ECLI:NL:TDIVTC:2026:8 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/26

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:8
Datum uitspraak: 12-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/26
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Paard. Dierenarts wordt verweten te zijn tekortgeschoten met betrekking tot de euthanasie van een paard. [Klacht ongegrond]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                      klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                    beklaagde,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift en het verweer. Er is geen repliek en geen dupliek ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Beide partijen zijn verschenen. Beklaagde werd bijgestaan door haar gemachtigde, mr. V.C.A.A.V. Daniels. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten te zijn tekortgeschoten met betrekking tot de euthanasie van het paard van klaagster.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het paard van klaagster, een American Paint Horse (ruin) met de naam [naam hond] (hierna; het paard), 25 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2.Op vrijdag 2 februari 2024 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met beklaagde om een afspraak te maken voor euthanasie, omdat het paard onder meer een hartruis had, een slechte conditie en een aandoening aan de snijtanden (EOTRH). Er was geen medische voorgeschiedenis over het paard bij de praktijk van beklaagde bekend. Klaagster had slechts een keer eerder contact met de praktijk gehad, in juli 2022 in verband met een mestonderzoek.

3.3. Beklaagde gaf aan dat euthanasie beter zou kunnen worden uitgevoerd door een dierenarts die bekend was met de medische voorgeschiedenis. In een later telefoongesprek hierover heeft beklaagde aangegeven dat eerst een onderzoek diende plaats te vinden om de noodzaak van euthanasie te beoordelen. Daartoe is een afspraak gemaakt voor dinsdag 6 februari 2024. Vanwege een spoedgeval heeft beklaagde deze afspraak overgedragen aan een collega. Deze collega heeft het paard onderzocht en geconcludeerd dat euthanasie ethisch verantwoord was. De collega heeft het euthanasieproces aan klaagster uitgelegd. Er werd een afspraak gemaakt voor euthanasie op donderdag 8 februari 2024. De collega heeft zijn onderzoeksbevindingen en conclusie mondeling besproken met beklaagde.

3.4. In de ochtend van donderdag 8 februari 2024 is beklaagde naar het terrein gekomen waar het paard was gestald. Volgens beklaagde is voorafgaande aan de euthanasie besproken op welke wijze de euthanasie zou worden uitgevoerd.Klaagster stelt dat beklaagde haar niet heeft verteld dat zij een katheter zou plaatsen. Beklaagde betwist dat.

3.5. De paddock was erg nat door regen, maar aan de randen waren droge stroken waar de euthanasie kon worden uitgevoerd. Beklaagde stelt dat de locatie van de euthanasie in onderling overleg is gekozen en dat zij ook het (droge) grasveld als optie heeft genoemd. Klaagster betwist dat laatste. Klaagster stelt verder dat beklaagde het paard van haar overnam enonverwachtaangaf dat zij een katheter ging plaatsen, die zij ineens in de hals van het paard stak, waarvan het paard enorm schrok en een paar passen naar achteren zette. Beklaagde stelt daarentegen dat ze haar werkwijze aan klaagster stap voor stap heeft toegelicht, dat klaagster het paard vasthield bij het plaatsen van de katheter en dat het rustig reageerde op het inbrengen ervan: hij tilde enkel zijn hoofd even op, maar verplaatste zich volgens beklaagde niet.

3.6. Vervolgens heeft beklaagde de sedatiemiddelen toegediend: 1,0 ml Detomidine (Domidine 10 mg/ml, REG NL 10429) en 1,0 ml Butorfanol (Butomidor 10 mg/ml, REG NL 107026). Volgens klaagster kreeg het paard hierna paniekachtige aanvallen, schudde het heftig met zijn hoofd en maakte het ongecontroleerde bewegingen met de lippen. Klaagster stelt dat zij beklaagde hiernaar heeft gevraagd en dat beklaagde aangaf dat ze dit nog nooit had meegemaakt. Vervolgens wilde het paard gaan liggen. Volgens klaagster dwong beklaagde het paard te blijven staan door hard aan het halster te trekken en kreeg zij geen antwoord op de vraag waarom het paard niet mocht liggen. Beklaagde heeft dit tegengesproken. Volgens beklaagde werd het paard na toediening van de sedatiesnel suf en vertoonde hij driemaal een tremor, waarbij hij zijn hoofd omhoog bracht en een paar keer ‘tikte’ (met het hoofd schudde).  Beklaagde stelt dat zij aan klaagster heeft verteld dat dit een bijwerking van de sedatie was, waar weinig aan te doen was. Beklaagde stelt tevens dat zij wilde voorkomen dat het paard wilde gaan liggen terwijl de sedatie nog niet was ingewerkt met de kans dat het paard dan toch weer op zou staan. Om die reden heeft zij het paard, naar zij stelt, via het halster voorzichtig begeleid zodat hij eerst weer op vier benen stond.

