ECLI:NL:TDIVTC:2026:5 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/57 2024/58 2024/64 2024/121

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:5
Datum uitspraak: 05-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 2024/57
  • 2024/58
  • 2024/64
  • 2024/121
Onderwerp: Katten
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Kat. Klachten met betrekking tot twee casussen die op de kliniek van de dierenartsen hebben plaatsgevonden te weten over: 1. de diagnosestelling en behandeling van de kat van klaagster na een ongeval in oktober 2023; 2. de verrichte onderzoeken naar aanleiding van sproeigedrag van de kat in juni 2024. [Klacht ongegrond in de zaken 2024/57, 2024/58 en 2024/121 en in de zaak 2024/64 klacht deels gegrond, volgt een waarschuwing]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaken van   

[naam],                                                                                 klaagster,

tegen

de dierenartsen  [naam],                                                     beklaagde 1, zaak 2024/57,
                             [naam],                                                  beklaagde 2, zaak 2024/58,
                             [naam],                                                  beklaagde 3, zaak 2024/64,
                             [naam],                                                  beklaagde 4, zaak 2024/121,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van de klaagschriften, de verweren, replieken en duplieken. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de zaken heeft de mondelinge behandeling gelijktijdig plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Klaagster is zonder afmelding niet verschenen. Beklaagden 2 en 4 waren aanwezig. Beklaagden 1 en 3 hebben zich voor de zitting afgemeld. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHTEN

Klaagster heeft klachten ingediend ten aanzien van twee casussen die op de kliniek van beklaagden hebben plaatsgevonden te weten over:

1. de diagnosestelling en behandeling van haar kat na een ongeval in oktober 2023;

2. de verrichte onderzoeken naar aanleiding van sproeigedrag van de kat in juni 2024.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klaagster, een Europese korthaar (kater) met de naam [naam kat] (hierna; de kat), die 3 respectievelijk 4 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedures hebben geleid.

Ten aanzien van de eerste casus (de kaakfractuur)  

3.2. Op maandag 23 oktober 2023 is klaagster met de kat op het spreekuur van beklaagde 2 geweest. De kat was meest waarschijnlijk aangereden en had bloed aan zijn neus. Bij het klinisch onderzoek werd een scheve stand van de hoektanden in de onderkaak gezien en werd gedacht aan een symfysefractuur van de kaak. In overleg met klaagster is besloten de kat op te nemen ter observatie met zuurstoftoediening, omdat onbekend was of en wanneer een aanrijding had plaatsgevonden, de kat een snelle ademhaling had en er geen blaas voelbaar was. De afspraak is gemaakt om, als de kat de volgende ochtend stabiel zou zijn, onder sedatie een röntgenfoto te maken en dat, als zou worden bevestigd dat er sprake was van een mandibulaire en/of symfysefractuur, er een hersteloperatie zou plaatsvinden. Er is pijnstillende medicatie toegediend en beklaagde 2 heeft haar dienst die middag mondeling overgedragen aan beklaagde 3.

3.3. Op dinsdag 24 oktober 2023 heeft beklaagde 3 de kat in behandeling genomen. De kat was toen stabiel. Er zijn onder sedatie röntgenfoto’s in twee richtingen gemaakt. Daarop was een symfysefractuur van de kaak te zien en geen andere breuken. Vervolgens zijn operatief de kaakhelften met cerclagedraad aan elkaar gefixeerd. Na de operatie zijn geen röntgenfoto’s meer gemaakt. Beklaagde 3 concludeerde na de operatie dat de onderkaak recht zat, maar dat de hoektanden onder nog teveel contact maakten met de bovenhoektanden. Zij weet dit aan een ontstane zwelling van het slijmvlies. De kat is met medicatie (Metacam) mee naar huis gegeven.

3.4. Op donderdag 26 oktober 2023 heeft klaagster met de kliniek gebeld. Zij heeft tegen de assistente gezegd dat de kat zijn bekje veel open had en moeite had met eten. Op verzoek heeft klaagster een video-opname naar de kliniek gestuurd. Deze is bekeken en in overleg met beklaagde 3 is geadviseerd Metacam te blijven toedienen en erop te letten dat de kat zou blijven eten.

3.5. Op maandag 30 oktober 2023 is klaagster op het spreekuur van een andere dierenarts van de kliniek geweest. Ze gaf aan dat de kat veel moest niezen en kwijlde en dat hij zijn bekje niet helemaal kon sluiten. Ook was de kat sloom en sliep hij veel. De collega dierenarts constateerde een afwijkende kaakstand. In overleg met beklaagde 3 is geadviseerd om de cerclagedraad onder sedatie te verwijderen. Klaagster wilde hierover nadenken.

