ECLI:NL:TDIVTC:2026:7 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/108 VTC 2024/109
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Kat. Klachten tegen een dierenarts en een paraveterinair. De dierenarts wordt verweten dat zij;1. de kat van klaagster sedatie heeft toegediend zonder toestemming en dat zij klaagster niet heeft geïnformeerd over de risico’s;2. een buikpunctie heeft uitgevoerd zonder toestemming;3. in de patiëntenkaart ten onrechte heeft genoteerd dat de kat blind was. [Klacht ongegrond] De paraveterinair wordt verweten de kat sedatie te hebben toegediend zonder toestemming en klaagster niet te hebben geïnformeerd over de risico’s. [Klacht niet-ontvankelijk] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaken van
[naam], klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde 1, zaak 2024/108,
paraveterinair [naam], beklaagde 2, zaak 2024/109,
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de zaken heeft de mondelinge behandeling gelijktijdig plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Klaagster was aanwezig met mw. [naam belanghebbende]. Beklaagden waren eveneens aanwezig, bijgestaan door mr. S. Slabbers. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHTEN
Het college heeft ter zitting, in afstemming met klaagster, de klachten als volgt samengevat;
Dierenarts [naam], beklaagde 1, wordt verweten dat zij;
1. de kat van klaagster sedatie heeft toegediend zonder toestemming en dat zij klaagster niet heeft geïnformeerd over de risico’s;
2. een buikpunctie bij de kat heeft uitgevoerd zonder toestemming;
3. in de patiëntenkaart heeft opgenomen dat de kat blind was, terwijl dat niet zo is.
Paraveterinair [naam], beklaagde 2, wordt verweten dat hij;
1. de kat sedatie heeft toegediend zonder toestemming en dat hij klaagster niet heeft geïnformeerd over de risico’s.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klaagster met de naam [naam kat] (hierna; de kat) (mannelijk), die acht maanden oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedures hebben geleid. De kat is geboren uit een nest van in totaal acht kittens, waarvan er inmiddels al zes waren overleden. Sinds zeer jonge leeftijd had de kat neurologische klachten. Ook heeft hij een longontsteking gehad, waarvoor de eigen dierenarts haar behandelde. De kat had in zijn jonge leven tevens vijf maanden koorts gehad.
3.2. Op 21 maart 2024 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de kliniek waar beide beklaagden werken, omdat zij vermoedde dat de kat FIP (Feline infectieuze peritonitis) had. Er is een afspraak onder voorbehoud ingepland voor 27 maart 2024 bij de dierenarts. Gebleken is dat de dierenarts veel expertise en ervaring heeft met betrekking tot de ziekte FIP.
3.3. Op 22 maart 2024 heeft klaagster nogmaals telefonisch contact met de kliniek opgenomen met vragen over de behandeling van FIP en over de kosten ervan. Op 25 maart 2024 heeft de paraveterinair op verzoek van de dierenarts met klaagster gebeld om de afspraak te vervroegen naar 25 maart 2024. Dit gebeurde uit voorzorg, vanwege de potentieel snelle achteruitgang die er bij FIP kan optreden. Klaagster gaf toen aan dat zij geen vervoer had. Later op die dag is nogmaals naar klaagster gebeld, dit keer door de dierenarts zelf. Klaagster wilde het liefst zo snel mogelijk medicatie tegen FIP, maar door de dierenarts is toegelicht dat daarvoor eerst een intake en een diagnosestelling nodig was. Tijdens het telefoongesprek is volgens de dierenarts gesproken over hoe het onderzoek verloopt, is uitleg gegeven over het mogelijke roesje dat zou worden toegediend en de daarmee samenhangende risico’s; ook is besproken dat er mogelijk een buikpunctie zou worden uitgevoerd. Klaagster heeft betwist dat hier telefonisch met haar over is gesproken. Op 26 maart 2024 is er vanuit de praktijk per e-mail een informatiefolder over FIP en de behandeling ervan naar klaagster verstuurd.
3.4. Op 27 maart 2024 is klaagster met de kat op consult gekomen bij de dierenarts. Uit het klinisch onderzoek kwam naar voren dat de kat een Body Condition Score had van 1 uit 9, tevens had ze bleke slijmvliezen en een verkleurd linkeroog. De kat had geen eetlust en was sloom. De dierenarts heeft geadviseerd tot een bloedonderzoek en een echografisch onderzoek om er zeker van te zijn dat er sprake was van FIP. De paraveterinair nam de kat voor het afnemen van bloed mee naar een andere ruimte. Omdat de kat te onrustig en beweeglijk was, lukte het niet om op een veilige manier bloed af te nemen. De paraveterinair kwam met de kat terug naar de spreekkamer. De dierenarts stelt dat zij klaagster toen toestemming heeft gevraagd voor het toedienen van lichte sedatie om het bloedonderzoek en de echo mogelijk te maken en dat deze toestemming is gegeven. Klaagster heeft dit betwist.
