ECLI:NL:TDIVTC:2026:42 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/83
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-05-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/83 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij met betrekking tot een hond te lang is doorgegaan met behandelen en niet tijdig euthanasie heeft voorgesteld. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
[naam] klaagster,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Klaagster was daarbij aanwezig, vergezeld door [naam belangstellende]. Beklaagde was aanwezig vergezeld door [naam collega]. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, samengevat en zakelijk weergegeven, dat zij met betrekking tot de hond van klaagster te lang is doorgegaan met behandelen en niet tijdig euthanasie heeft voorgesteld.
DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een Oudduitse Herder (teef), die bijna 10 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid. De hond kampte al langere tijd met een scala aan gezondheidsklachten, zoals jeuk, een hotspot, diarree, incontinentie, braken en chronische huidklachten waarvoor klaagster vrijwel maandelijks de praktijk van haar vaste dierenarts bezocht.
3.2. Op maandag 8 juli 2024 heeft klaagster de hond naar haar vaste dierenarts gebracht in verband met klachten in de vorm van het sinds enkele dagen niet eten, braken en diarree. De differentieeldiagnose betrof hartfalen of een darmsyndroom (PLE). De hond is symptomatisch behandeld en voor een echografisch onderzoek verwezen naar een collega met wie de vaste dierenarts vaker samenwerkt. Deze dierenarts is na zijn echografisch onderzoek de volgende dag uitgegaan van ernstig hartfalen en heeft daarvoor hartmedicatie voorgeschreven.
3.3. Op donderdag 11 juli 2024 stortte de hond op straat acuut in en heeft klaagster op eigen initiatief een consult afgesproken bij een cardioloog van een gespecialiseerde kliniek in [plaatsnaam 1]. Deze cardioloog concludeerde dat de hond geen hartproblemen had. Op advies is gestopt met het toedienen van de hartmedicatie. De volgende dag is de hond daar gezien door de radioloog en internist. Er is een bloedonderzoek, echo-onderzoek en urineonderzoek uitgevoerd. De hond was te zwak voor de narcose die nodig was voor een endoscopie. Daarom is geadviseerd om eerst een plasmatransfusie elders toe te passen en dan op maandag weer in [plaatsnaam 1] de bloedwaarden nogmaals te controleren en op dinsdag een endoscopisch onderzoek te verrichten met het afnemen van biopten. Op dezelfde vrijdag 12 juli 2024 is de hond verwezen naar het dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] waar beklaagde werkzaam is, die bij de hond een plasmatransfusie heeft toegepast.
3.4. Op maandag 15 juli 2024 heeft de hond, weer in [plaatsnaam 1], nog een bloedonderzoek gehad en op 16 juli 2024 een endoscopie met de afname van biopten. De uitslag van de biopten zou omstreeks 23 juli 2024 bekend zijn.
3.5. Op maandag 22 juli 2024 is de hond door de eigen dierenarts behandeld vanwege de verdenking op een maagtorsie. Na het met een sonde legen van de maag en de toediening van medicatie is de hond mee naar huis gegeven met een controleafspraak voor de volgende dag. Klaagster was na afloop van dit consult bij de eigen dierenarts niet gerust en heeft de hond vervolgens op eigen initiatief naar het dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] gebracht. Bij de opname had klaagster middels een formulier aangegeven dat zij wel reanimatie wilde, mocht dat aan de orde komen. Door de spoedarts is na klinisch onderzoek geconstateerd dat de hond onrustig was met een matige tachycardie. Uit het bloedonderzoek kwamen geen grote bijzonderheden naar voren. Op de echo van het abdomen werd een sterk verdikte maagwand met verminderde zichtbaarheid van de lagen waargenomen alsook abdominale effusie, noduli op de milt en milde structuurveranderingen in de lever. Er werd uitgegaan van ernstige gastritis, mogelijk met oedeem of een bloeding dan wel neoplasie.
