niet weer in te gaan op klagers stelling dat hij de kosten niet is verschuldigd, althans niet wil voldoen. De gerechtsdeurwaarder had daarop op 10 september 2025 gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft het bezwaar voor het overige in behandeling genomen, zodat niet kan worden gesteld dat het bezwaar niet inhoudelijk is behandeld.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c wordt het volgende overwogen. Klager heeft gesteld dat de kosten disproportioneel zijn. Klager miskent dat hij de hoogte van de kosten had kunnen beperken door de vordering tijdig te betalen of door het aangaan van een betalingsregeling. Zoals hierboven overwogen zijn meerdere ambtshandelingen verricht, waarvoor kosten zijn gemaakt die voor rekening van klager komen. Niet is gesteld of gebleken dat de kosten niet in overeenstemming zijn met het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag).
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d wordt overwogen dat het saneringsvoorstel van 7 augustus 2025 op 8 augustus 2025 is beantwoord. In die e-mail wordt gesteld dat het voorstel te laag is gelet op het openstaande saldo van € 2.322,39 en dat het klager vrij staat een nieuw voorstel in te dienen. De voorzitter oordeelt dat hiermee voldoende gemotiveerd is waarom het voorstel is afgewezen.
4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e wordt overwogen dat een gerechtsdeurwaarder niet gehouden is een klager voorafgaand aan het leggen van een beslag klager te informeren dat beslag wordt gelegd. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde stukken blijkt dat bij het bankbeslag, bij het beslag op het voertuig en bij het beslag op klagers inkomen specificaties van de vordering zijn gevoegd. Klager heeft dus specificaties van de hoogte van de vordering ontvangen.
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel f wordt overwogen dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste aanhef heeft gebruikt in de e-mail van 16 september 2025 aan klager. Op 23 september zijn daarvoor excuses aangeboden. Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing begaat, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hiervan is niet gebleken.
5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.
6. De gronden van het verzet
In verzet heeft klager zich erover beklaagd dat de gerechtsdeurwaarder:
- in de periode tussen 2010 en 2020 niets van zich heeft laten horen. Klager vraagt zich af wat er in die periode is gebeurd;
- niet akkoord is gegaan met het aanbod tegen finale kwijting wat door de advocaat van klager is aangeboden;
- een bedrag heeft ingehouden door middel van het beslag op het loon.
7. De beoordeling van de gronden van het verzet
7.1 Voor zover klager nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kan hij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klager kan niet worden ontvangen in zijn klacht als vermeld onder a.
7.2 Voor de overige in verzet aangevoerde onderdelen overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
7.3 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.M. Westerhuis-Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.