ECLI:NL:TDIVTC:2026:6 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/49
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/49 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij is tekortgeschoten in de zorg voor een hond door uit te gaan van een blaasontsteking, terwijl nadien bleek dat de hond (ook) een ernstige baarmoederontsteking had. [Klacht deels gegrond, volgt een waarschuwing] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam], klager,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde,
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Partijen zijn uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 30 oktober 2025. Beklaagde heeft zich voor de hoorzitting afgemeld. Klager is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het college heeft de zaak in raadkamer besproken en uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak en samengevat, dat zij is tekortgeschoten in de zorg voor de hond van klager, waarbij is uitgegaan van een blaasontsteking, terwijl nadien bleek dat de hond (ook) een ernstige baarmoederontsteking had.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een niet gesteriliseerde Groenendaeler teef, met de naam [naam hond] (hierna; de hond) die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ongeveer 10 jaar oud was.
3.2. Eind april 2024 viel het klager op dat de hond niet in normale doen was, bij het uitlaten niet goed mee wilde lopen en bloed had bij haar urine. Op donderdag 25 april 2024 heeft hij hierover contact opgenomen met de praktijk waar beklaagde destijds werkzaam was. Op basis van het protocol van de praktijk met betrekking tot urineklachten zonder andere duidelijke ziekteverschijnselen, is klager gevraagd urine van de hond op te vangen voor onderzoek op de praktijk. Die middag omstreeks 17.00 uur heeft klager urine van de hond bij de praktijk afgeleverd. Omdat het op dat moment erg druk was, is het urineonderzoek niet direct uitgevoerd. Afgesproken werd om de uitslag de volgende dag telefonisch te bespreken.
3.3. Op basis van de uitkomsten van het urineonderzoek (verhoogd aantal leukocyten, aanwezigheid van erythrocyten, verhoogde pH, verhoogd aantal bacteriën) heeft beklaagde de waarschijnlijkheidsdiagnose blaasontsteking (bacteriële cystitis) gesteld en een 10-daagse antibioticumkuur voorgeschreven. Uit de stukken valt niet af te leiden wie de uitslag van het urineonderzoek op 26 april 2024 met klager heeft besproken en wat er tijdens dit telefoongesprek over en weer is gezegd. Klager heeft de antibioticumkuur diezelfde dag bij de praktijk opgehaald.
3.4. Met ingang van 1 mei 2024 is beklaagde niet langer werkzaam bij de praktijk. Op die dag heeft klager telefonisch contact opgenomen met de praktijk, omdat het niet goed ging met de hond en hij zich afvroeg of het antibioticumgebruik daarvan de oorzaak kon zijn. Klager stelt dat een paraveterinair zou hebben geadviseerd de antibioticumkuur in de voorgeschreven dosering voort te zetten.
3.5. Op 2 mei 2024, omstreeks 00.45 uur, heeft klager de hond in shocktoestand aangetroffen. Hij heeft direct de praktijk gebeld, maar kon via het spoednummer geen dienstdoend dierenarts bereiken. Daarop is hij met de hond naar een nabij gelegen dierenziekenhuis gegaan. Een van de daar aanwezige dierenartsen heeft een algemeen klinisch onderzoek verricht waaruit bleek dat de hond in shock was, in zijligging lag en niet meer reageerde. Verder waren de slijmvliezen grauw, bedroeg de capillaire doorbloedingstijd meer dan 2 seconde, was de buik pijnlijk en vol, was de pols niet voelbaar, de hartslag onregelmatig en bedroeg de lichaamstemperatuur 40,4°C. Op basis van deze bevindingen heeft deze dierenarts de diagnose ‘ernstige baarmoederontsteking met vrij vocht’ gesteld. In overleg met klager is besloten tot euthanasie van de hond.
3.6. Na het overlijden van de hond is klager de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Het college oordeelt niet over financiële geschilpunten.
5.2. In het veterinair tuchtrecht geldt als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van collega-dierenartsen. Dit betekent dat het college in deze procedure uitsluitend een oordeel kan geven over het handelen van beklaagde met betrekking tot de door haarzelf aan de hond van klager verleende zorg.