3.6. Op vrijdag 3 november 2023 heeft beklaagde 1 onder narcose de cerclagedraad verwijderd. Zij heeft klaagster geadviseerd om met de kat naar een specialist te gaan. Ze heeft enkele tweedelijnsklinieken genoemd waarmee klaagster zelf contact moest opnemen.

3.7. Op 6 november 2023 heeft klaagster verzocht de patiëntenkaart door te sturen. Op 7 november 2023 heeft een tweedelijnskliniek waartoe klaagster zich had gewend de kliniek van beklaagden erover geïnformeerd dat er een CT-scan gemaakt kon worden en een operatie kon worden verricht waarbij de kaak met teugels gerepareerd zou worden. De totale kosten zouden naar verwachting rond de € 4.000 zijn. Beklaagde 3 heeft dit aan klaagster laten weten. Klaagster wilde dat er eerst een CT-scan zou worden gemaakt. Op 10 november 2023 heeft er een consult op de tweedelijnskliniek plaatsgevonden en de volgende dag is de kat daar geopereerd. Op 27 december 2023 is in antwoord op een e-mailbericht van klaagster door beklaagde 2 namens de kliniek met zoveel woorden bericht dat het te betreuren was dat de behandeling bij de tweedelijnskliniek lang op zich heeft laten wachten.   

Ten aanzien van de tweede casus (het sproeigedrag van de kat):

3.8. Op 11 juni 2024 zijn klaagster en haar echtgenoot met de kat op het spreekuur van beklaagde 3 geweest. De kat plaste al enige tijd in huis en sproeide veel. Door klaagster is gemeld dat werd getwijfeld of de castratie die de kat op jonge leeftijd had ondergaan wel goed was uitgevoerd en of er misschien toch nog testosteron aanwezig was. Beklaagde 3 liet weten dit onwaarschijnlijk te achten. De kat liet niet toe dat zijn penis werd onderzocht op spikes. Over het verdere verloop lopen de lezingen uiteen. Klaagster stelt dat is geadviseerd onder sedatie bloed af te nemen voor een test met betrekking tot de testosteronwaarde en een algemeen bloedbeeld, dat de penis zou worden gecontroleerd op spikes en met echografie een controle zou plaatsvinden op de aanwezigheid van testikels. Beklaagde stelt daarentegen dat het advies was om onder sedatie onderzoek te doen naar spikes op de penis. Als die er niet waren, kon testosteron als oorzaak voor het sproeigedrag worden uitgesloten. In dat geval was er een urine- en blaasonderzoek nodig naar de oorzaak van het sproeigedrag. Klaagster zou urine moeten meenemen. Als dat niet zou lukken, dan kon op de kliniek urine worden afgenomen.

3.9. Op 17 juni 2024 is de echtgenoot van klaagster met de kat naar de kliniek gekomen zonder urinemonster. Beklaagde 4 heeft onder sedatie de penis onderzocht op spikes en deze niet aangetroffen. Ze heeft een echo gemaakt waarbij met name is gecontroleerd op afwijkingen van de blaas en nieren. Tevens is gezocht naar de aanwezigheid van testikels, maar deze zijn niet aangetroffen. Beklaagde 4 heeft de blaas aangeprikt om urine af te nemen en bloed afgenomen voor testen die in de eigen kliniek konden worden gedaan. Ze heeft telefonisch contact gehad met klaagster om te vragen of ze ondanks de bevindingen toch het bloed wilde opsturen voor een testosteronbepaling. Dat wilde klaagster.

3.10. Op 19 juni 2024 kwam de uitslag van het extern verrichte bloedonderzoek binnen. Daaruit kwam een testosteronwaarde naar voren die te hoog was voor een gecastreerde kater. Beklaagde 4 heeft overleg gehad met het laboratorium. Daarbij bleek dat het resultaat van het onderzoek onbetrouwbaar was omdat het bloed op een andere wijze aangeleverd had moeten worden. Het laboratorium gaf aan dat er opnieuw bloed afgenomen zou moeten worden en dat een herhaald onderzoek op kosten van het laboratorium kon worden gedaan. Beklaagde 4 heeft dit aan klaagster voorgelegd en daarbij aangegeven dat klaagster er ook voor kon kiezen om haar geld terug te krijgen. Klaagster heeft voor het laatste gekozen.

3.11. Begin juli 2024 heeft klaagster de onderhavige klachten ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenartsen beter had gekund, maar of hij of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoten zijn opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt tevens als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.

5.3. Vooraf wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Tot slot wordt vooraf opgemerkt dat de beoordeling van de klachten voor het college is bemoeilijkt omdat klaagster haar klachten onvoldoende per dierenarts heeft gespecificeerd en niet ter zitting is verschenen om hierover een nadere toelichting te geven.