3.7. Na enkele minuten heeft beklaagde 60 ml Euthanasol (Euthasol 500 mg/ml, REG NL 119241) via de katheter toegediend. Beklaagde stelt dat zij het paard van klaagster heeft overgenomen, waarna ze het paard bij de schouder naar achteren duwde. Volgens beklaagde zakte het paard snel door zijn benen en ging in borstbuikhouding liggen, waarna zij het paard naar de rechterzijde duwde. Beklaagde heeft het hart beluisterd en hoorde geen hartritme meer. Nadat ook de cornea-reflex afwezig bleek te zijn, heeft ze aan klaagster verteld dat het paard was overleden. Tijdens het hele proces heeft klaagster volgens beklaagde geen vragen gesteld en niet gereageerd op de toelichting die ze steeds gaf. Beklaagde stelt dat zij enkele minuten later de katheter heeft verwijderd, omdat het paard gecremeerd zou worden.

3.8. Klaagster stelt dat beklaagde op vele vragen geen antwoord gaf, onder meer op haar vraag waarom het paard de (Ietale) euthanasie-injectie niet meteen via de katheter kon krijgen. Nadat de euthanasie-injectie uiteindelijk was gegeven, viel het paard volgens klaagster op de grond op zijn linkerzij en lag het paard in een grote plas bloed. Klaagster betwist verder dat beklaagde de katheter heeft verwijderd.

3.9. Korte tijd na de euthanasie is er telefonisch en schriftelijk gecommuniceerd over hoe de euthanasie was verlopen. Dit heeft de bij klaagster daarover bestaande onvrede niet kunnen wegnemen. Hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart. Ter zitting is de klacht uitgebreid met het verwijt dat beklaagde niet geregistreerd zou zijn als dierenarts. Nu het registratienummer van beklaagde bekend is bij het college, is dit aanvullend klachtonderdeel ongegrond.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Met betrekking tot de wijze waarop de euthanasie is uitgevoerd heeft beklaagde ter zitting toegelicht waarom zij heeft gekozen voor het gebruik van een katheter en dus meteen een braunule heeft geplaatst voor de toediening van premedicatie. Beklaagde hoefde dan geen 2x, maar slechts 1x te prikken en een katheter/braunule voorkomt dat het sedatiemiddel of het euthanasiemiddel mogelijk onbewust peri-veneus (naast de ader) wordt toegediend, wat vervelende gevolgen kan hebben. Het college acht dit een goed onderbouwde uitleg. Ook de verkozen sedatiemiddelen en de dosering ervan zijn correct geweest evenals het wachten totdat de sedatiemiddelen goed en volledig waren ingewerkt voordat het euthanasiemiddel werd toegediend. Dat beklaagde niet wilde dat het paard zou gaan liggen terwijl het nog onvoldoende was verdoofd valt eveneens te begrijpen. Dat zij daarbij hardhandig te werk zou zijn gegaan is ontkend en niet aannemelijk geworden. Het college acht de klacht ongegrond voor zover deze betrekking heeft op de (verkozen) wijze waarop de euthanasie is uitgevoerd.

5.5. Het college stelt vast dat er tegenspraak is over de wijze waarop beklaagde met klaagster voorafgaande aan en gaandeweg het euthanasieproces heeft gecommuniceerd en haar heeft geïnformeerd. Volgens klaagster gaf beklaagde op vele vragen geen antwoord. Beklaagde stelt daarentegen dat klaagster niets vroeg en dat zij alle stappen in het proces meermaals duidelijk heeft uitgelegd. Gelet op deze tegenspraak kunnen de feiten hieromtrent door het college niet worden vastgesteld. Dit geldt overigens tevens voor andere kwesties waarover partijen tegenstrijdige lezingen hebben gegeven, zoals over hoe de locatie van de euthanasie is gekozen, hoe (heftig) de reactie van het paard was op het plaatsen van het katheter en de sedatie, of het paard al dan niet achteruit heeft gelopen, hoe en waar het paard is gevallen en of de katheter na het overlijden al dan niet verwijderd is. Het onderdeel van de klacht met betrekking tot de informatieverstrekking door beklaagde valt buiten het kader van het veterinair tuchtrecht aangezien het gestelde communicatiegebrek niet heeft geleid tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen danwel nalaten.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.