3.6. De hond is vervolgens overgedragen aan beklaagde die op dat moment opnamearts van dienst was. Beklaagde heeft beschreven dat de hond is behandeld voor pijn en shock met pijnstilling, anti-emetica, bolustherapie en maagbescherming, alsook met de therapie die al gestart was door de kliniek in [plaatsnaam 1] in verband met de verdenking op PLE. De hartfrequentie daalde daarmee aanvankelijk en de hond leek comfortabeler. Toen klaagster om 20:00 uur langskwam was juist opnieuw Methadon toegediend en werd de hond erg lethargisch en steeds slomer. In overleg met klaagster zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd om de oorzaak van de terugval te achterhalen, waaronder abdominale röntgenfoto’s, pocus abdomen en thorax, abdominocentese en onderzoek van de ascites. Daarnaast werd het lactaat gemeten, wat opvallend aan het stijgen was, terwijl de bloeddruk sterk daalde. Bolustherapie met ringerlactaat gaf geen verbetering van de bloeddruk en de hartfrequentie. Ook toonde herhaald bloedonderzoek ernstige hypoalbuminemie aan. Er is nog een plasmatransfusie uitgevoerd maar tijdens die behandeling verslechterde de gezondheidssituatie zodanig dat is besloten tot euthanasie.
3.7. In de periode hierna heeft klaagster de onderhavige klacht tegen beklaagde ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In geschil is de vraag of beklaagde is tekort geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt ook als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.
Inhoudelijk
5.3. Tijdens de zitting is door klaagster desgevraagd bevestigd dat zij geen klachten heeft over de plasmatransfusie die beklaagde op 12 juli 2024 bij de hond heeft uitgevoerd en die een goed resultaat had gegeven. Beklaagde wordt wel verweten dat zij tijdens de opname op 22 juli 2024 te lang is doorgegaan met onderzoeken en behandelingen en niet eerder heeft geadviseerd tot euthanasie.
5.4. Het college overweegt dat toen klaagster op 22 juli 2024, na de behandelde maagtorsie door de eigen dierenarts, op eigen initiatief en zonder verwijzing met de hond naar de kliniek in [plaatsnaam 2] kwam, de hond feitelijk vrijwel tegelijkertijd in behandeling was bij drie klinieken (in [plaatsnaam 1], in [plaatsnaam 2] en bij de eigen dierenarts). De kliniek in [plaatsnaam 1] was op dat moment ook nog in afwachting van de uitslag van de endoscopische biopten die daar op 16 juli 2024 waren afgenomen en er was aldaar al een behandeling ingezet in het kader van de verdenking op PLE, wat bij beklaagde bekend was.
5.5. Na de onderzoeken bij of via de spoedarts van het dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] is de hond daar voor opname overgedragen aan beklaagde. De focus is er in eerste instantie op gericht geweest om de hond vanwege de shock te stabiliseren. Toen de hond ondanks toegepaste medicatie niet opknapte, is na overleg met klaagster gezocht naar de oorzaak ervan. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beschreven aanvullende onderzoeken daarover duidelijkheid konden bieden en niet onnodig zijn uitgevoerd. Ook de toegediende en in de patiëntenadministratie genoteerde medicatie was naar het oordeel van het college passend bij de symptomen die de hond had. Het college begrijpt ook dat er bij aanvang van de opname nog geen directe aanleiding was om de optie euthanasie te bespreken.
5.6. Later in de avond verslechterde de situatie en daarmee ook de prognose. Ondanks de medicatie en bolustherapie met ringerlactaat bleef sprake van aanhoudende hypotensie en een stijgende hartfrequentie, alsook van ernstige hypoalbuminemie. Gelet hierop is door beklaagde aan klaagster als laatst mogelijke optie een plasmatransfusie voorgesteld of om anders te kiezen voor euthanasie. Klaagster koos zelf voor verdere behandeling. Tijdens die behandeling ging de hond zeer snel verder achteruit met een alsmaar dalende bloeddruk en oplopende tachycardie. Er kon geen direct duidelijke diagnose worden gesteld, echter was evident dat de prognose op dat moment uitermate slecht was en dat er geen reëel uitzicht meer was op verbetering. In overleg is tot euthanasie besloten. Het geheel overziend heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat het belang van de hond bij de behandeling in opname voorop heeft gestaan, dat er aanvankelijk nog kansen op verbetering waren, maar gaandeweg de behandeling in de opname niet meer. Op grond van het voorgaande ziet het college geen aanleiding om te oordelen dat beklaagde de hond onnodig lang heeft doorbehandeld en te lang heeft gewacht met het advies tot euthanasie.
5.7. Overige verwijten zijn niet vast komen staan, kunnen beklaagde niet worden aangerekend of zijn van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.