Inhoudelijk

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 1

5.5. Beklaagde is betrokken geweest bij het verwijderen van de cerclagedraad op 3 november 2023. Vervolgens heeft zij aan klaagster verteld dat de kliniek niet de apparatuur had voor een CT-scan en heeft geadviseerd om met de kat naar een specialist te gaan, waarbij zij enkele tweedelijnsklinieken heeft genoemd. Er zijn geen klachten geuit over het verwijderen van het cerclagedraad, maar wel over het feit dat vanuit de kliniek niet zelf het initiatief is genomen om de verwijzing te regelen. Ter zitting is door de collega’s van beklaagde 1 toegelicht dat klanten een eigen keuze kunnen maken voor de tweedelijnskliniek die hun voorkeur heeft. Als klanten zelf bellen kunnen ze ook gemakkelijker de agenda’s naast elkaar leggen voor een geschikt tijdstip voor een consult. Alleen in spoedgevallen regelt de kliniek zelf het contact met de tweedelijnskliniek en dat was hier niet aan de orde. Het college stelt vast dat deze werkwijze niet ongebruikelijk of tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Beklaagde is verder aanwezig geweest bij gesprekken met klaagster na de tweede casus omtrent het sproeigedrag van de kat, maar dit betreft geen veterinair handelen. Het college acht de klachten tegen beklaagde 1 ongegrond.

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 2

5.6. Beklaagde is betrokken geweest bij het consult van de kat op 23 oktober 2023 nadat de kat hoogstwaarschijnlijk was aangereden. Er is geen klacht ingediend tegen de gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose en evenmin tegen de beslissing om de kat eerst op te nemen om tot rust te laten komen met pijnstillende medicatie. De diagnose is correct gebleken en het besluit om de onrustige kat eerst te stabiliseren is begrijpelijk geweest. Voor zover de klacht zich richt tegen de keuze om de kat niet al direct te verwijzen naar een tweedelijnskliniek, geldt dat bij zo’n eerste consult, als het vermeende ongeval nog maar net heeft plaatsgevonden, en omdat de onrustige kat moeilijk te onderzoeken bleek en eerst rust moest krijgen, het een aanvaardbare keuze is geweest om de kat in dit stadium nog niet direct te verwijzen.  

5.7. Beklaagde is verder nog betrokken geweest bij de namens de kliniek aan klaagster verstuurde e-mail van 27 december 2023, maar had verder zelf geen betrokkenheid bij het niet eerder verwijzen van de kat naar een specialist. De klachten tegen beklaagde 2 zijn ongegrond.

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 3

5.8. Beklaagde is betrokken geweest bij het maken van de röntgenfoto, waarbij de kaakfractuur is vastgesteld, bij de operatie op 24 oktober 2023, waarbij een cerclagedraad is aangebracht en bij de nazorg na die ingreep. Ter zitting is toegelicht dat het maken van röntgenfoto’s na het plaatsen van cerclagedraad niet gebruikelijk is. In het verweerschrift heeft beklaagde 3 gesteld dat zij na de operatie weliswaar had gezien dat de kaak van de kat nog niet goed sloot, maar dit weet zij aan de zwelling in de bek. Zij heeft in de patiëntenkaart echter niet opgenomen dat de bek niet goed sloot, wat naar het oordeel van het college wel van haar verwacht had mogen worden, temeer in een kliniek waar veel dierenartsen werken, die daarvan op de hoogte behoren te zijn bij een eventuele vervolgafspraak. Het is verder niet duidelijk geworden waarom de kat ondanks het niet goed sluiten van de bek mee naar huis is gegeven. Dat de onrustige kat in de vertrouwde thuisomgeving beter zou herstellen, zou een mogelijke en op zichzelf begrijpelijke verklaring kunnen zijn. Het is voor het college bij gebrek aan informatie daarover voorts niet duidelijk geworden wat beklaagde vervolgens aan klaagster heeft geïnstrueerd over wanneer er gebeld of langsgekomen moest worden.

5.9. Op 26 oktober 2023 liet klaagster de praktijk telefonisch weten dat de bek van de kat nog steeds niet goed sloot. In overleg met beklaagde 3 is geadviseerd om het gebruik van Metacam voort te zetten. Het college overweegt dat, zo beklaagde al dacht dat een zwelling de oorzaak was van het niet goed kunnen sluiten van de bek, het feit dat de bek twee dagen na de ingreep nog steeds niet goed sloot, reden had moeten vormen om eerst de kat zelf te zien en te onderzoeken, alvorens een advies te geven. Het niet goed kunnen sluiten van de bek betekent immers dat de kat niet of niet goed kan eten. De klacht tegen beklaagde 3 is in zoverre gegrond.

