ECLI:NL:TDIVTC:2026:9 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2023/64
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:9 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2023/64 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten dat hij met betrekking tot een zieke hond een verkeerde diagnose heeft gesteld, niet adequaat heeft gereageerd op telefonische meldingen, dat hij verantwoordelijk is voor het overlijden van de hond en dat de klachtafhandeling binnen de praktijk niet naar behoren is verlopen. [Klacht ongegrond] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] , klager,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde,
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Klager is verschenen met zijn echtgenote. Beklaagde heeft zich wegens persoonlijke omstandigheden afgemeld. Zijn gemachtigde mr. I.E. Boissevain is namens hem verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat hij met betrekking tot de zieke hond van klager een verkeerde diagnose heeft gesteld, niet adequaat heeft gereageerd op telefonische meldingen van klager, dat hij verantwoordelijk is voor het overlijden van de hond en dat de klachtafhandeling binnen de praktijk niet naar behoren is verlopen.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een dwergpoedel (teef) met de naam [naam hond] (hierna; de hond), die 10 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Op zondag 9 juli 2023 heeft klager contact opgenomen met de praktijk van beklaagde, die weekenddienst had. Beklaagde is niet de eigen dierenarts van klager. De hond had braakklachten en bloederige ontlasting. Klager kon direct langskomen en is met de hond op de praktijk gekomen tussen 9:00 en 10:00 uur. In de wachtkamer heeft de hond ontlasting met bloed gehad. Klager gaf aan dat de hond ook eenmaal bloed had overgegeven. Uit het klinisch onderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Omdat klager meldde dat de hond mogelijk een cocktailprikker had opgegeten, heeft beklaagde de maag en buik gepalpeerd. Beklaagde achtte het onwaarschijnlijk dat de klachten veroorzaakt werden door een cocktailprikker, omdat de hond dan heftig gereageerd zou hebben op de palpatie. De hond was verder alert en goed aanspreekbaar. Beklaagde heeft de hond per injectie Prevomax toegediend en Protecdiar en ProPlan Fortiflora Canine voorgeschreven en daarbij het advies gegeven om de hond te laten eten.
3.3. In de middag, tussen 14:00 en 15:00 uur, heeft klager gebeld naar de praktijk van beklaagde, waarbij hij, naar hij stelt, aan de assistente heeft verteld dat hij de situatie niet vertrouwde, omdat de hond elk kwartier bloederige ontlasting had. De assistente heeft aangegeven klager terug te bellen en heeft hierover contact gehad met beklaagde, die op dat moment bezig was met zijn spreekuur. Beklaagde heeft in verweer gesteld dat de assistente hem er toen niet over heeft geïnformeerd dat de hond elk kwartier een plas bloed verloor. De assistente, die thans niet meer werkzaam is op de praktijk, heeft klager teruggebeld en gevraagd of de hond nog braakte en water dronk. Klager gaf aan dat de hond niet meer braakte en dat de hond druppelsgewijs water dronk. De assistente heeft toen doorgegeven dat de medicatie nog de kans moest krijgen aan te slaan. Klager stelt dat hij tijdens dit laatste telefoongesprek heeft verteld dat de hond elke 5 minuten bloed verloor en dat hij graag wilde dat de hond werd opgenomen. Over wat er over en weer tijdens dit telefoongesprek is gezegd lopen de lezingen uiteen. Beklaagde stelt dat hem door de assistente niets is verteld over een plas bloed maar, als hij daarvan gehoord zou hebben, hij klager terug had laten komen met de hond. Verder stelt beklaagde dat er wel over de mogelijkheid tot opname is gesproken en dat dit in ieder geval niet is afgewezen.
3.4. In de avond verslechterde de situatie, maar heeft klager niet nogmaals contact opgenomen met de praktijk omdat hij, naar hij heeft gesteld, in de veronderstelling verkeerde dat de situatie 24 uur moest worden afgewacht. In de ochtend van maandag 10 juli 2023 wilde klager naar zijn eigen dierenarts gaan, maar bleek de hond te zijn gestorven. Het is niet duidelijk geworden waar de hond aan overleden is, aangezien er geen sectie is verricht.
3.5. Klager heeft die maandag zijn onvrede geuit over het handelen van beklaagde. Er heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden in het bijzijn van de klachtenfunctionaris van de praktijk. Klager heeft per e-mail laten weten niet tevreden te zijn over de klachtafhandeling. Eind september 2023 is onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt verder als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. De eerste klacht betreft het stellen van een verkeerde diagnose. Het college constateert dat beklaagde geen diagnose heeft gesteld. Hij heeft de hond behandeld ter bestrijding van de ziektesymptomen, waarvan niet duidelijk was waardoor ze werden veroorzaakt. Er was sprake van hemorragische gastro-enteritis, een ontstekingsreactie in het maagdarmkanaal. Dit betreft feitelijk echter nog geen definitieve diagnose. Een mogelijke perforatie veroorzaakt door het inslikken van een cocktailprikker is door beklaagde onderzocht door uitvoerige palpatie van de buik. De keuze om als eerste stap de hond symptomatisch met medicatie te behandelen was op basis van zijn klinische onderzoeksbevindingen verdedigbaar. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.5. De tweede klacht betreft het niet adequaat reageren op telefonische meldingen van klager tijdens de telefoongesprekken die klager in de middag met de assistente heeft gevoerd. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is voor het college niet duidelijk geworden wat klager tijdens die gesprekken precies tegen de assistente heeft verteld en evenmin wat beklaagde hierover van zijn assistente precies te horen heeft gekregen. In beginsel valt te begrijpen dat is aangegeven dat de ingezette medicatie eerst enige tijd de kans moet krijgen om aan te slaan. Beklaagde stelt dat ook gezegd is dat klager terug kon komen met de hond als hij zich zorgen maakte. Klager stelt dat hij tijdens de telefoongesprekken duidelijk heeft gemeld dat de hond elke 15 minuten en later elke 5 minuten een flinke plas bloed verloor. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift daartegen aangevoerd dat hij dit niet van zijn assistente heeft vernomen. Daarmee is niet duidelijk geworden in hoeverre de ernst van de situatie door klager kenbaar is gemaakt en welke informatie er precies door de assistente aan beklaagde is doorgegeven. Vast staat dat klager ervan op de hoogte was dat de mogelijkheid tot opname op zichzelf aanwezig was op de praktijk. Of daar door klager expliciet om is gevraagd dan wel of dit vanuit de praktijk is aangeboden is niet duidelijk geworden; de lezingen van partijen lopen daarover uiteen en het college kan de feiten hieromtrent niet vaststellen. Het ontbreekt aan bewijs om te kunnen concluderen dat beklaagde persoonlijk niet adequaat op de gestelde telefonische meldingen van klager heeft gereageerd. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.6. De derde klacht houdt in dat beklaagde volgens klager verantwoordelijk is voor het overlijden van de hond. Nu niet bekend is waar de hond de volgende ochtend aan is overleden en er geen sectie is verricht, is de doodsoorzaak echter ongewis gebleven. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat beklaagde hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.7. De vierde klacht betreft het binnen de kliniek niet serieus afhandelen van de klacht van klager. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat deze klacht niet het handelen van beklaagde zelf betreft, maar het handelen van de klachtfunctionaris van de praktijk, nadat beklaagde en klager een week na het overlijden van de hond met elkaar hebben gesproken. Overigens betreft dit klachtonderdeel geen veterinair handelen. Ook dit klachtonderdeel slaagt niet.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. J.W.J. Nienhuis - Koppes en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.