ECLI:NL:TGDKG:2026:66 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/771058 DW RK 25/203 BB/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:66
Datum uitspraak: 29-07-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): C/13/771058 DW RK 25/203 BB/SM
Onderwerp: Incassotraject
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat zij verweer heeft gevoerd tegen de betalingssommaties, zonder dat daarop een reactie van de gerechtsdeurwaarder is gekomen. De gerechtsdeurwaarder heeft gemeend niet (steeds) op klaagsters correspondentie te hoeven reageren omdat klaagster bij het achterlaten van de stukken op het kantoor had moeten weten dat haar verweer in behandeling was genomen. De kamer overweegt daartoe dat de gerechtsdeurwaarder bij ontvangst van de stukken enkel heeft medegedeeld dat de stukken in ontvangst zijn genomen; zij vermeldt niet wat er vervolgens met de zaak zal gebeuren. Dit schiet tekort. Van de gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij klaagster op dat moment in elk geval informeert over de te verwachten vervolgstappen – zoals het voorleggen aan de opdrachtgever – en de daarmee gemoeide termijn.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 juli 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/771058 DW RK 25/203 BB/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klaagster,

gemachtigde: [   ],

tegen:

[   ] ,

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 18 juni 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlage, ingekomen op 1 augustus 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 juni 2026 alwaar de gemachtigde van klaagster en zijn zoon en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. In aanloop naar de zitting heeft klaagster op 27 maart 2026 nog nadere stukken ingebracht. De uitspraak is bepaald op 29 juli 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          De gerechtsdeurwaarder is belast (geweest) met een vordering van de Vereniging van Eigenaren [   ] te [   ] op klaagster.

-          Bij brief van 10 december 2024 is klaagster gesommeerd de vordering te voldoen.

-          Bij brief van 17 december 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gesommeerd tot betaling van de openstaande vordering over te gaan, teneinde dagvaarden te voorkomen.

-          Bij brief van 19 december 2024 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de brief van de gerechtsdeurwaarder van 10 december 2024. De gerechtsdeurwaarder heeft de ontvangst van het bezwaar bij brief van

19 december 2024 aan klaagster bevestigd.

-          Bij brief van 20 december 2024 heeft klaagster gereageerd op de brief van de gerechtsdeurwaarder van 17 december 2024.

-          Op 29 december 2024 heeft klaagster nadere stukken aan de gerechtsdeurwaarder verzonden.

-          Bij brieven van 20 en 27 januari 2025 en 3 februari 2025 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht om een reactie op haar bezwaren.

-          Bij brief van 4 februari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de ontvangst van de bezwaren van klaagster bevestigd en is aangegeven dat de vragen/verweren zijn voorgelegd aan de opdrachtgever.

-          Bij brief van 18 februari 2025 heeft klaagster gevraagd binnen welke termijn zij een reactie mag verwachten. Klaagster heeft haar brief van 18 februari 2025 bij brieven van 10 en 17 maart 2025 gerappelleerd.

-          Bij brief van 17 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd op de bezwaren van klaagster en is haar verzocht tot betaling van de vordering over te gaan.

-          Bij brief van 19 maart 2025 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de vordering.

-          Bij brief van 22 maart 2025 heeft klaagster haar bezwaar aangevuld.

-          Bij brieven van 14 april 2025, 1 en 12 mei 2025 en 10 juni 2025 heeft klaagster haar bezwaren gerappelleerd.

-          Bij brief van 25 juni 2025 is inhoudelijk op de bezwaren van klaagster gereageerd.

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat zij van begin af aan adequaat verweer heeft gevoerd tegen de uiterst litigieus geachte betalingssommaties, zonder dat daarop een reactie van de gerechtsdeurwaarder is gekomen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar ders wet aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met deze wet en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. In deze beslissing wordt beoordeeld of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Naar vaste jurisprudentie van de kamer mag van een gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij e-mails en brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso of executie binnen een redelijke termijn, te weten in beginsel twee weken, beantwoordt. Dit uitgangspunt geldt voor alle relevante correspondentie, niet slechts voor formele klachtbrieven (ECLI:NL:TGDKG:2023:81). Aan dit criterium is in deze zaak meermalen niet voldaan.