5.10. Op 30 oktober 2023 is in overleg met beklaagde aan klaagster geadviseerd om onder sedatie de cerclage te laten verwijderen. In dupliek heeft beklaagde gesteld dat zij zelf toen al wel heeft gedacht aan een verwijzing voor het maken van een CT-scan, maar voor het college is niet duidelijk geworden of dit ook zo met klaagster is gecommuniceerd. Het was raadzaam geweest om de kat op dat moment reeds door te verwijzen, omdat toen al duidelijk was dat op de eigen kliniek geen nader onderzoek mogelijk was. Nu echter niet duidelijk is geworden of en wat daarover met klaagster is gecommuniceerd, kunnen de feiten op dit punt niet worden vastgesteld en kan dit niet tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel leiden.

5.11. Met betrekking tot de klacht dat het erg lang geduurd heeft voordat de kat is doorverwezen, overweegt het college dat, nadat op 30 oktober 2023 geadviseerd was de cerclage te verwijderen, klaagster over die ingreep eerst wilde nadenken. Nadat op 3 november 2023 de cerclagedraad is verwijderd en is geadviseerd met de kat naar een tweedelijnskliniek te gaan, wilde klaagster eerst nog nadenken. Uiteindelijk is de kat daar op 11 november 2023 geopereerd. Het is mede aan klaagster zelf te wijten dat hier enige tijd overheen is gegaan. Voor wat betreft het zelf moeten regelen van een afspraak bij de tweedelijnskliniek, verwijst het college naar overweging 5.5.

5.12. Beklaagde is betrokken geweest bij het initiële consult op 11 juni 2024 met betrekking tot het sproeigedrag van de kat, waarbij klaagster vroeg om een echo om vast te stellen of er testikels aanwezig waren en om een bloedonderzoek naar de testosteronwaarde. Beklaagde heeft gesteld dat zij de aanwezigheid van testikels onwaarschijnlijk achtte. Zij heeft klaagster uitgelegd dat het controleren op de aanwezigheid van spikes op de penis het gemakkelijkst uitkomst zou kunnen bieden. Dit zou klaagster na enige uitleg zelf kunnen doen, maar dit zou ook op de kliniek onder sedatie kunnen worden uitgevoerd. Dan zou er direct ook bloed afgenomen kunnen worden voor het bepalen van de testosteronwaarde. Ze stelde voor de urine te onderzoeken en een echo te laten maken, waarbij tevens de nieren en blaas bekeken zouden worden en eventueel met een punctie urine af kon worden genomen, om blaas- en nierproblemen uit te sluiten. Het college is van oordeel dat dit een op zichzelf logisch behandelplan betrof bij de klachten die de kat had. Het echo-onderzoek met betrekking tot de nieren en blaas leverde direct extra informatie op zodat de kat later niet alsnog onder sedatie een echo zou hoeven ondergaan. Overigens zijn voor dit extra onderzoek geen kosten in rekening gebracht. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 4

5.13. Beklaagde is enkel betrokken geweest bij het uitvoeren van het echografisch onderzoek op 17 juni 2024. Zij heeft ter zitting nogmaals toegelicht dat de kans nihil was dat er nog testikels aanwezig zouden zijn. Desalniettemin heeft zij wel gezocht naar testikels tijdens het echografisch onderzoek, maar die bleken niet aanwezig. Voor zover er in geringe mate eventueel testiculair restweefsel aanwezig zou zijn geweest dat zich mogelijk in het lieskanaal bevond, is dit met een echo niet of nauwelijks waar te nemen. Daarnaast geldt dat de blaas- en nierstreek zijn onderzocht en de blaas is aangeprikt om urine af te nemen. Het college is van oordeel dat beklaagde correct heeft gehandeld.

5.14. Voor wat betreft het gebruik van het verkeerde bloedbuisje voor het bloed dat nodig was voor de testosteronbepaling, waardoor de uitslag onbetrouwbaar bleek, is voorstelbaar dat dit voor klaagster onbevredigend was. Het college ziet echter onvoldoende aanleiding om dit beklaagde tuchtrechtelijk te verwijten. Zij heeft zelf tevoren opgezocht hoe het bloed moest worden aangeleverd en voor de zekerheid de assistente nog laten bellen met het laboratorium om dit te verifiëren. Nadien heeft zij er nog alles aan gedaan om de fout van het laboratorium te herstellen, maar klaagster koos niet voor een herhaald bloedonderzoek. De klachten tegen beklaagde 4 zijn ongegrond.  

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaken met de nummers 2024/57 tegen dierenarts [naam], 2024/58 tegen dierenarts [naam] en 2024/121 tegen dierenarts [naam];

verklaart de klachten ongegrond.

In zaak 2024/64 tegen dierenarts [naam];

verklaart de klacht deels gegrond, voor zover deze betrekking heeft op het niet terug laten komen van de kat voor een eigen beoordeling op 26 oktober 2023, nadat klaagster had gemeld dat de bek van de kat na de ingreep nog steeds niet goed sloot;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. J.W.J. Nienhuis - Koppes en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.