ECLI:NL:TGDKG:2026:68 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/770744 DW RK 25/199 BB/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:68
Datum uitspraak: 29-07-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): C/13/770744 DW RK 25/199 BB/SM
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij e-mails en brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn van in beginsel twee weken, beantwoordt. Een reactie richting klaagster heeft plaatsgevonden buiten de redelijke termijn die daarvoor staat. Dat de gerechtsdeurwaarder in de betreffende periode kampte met een sterke afname in zijn personeelbestand doet daar niet aan af.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 juli 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/770744 DW RK 25/199 BB/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klaagster,

tegen:

mr. [   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 7 juni 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 18 augustus 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klaagster heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 juni 2026 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 juli 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • De gerechtsdeurwaarder is belast met een huurachterstand op klaagster.
  • Bij e-mail van 22 januari 2025 heeft klaagster gevraagd om een berekening van de rente en incassokosten.
  • Bij e-mail van 13 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder een overzicht van de openstaande vordering verstrekt.
  • Bij e-mail van 10 maart 2025 heeft klaagster gevraagd waar de verhoging naar € 1.702,78 betrekking op heeft.
  • Bij brief van 28 maart 2025 heeft klaagster een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend en tevens verzocht om opheldering over de totale schuld.
  • Bij e-mail van 4 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster een overzicht van de openstaande vordering verstrekt.
  • Hierop is meermalen gecommuniceerd tussen klaagster en de gerechtsdeurwaarder.

2. De klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder - samengevat - dat:

  1. de gerechtsdeurwaarder ten onrechte stelt dat klaagster de huur achteraf betaalt;
  2. de ontvangst van haar klacht van 28 maart 2025 niet is bevestigd;
  3. vragen die zij per e-mail stuurt niet worden beantwoord.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer als volgt. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster meermalen uitgelegd wanneer sprake is geworden van het achteraf betalen van de huur. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder desgevraagd nogmaals uiteengezet hoe de verschuiving heeft plaatsgevonden. Het is de kamer duidelijk dat klaagster hier een andere mening over heeft, maar zonder nadere onderbouwing komt de kamer niet tot het oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op dit punt tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de gerechtsdeurwaarder erkend dat de ontvangst van de e-mail van klaagster van 28 maart 2025 niet aan klaagster is bevestigd, omdat klaagster – naar het inzicht van de gerechtsdeurwaarder – slechts verzoekt om opheldering van de schuld. De gerechtsdeurwaarder heeft daarop op 4 april 2025 aan klaagster een overzicht gestuurd en uit de door klaagster overgelegde producties blijkt – in navolging van wat de gerechtsdeurwaarder hierover heeft verklaard – dat er ook telefonisch contact is geweest met klaagster. De gemachtigde van klaagster refereert hieraan in zijn e-mail van 11 april 2025.

4.4 Het is de kamer niet duidelijk wat klaagster met haar brief van 28 maart 2025 anders heeft beoogd dan het verkrijgen van opheldering. Met de toezending van voornoemde specificatie op 4 april 2025 en het telefoongesprek met klaagster is aan die behoefte  voldaan. Bij gebrek aan meer aanknopingspunten ziet de kamer niet in wat tuchtrechtelijk laakbaar is aan het handelen van de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van de brief van 28 maart 2025. Dit laat onverlet dat een bevestiging geven de geëigende manier is in reactie op ontvangen klachten, maar de omstandigheden van dit geval, waaronder het telefonisch contact met klaagster nadien, maken dat de kamer niet tot een tuchtrechtelijk verwijt jegens de gerechtsdeurwaarder op dit onderdeel komt. Voorzover dit klacht onderdeel ook ziet op een te late reactie op eerdere vragen wordt dit meegenomen in onderdeel c. 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer als volgt. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij e-mails en brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn van in beginsel twee weken, beantwoordt. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarder weliswaar op de e-mailberichten van klaagster heeft gereageerd, maar dat is steeds gebeurd buiten de redelijke termijn die daarvoor staat. Dit is ter zitting erkend door de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat het kantoor in de betreffende periode kampte met een sterke afname in het personeelbestand (hetgeen inmiddels is opgelost). Hoewel de kamer begrijpt dat dit kan leiden tot verlate reacties op correspondentie, komt dit niet voor rekening van klaagster. De klacht is op dit onderdeel terecht voorgesteld.

4.6 De kamer verklaart de klacht ten aanzien van klachtonderdeel c gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagster het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte (forfaitair vast te stellen) proceskosten.

4.7 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdelen a. en b. ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel c. gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van een waarschuwing op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, begroot op € 50, te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad € 50 zal vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.L.S. Kalff en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.