ECLI:NL:TGDKG:2026:67 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/777537 / DW RK 25/405 BB/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:67
Datum uitspraak: 29-07-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): C/13/777537 / DW RK 25/405 BB/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: berisping. Klaagster beklaagt zich er – in essentie – over dat de gerechtsdeurwaarder een bevel heeft gedaan waarvoor de executoriale grondslag ontbreekt. De kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder een bevel heeft gedaan voor een bedrag waarvoor de executoriale grondslag niet aanwijsbaar is in de overgelegde titel en ook anderszins niet is aangetoond. Het tuchtrechtelijk verwijt is dat de gerechtsdeurwaarder de executie is gestart voor de betaling van een bedrag op basis van een titel waaruit die bevoegdheid niet navolgbaar volgt. Aldus heeft de gerechtsdeurwaarder verzuimd de marginale toets (juist) uit de voeren.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 juli 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/777537 / DW RK 25/405 BB/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klaagster,

tegen:

[   ],

gerechtsdeurwaarder te Den Haag,

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail, ingekomen op 22 oktober 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 26 november 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klaagster heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 juni 2026 alwaar gerechtsdeurwaarder is verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 juli 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • op 8 oktober 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder een grosse van een beschikking van 24 januari 2025 met daaraan gehecht en onderdeel uitmakende convenant aan klaagster betekend;
  • op 13 oktober 2025 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht de beschikking en bijbehorende uitvoerbare titel aan klaagster te verstrekken,

het zaaknummer en datum uitspraak te bevestigen en aan te geven op welke juridische grondslag deze executie plaatsvindt;

  • op dezelfde datum heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd;
  • klaagster heeft opschorting van de executie verzocht.

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er – in essentie – over dat de gerechtsdeurwaarder een bevel heeft gedaan tot betaling van € 22.729,29 waarvoor de executoriale grondslag ontbreekt, en dat hij een niet dekkende titel ten uitvoer heeft gelegd.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 De kamer stelt voorop dat op een gerechtsdeurwaarder ingevolge artikel 11 Gdw een ministerieplicht rust. De gerechtsdeurwaarder is in beginsel te allen tijde verplicht de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is te verrichten, wanneer hierom wordt verzocht. Die plicht heeft een zwaarwegend karakter.

4.3 Deze ministerieplicht is echter niet onbegrensd. De gerechtsdeurwaarder heeft steeds een eigen verantwoordelijkheid richting de bij de ambtshandelingen betrokken partijen, waaronder de geëxecuteerde. Naar vaste jurisprudentie van de kamer dient een gerechtsdeurwaarder voor het uitvoeren van een executieopdracht steeds een marginale toets uit te voeren (ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3534). Van de gerechtsdeurwaarder wordt geen diepgaand juridisch onderzoek verlangd naar de juistheid of houdbaarheid van de executoriale titel, maar wat wél van hem wordt verlangd, is dat hij nagaat of er een executoriale titel bestaat, of de gevraagde handeling uit die titel voortvloeit, en of de tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet.

4.4 In dit geval is als executoriale titel aangeboden de grosse van de beschikking van Rechtbank Overijssel van 24 januari 2025 (zaaknummer C/08/327720 / ES RK 25-390), met daaraan gehecht het echtscheidingsconvenant. De kamer beschikt over deze stukken en heeft deze bestudeerd. De beschikking spreekt de echtscheiding uit tussen klaagster en haar ex-partner en neemt de in het convenant getroffen regelingen op. Maar noch de beschikking, noch het convenant bevat een veroordeling van klaagster tot betaling van een concreet bedrag aan de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder.

4.5 De kamer heeft de gerechtsdeurwaarder zijn bevinding voorgehouden. In de eerste plaats heeft de gerechtsdeurwaarder gesteld dat de grondslag voor het betalen van een concreet bedrag (in dit geval € 22.571,00) wél in de titel besloten ligt, dan wel begrepen moet worden uit het bepaalde in artikel 5 van de het echtscheidingsconvenant. In de tweede plaats heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat klaagster separaat van de betekende stukken een specificatie van de vordering heeft ontvangen. Meerdere malen, aldus de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft deze laatste stelling echter niet nader onderbouwd en geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt.

4.6 De kamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder een bevel heeft gedaan voor een bedrag waarvoor de executoriale grondslag niet aanwijsbaar is in de overgelegde titel en ook anderszins niet is aangetoond. Daarmee heeft de gerechtsdeurwaarder in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Voor zover klaagster meent dat er sprake is van een ‘valse, dan wel niet bestaande beschikking’ gaat de kamer daar niet in mee. De beschikking van Rechtbank Overijssel toont als zodanig authentiek, en onderbouwing waarom dat niet zo is én dat de gerechtsdeurwaarder dit had moeten ontdekken, ontbreekt. Het tuchtrechtelijk verwijt is dat de gerechtsdeurwaarder de executie is gestart voor de betaling van een bedrag op basis van een titel waaruit die bevoegdheid niet navolgbaar volgt. Aldus heeft de gerechtsdeurwaarder verzuimd de marginale toets (juist) uit de voeren.

4.7 Bij de bepaling van de passende maatregel neemt de kamer in aanmerking dat de gerechtsdeurwaarder een unieke positie inneemt in het maatschappelijk verkeer die gepaard gaat met de bevoegdheid ingrijpende (executie)maatregelen te treffen. Dit verlangt een hoge mate van zorgvuldigheid, waarbij de ondergrens een (marginale) toetsing is waarmee de gerechtsdeurwaarder kan vaststellen dat er sprake is van een executoriale titel, maar ook dat de gevraagde betaling uit die titel voortvloeit. Nu de gerechtsdeurwaarder, óók in de tuchtprocedure, de grondslag voor zijn handelen onvoldoende heeft kunnen aantonen, acht de kamer de maatregel van een berisping passend en geboden. Daarbij speelt mee dat de gerechtsdeurwaarder, ook in reflectie, niet lijkt in te zien dat dit in het vervolg anders moet. 

5. Kosten(veroordeling)

5.1 Nu de kamer de gerechtsdeurwaarder een maatregel oplegt, zal de kamer de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders daarnaast veroordelen tot betaling van:

  • een forfaitair bedrag van € 50 aan kosten van klaagster;
  • de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een

andere beslissing.

5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de

Gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klaagster betaalde

griffierecht (€ 50) aan haar dient te vergoeden.

5.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarders tot betaling aan klaagster van haar kosten van de procedure in eerste aanleg, bestaande uit € 50 aan griffierecht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500 te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.L.S. Kalff en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.