4.3 De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat klaagster lang op een reactie heeft moeten wachten, maar voert aan dat dit hem niet kan worden verweten omdat hij in afwachting was op een reactie van zijn opdrachtgever. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder opgemerkt dat klaagster “oneindig veel brieven” verstuurde die óf hetzelfde óf van gelijke strekking waren, en dus van hem niet gevergd kan worden steeds weer te moeten reageren dat de verweren zijn voorgelegd aan de opdrachtgever. Niet in de laatste plaats omdat klaagster dit al wist vanaf het moment dat de stukken van klaagster op 19 december 2024 waren aangenomen op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder.

4.4 De kamer stelt vast dat klaagster op 19 december 2024 stukken op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft aangeboden. De bevestiging hiervan door de gerechtsdeurwaarder bevat uitsluitend de mededeling dat de stukken in ontvangst zijn genomen; zij vermeldt niet wat er vervolgens met de zaak zal gebeuren. Dit schiet tekort. Van de gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij klaagster op dat moment in elk geval informeert over de te verwachten vervolgstappen – zoals het voorleggen aan de opdrachtgever – en de daarmee gemoeide termijn.

4.5 Vervolgens heeft klaagster op 29 december 2024 nadere stukken toegezonden en bij brieven van 20 en 27 januari 2025 en 3 februari 2025 aangedrongen op een (inhoudelijke) reactie. De gerechtsdeurwaarder heeft hierop eerst bij brief van 4 februari 2025 gereageerd. In die brief wordt meegedeeld dat de bezwaren van klaagster zijn voorgelegd aan de opdrachtgever. Die brief had eerder moeten worden verzonden; de tussenliggende periode is ruimschoots langer dan de termijn van veertien dagen die als uitgangspunt geldt. Klaagster wordt weliswaar op de hoogte gesteld van het doorzenden van de stukken, maar gelet op het volume en de frequentie van de correspondentie van klaagster was een mededeling op welke termijn klaagster een inhoudelijke reactie kon verwachten op zijn plaats geweest.

4.6 Na de brief van 4 februari 2025 heeft klaagster opnieuw bij brieven van 18 februari, 10 maart en 17 maart 2025 gerappelleerd. Ook op deze rappels is door de gerechtsdeurwaarder niet tijdig gereageerd. De gerechtsdeurwaarder had in dit stadium ten minste een zogenoemde stopbrief of tussentijdse statusupdate aan klaagster kunnen – en behoren te – sturen, waaruit zou blijken dat de zaak nog steeds bij de opdrachtgever lag en dat klaagster niet opnieuw hoefde te schrijven. Door dit na te laten heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster nodeloos in onzekerheid gelaten.

4.7 De gerechtsdeurwaarder heeft als verweer aangevoerd dat hij in afwachting was van een reactie van zijn opdrachtgever en die reactie niet kon afdwingen, en dat klaagster een zodanig groot volume aan – grotendeels repetitieve – brieven verzond dat niet van hem kon worden gevergd dat hij op elke brief afzonderlijk inging. De kamer volgt dit verweer niet. Dat een gerechtsdeurwaarder afhankelijk is van zijn opdrachtgever voor de inhoudelijke beantwoording van bezwaren, ontslaat hem niet van zijn zelfstandige verantwoordelijkheid om de schuldenaar tijdig te informeren over de stand van zaken. De tuchtrechtelijke verplichting om correspondentie tijdig te beantwoorden rust op de gerechtsdeurwaarder persoonlijk en kan niet worden afgewenteld op de opdrachtgever (vgl. ECLI:NL:TGDKG:2020:32). Voor zover de gerechtsdeurwaarder klaagsters brieven als repetitief heeft ervaren, had het op zijn weg gelegen dit kenbaar te maken door middel van een duidelijke schriftelijke mededeling aan klaagster dat verdere correspondentie over de lopende bezwaren de behandeling niet zou bespoedigen en dat zij bericht zou ontvangen zodra de opdrachtgever had gereageerd.

4.8 De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder ter zitting heeft erkend dat klaagster lang op een reactie heeft moeten wachten. Deze erkenning bevestigt hetgeen uit het dossier blijkt. De kamer verklaart de klacht gegrond en acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden. Bij die stand van zaken ziet de kamer geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen in de kosten die ten laste van de kamer komen voor de behandeling van de klacht. Omdat de klacht gegrond is, dient de gerechtsdeurwaarder wel aan klaagster het betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de door klaagster gemaakte (forfaitair vast te stellen) proceskosten.

4.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van een waarschuwing op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, begroot op € 50, te betalen nadat de beslissing onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad € 50 zal vergoeden, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.L.S. Kalff en mr. O.J. Boeder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.