3.5. Hierna heeft de paraveterinair in opdracht van de dierenarts oraal 50 mg Gabapentine toegediend tegen de stress en is de kat in een zuurstofkooi geplaats. Toen de bloedafname wederom niet lukte, is omstreeks 13.30 uur 0,1 ml Butorfanol IM toegediend. Vervolgens is een echo-onderzoek verricht door collega’s van de afdeling beeldvorming, waar ook een buikpunctie is uitgevoerd. Tenslotte is door de paraveterinair alsnog bloed afgenomen. De kat is weer in de zuurstofkooi geplaatst en is gemonitord door collega’s van beklaagden.
3.6. Omstreeks 16.00 uur werden beklaagden er door hun collega’s op geattendeerd dat het slechter ging met de kat. De dierenarts constateerde dat de kat een lage hartslag en een te lage lichaamstemperatuur had. Een bloedglucosemeting lukte op dat moment niet. Er is glucose toegediend en een braunule geplaatst voor het toedienen van medicatie. De kat is aangesloten op ECG-apparatuur. Hierna stegen de lichaamstemperatuur en de hartslag weer. Omstreeks 17.15 uur is Remdesivir (virusremmer GS-441524) toegediend, een middel voor de behandeling van FIP.
3.7. Omstreeks 17.30 uur is de toestand van de kat besproken met klaagster. De prognose was 50-50%. Euthanasie is aan de orde gesteld, maar door klaagster afgewezen. Zij gaf aan dat de maximale kosten van verdere behandeling 1500 euro mochten bedragen. Na dit gesprek is klaagster naar huis gegaan en hebben beklaagden de zorg voor de kat overgedragen aan collega’s.
3.8. Omstreeks 20.00 uur verslechterde de situatie en in de nacht van 27 op 28 maart 2024 is de kat overleden. Later bleek uit de testresultaten dat de kat inderdaad FIP had.
3.9. In april 2024 heeft klaagster per e-mail haar onvrede over de gang van zaken geuit aan de dierenarts. Begin mei 2024 is de dierenarts aansprakelijk gesteld voor geleden schade. Een e-mailwisseling met de dierenarts heeft de bij klaagster bestaande onvrede niet kunnen wegnemen. Medio november 2024 zijn de onderhavige klachten ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts en als paraveterinair hadden behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Diereigenaren kunnen bij het Veterinair Tuchtcollege niet terecht voor schadevergoeding of financiële genoegdoening.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts of de paraveterinair beter had gekund, maar of er in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt verder als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collega’s.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. Na de schriftelijke fase van de procedure, op 8 juli 2025, is van de zijde van klaagster verzocht of zij tijdens de hoorzitting geluidsopnames van een telefoongesprek kon laten horen. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de griffie haar laten weten dat daar geen ruimte voor was tijdens de hoorzitting, maar dat de opnames op USB-sticks konden worden aangeleverd. Dit moest dan wel op korte termijn gebeuren, zo staat in de brief, want anders konden deze geweigerd worden in verband met de goede procesorde. De geluidsopnames zijn eerst op 29 september 2025 ontvangen, enkele dagen voor de zitting. In de ontvangstbevestiging daarvan door de griffie naar partijen is aangegeven dat ter zitting aan de orde zou komen of de opnames door het college al dan niet zouden worden geaccepteerd. Het college heeft in verband met de goede procesorde uiteindelijk besloten de geluidsopnames niet meer tot de procedure toe te laten vanwege de te late indiening ervan; beklaagde en het college hebben daardoor namelijk onvoldoende tijd om deze opnames te beoordelen. Het college heeft tevens besloten de zaak niet aan te houden omdat reeds op 14 juli 2025 is aangegeven de usb-stick tijdig aan te leveren en belanghebbende niet danwel onvoldoende heeft verklaard waarom pas op 29 september 2025, enkele dagen voor de zitting, de usb-stick is aangeleverd.