5.3. Voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Inhoudelijk
5.4. Het college stelt voorop dat de notities in het patiëntendossier uitermate summier zijn waardoor het voor het college lastig is geweest om het exacte verloop van de gebeurtenissen en de betrokkenheid daarbij van beklaagde uit het dossier af te leiden. Nu geen van partijen ter zitting is verschenen, heeft het college ook niet de mogelijkheid gehad om mondeling aanvullende informatie te verkrijgen. Het college zal daarom uitgaan van de feiten en omstandigheden voor zover deze in het dossier staan vermeld. Op basis daarvan komt het college tot de volgende reconstructie:
5.5. Op 25 april 2024 heeft klager contact opgenomen met de praktijk waar beklaagde toen nog werkzaam was, omdat de hond onder meer bloed in de urine had. Gelet op de urinewegklachten, in combinatie met de leeftijd en het geslacht van de hond alsmede de omstandigheid dat de hond niet gesteriliseerd was, had naar het oordeel van het college direct rekening moeten worden gehouden met een mogelijke ontsteking van de baarmoeder (pyometra) en had klager toen al moeten worden uitgenodigd met de hond naar de praktijk te komen voor nader onderzoek. In plaats daarvan is klager enkel gevraagd urine van de hond op te vangen voor een urineonderzoek op de praktijk. Door het college kan echter op basis van de ingebrachte stukken niet worden vastgesteld of beklaagde bij dit telefoongesprek betrokken is geweest en of haar een tuchtrechtelijk verwijt treft met betrekking tot het niet naar de praktijk laten komen van de hond op 25 april 2024 .
5.6. Beklaagde heeft in verweer gesteld dat zij de uitkomst van het urineonderzoek heeft geanalyseerd en vervolgens een antibioticumkuur (Clavudale) heeft voorgeschreven. Uit niets blijkt dat voorafgaand aan de inzet van deze antibioticumkuur een consult heeft plaatsgevonden. Daarvan uitgaande heeft beklaagde verwijtbaar nalatig gehandeld. In het licht van de resistentieproblematiek wordt van een dierenarts terughoudendheid verwacht bij het voorschrijven van antibiotica. Verder dient de inzet van antibiotica gebaseerd te zijn op gedegen voorafgaande diagnostiek, om onnodige inzet of inzet van een niet effectief werkend antibioticum te voorkomen. Om die reden dient een dierenarts een dier eerst zelf te zien en ook klinisch te onderzoeken, voordat tot het voorschrijven van antibiotica wordt overgegaan. Niet gebleken is dat beklaagde dit heeft gedaan. Daar komt bij dat het ging om urinewegklachten bij een 10 jaar oud, niet gesteriliseerd teefje, dat blijkens de van het dierenziekenhuis afkomstige informatie drie maanden eerder haar laatste loopsheid had gehad. In een dergelijke situatie dient naar het oordeel van het college rekening te worden gehouden met een baarmoederontsteking. Ook dit had reden moeten vormen om klager uit te nodigen met de hond voor onderzoek naar de praktijk te komen alvorens te beslissen over welke behandeling er zou worden ingezet.
5.7. Niet duidelijk is geworden of beklaagde betrokken is geweest bij het telefoongesprek waarbij de uitslag van het urineonderzoek met klager is besproken. Voor wat betreft de periode hierna is beklaagde niet meer bij de behandeling van de hond betrokken geweest, zodat zij daar in tuchtrechtelijk zin ook niet verantwoordelijk voor kan worden gehouden.
5.8. Resumerend wordt de klacht gegrond verklaard voor zover beklaagde antibiotica heeft voorgeschreven zonder dat zij de hond tevoren heeft gezien en zonder dat zij heeft vastgesteld of de klachten niet (mede) het gevolg waren van een baarmoederontsteking. Na te melden maatregel wordt door het college passend en geboden geacht.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht deels gegrond, zoals hiervoor onder 5.8. samengevat;
geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.