Met betrekking tot de paraveterinair, zaaknummer 2024/109
5.5. Voor wat betreft de klacht tegen de paraveterinair is ter zitting gebleken dat klaagster in de veronderstelling verkeerde dat beide beklaagden dierenartsen waren. Tevens is gebleken dat de handelingen van de paraveterinair waarover is geklaagd uitsluitend in opdracht en onder de verantwoordelijkheid van de dierenarts zijn uitgevoerd. In deze tuchtprocedure kan de paraveterinair hiervoor niet zelfstandig verantwoordelijk worden gehouden. De klacht tegen de paraveterinair zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de dierenarts, zaaknummer 2024/108
5.6. De eerste klacht tegen de dierenarts betreft dat zij geen toestemming zou hebben gevraagd voor en klaagster niet zou hebben geïnformeerd over de risico’s van sedatie. De dierenarts heeft dit weersproken. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij in het bijzijn van de paraveterinair, die dat heeft bevestigd, aan klaagster toestemming heeft gevraagd en verkregen voor de sedatie en daarbij nogmaals – nadat zij dit al in het telefoongesprek twee dagen daarvoor had uitgelegd - heeft aangegeven wat daarbij de risico’s konden zijn. Zij gaf daarbij aan dat er een risico was op een verslechtering bij een niet stabiele kat, maar dat de risico’s van het inzetten van verkeerde medicatie op basis van een verkeerde diagnose (dus als er toch geen sprake zou zijn van FIP) groter waren. Klaagster betwist dat zij toestemming heeft gegeven en heeft bewijs aangeboden in de vorm van geluidsopnames, echter zijn deze niet meer tot de procedure toegelaten. Het college acht op basis van het verhandelde ter zitting plausibel dat klaagster toestemming is gevraagd en heeft verleend. Buiten dat staat in de aan klaagster tevoren verstuurde folder duidelijk vermeld waarom onder andere een bloedonderzoek noodzakelijk is. Het college onderschrijft dat een bloedonderzoek in dit geval aangewezen was om FIP aan te tonen. Omdat de kat te onrustig was voor bloedafname zonder sedatie, valt die keuze voor sederen in dit geval naar het oordeel van het college ook goed te begrijpen.
5.7. Het college overweegt ambtshalve dat het toegediende sedatiemiddel Gabapentine is geregistreerd als humaan geneesmiddel en niet als diergeneesmiddel. Onder omstandigheden is het gebruik van dergelijke medicatie bij wege van uitzondering toegestaan op grond van de zogeheten ‘cascaderegeling (vgl. verordening EU 2019/6, artikel 112). Toepassing van een cascademiddel vereist overigens een motivering in verslaglegging en informatieverstrekking aan de eigenaar. Desgevraagd heeft de dierenarts ter zitting toegelicht dat het wel voor de kat geregistreerde middel Bonqat (REG NL 126815) niet op de kliniek voorradig was als gevolg van een keuze van de afdeling apotheekbeheer van de kliniek. De kat was er echter slecht aan toe en er bestond een (achteraf bevestigde) verdenking op FIP, een ziekte die zonder behandeling binnen enkele weken dodelijk is. Daartoe was in dit geval onderzoek onder sedatie aangewezen. Nu er daarmee een noodzaak was om snel te handelen was het middel Gabapentine in dit geval een te begrijpen alternatief. De dierenarts heeft er overigens op gewezen dat de apotheek van de faculteit diergeneeskunde in [plaatsnaam] dit humane geneesmiddel als veilig heeft beoordeeld als het wordt gebruikt bij katten met chronische en neurologische pijn of in verband met angst en stress. Niettemin beveelt het college beklaagde sterk aan om in het vervolg eerst voor de (eigen) diersoort geregistreerde medicatie te gebruiken.
5.8. De tweede klacht betreft het zonder toestemming verrichten van een buikpunctie. Gebleken is dat deze handeling niet is verricht door de dierenarts zelf, maar door collega’s van de afdeling beeldvorming. Deze handeling kan de dierenarts alleen daarom al niet tuchtrechtelijk worden toegerekend. Overigens heeft de dierenarts er ter zitting op gewezen dat het aanprikken van de buikholte ook als mogelijkheid is benoemd in de aan klaagster vooraf toegestuurde informatiefolder. Het college acht deze klacht ongegrond.
5.9. De derde klacht betreft het ten onrechte in de patiëntenkaart vermelden dat de kat blind was. Deze notitie is echter gemaakt in de nacht van 27 op 28 maart 2024, toen de kat was overgedragen aan de zorg van collega’s, zodat dit de dierenarts evenmin persoonlijk kan worden aangerekend. Het college acht deze klacht ongegrond.
5.10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart de klachten:
- in de zaak met het nummer 2024/108 tegen dierenarts Knies ongegrond.
- in de zaak met het nummer 2024/109 tegen paraveterinair Klootwijk niet-ontvankelijk;
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats, drs. J.W.J. Nienhuis-Koppes (enkel in de zaak met betrekking tot de dierenarts), en mw. J.E.G.J. Mullink-Koffrie (enkel in de zaak met betrekking tot de paraveterinair) en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.