ECLI:NL:TDIVTC:2026:40 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/95

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:40
Datum uitspraak: 16-06-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): 2024/95
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij een enkelbreuk bij een hond heeft gemist op een door haar beoordeelde röntgenfoto. Hierdoor is er volgens klaagster nadien onnodig een CT-scan gemaakt en nodeloos tijd verloren gegaan die de behandelmogelijkheden en herstelkansen van de hond nadelig hebben beïnvloed, terwijl op de aan de dierenarts verstuurde röntgenfoto’s de breuk al duidelijk te zien zou zijn geweest. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam]                                                          klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                       beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Klaagster is verschenen bijgestaan door mr. E.J. Brouwer-Van Vliet. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. K. Dirlik. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat zij een enkelbreuk bij de hond van klaagster heeft gemist op een door haar beoordeelde röntgenfoto. Hierdoor is er volgens klaagster nadien onnodig een CT-scan gemaakt en nodeloos tijd verloren gegaan die de behandelmogelijkheden en herstelkansen van de hond nadelig hebben beïnvloed, terwijl op de aan beklaagde verstuurde röntgenfoto’s de breuk al duidelijk te zien zou zijn geweest.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Pointer (teef) genaamd [naam hond] (hierna: de hond), die 1  jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.

3.2. Op donderdag 7 september 2023 is de hond aangereden. Klaagster heeft de hond naar een eerstelijnsdierenarts gebracht, die de wonden heeft behandeld en gehecht en een medio-laterale röntgenfoto heeft gemaakt. Vervolgens heeft de hond daar in de maand september 2023 lasertherapie gekregen. Op 4 oktober 2023 is klaagster met de hond op controle geweest. De hond bleek wat mank te lopen en haar linkerpoot te ontlasten. De dierenarts heeft op 9 oktober 2023 röntgenfoto’s gemaakt, dit keer in 2 richtingen.

3.3. Op 11 oktober 2023 heeft de eerstelijnsdierenarts de twee gemaakte röntgenfoto’s per e-mail naar de praktijk van beklaagde gestuurd ter beoordeling. In de begeleidende e-mail wordt het ongeval op 7 september 2023 gemeld en dat het na de wondbehandeling aanvankelijk goed ging, maar dat de hond weer mank liep als ze druk werd. Beklaagde stelt dat de paraveterinair van haar praktijk haar een van de toegestuurde röntgenfoto’s heeft laten zien, terwijl ze in de operatiekamer bezig was. Beklaagde stelt dat zij daarop direct overvulling (vochtophoping) in het linker enkelgewricht zag en concludeerde dat een CT-scan nodig was voor een nadere beoordeling, diagnose en gericht behandelplan. De paraveterinair heeft dit gecommuniceerd met de eerstelijnsdierenarts, die dit met klaagster heeft besproken.

3.4. Op 6 november 2023 is er een CT-scan gemaakt die is beoordeeld door een radioloog verbonden aan de kliniek van beklaagde. De conclusie was dat er een volledig dwarse fractuur aanwezig was aan de binnenzijde van het enkelgewricht waar de enkelband op aanhecht (fractuur van de linker mediale malleolus) met een klein bijkomend fragment caudaal hiervan, een uitgesproken weke delen zwelling van het linker hakgewricht en milde artrose. Het letsel zorgt voor instabiliteit van het enkelgewricht en ongemak bij draaibewegingen. Dit is vanuit de kliniek van beklaagde aan klaagster gecommuniceerd en er zijn behandeladviezen gegeven. Klaagster heeft echter besloten zich tot een andere dierenarts te wenden voor verder advies en het vervolg.

3.5. Klaagster heeft hierna de onderhavige klacht tegen beklaagde ingediend.  

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, zoals bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Verder geldt dat het college niet oordeelt over financiële zaken en dat een dierenarts in tuchtrechtelijke zin alleen verantwoordelijk is voor het eigen veterinair handelen en niet voor het handelen van collega’s.

Ontvankelijkheid

5.3. Beklaagde stelt dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu er geen behandelingsovereenkomst tussen haar en klaagster was en het beoordelingsverzoek ook niet aan haar persoonlijk was gericht, naast dat het geven van een advies aan een collega dierenarts die de hond in behandeling heeft, te gering is om haar verantwoordelijk te houden oor de behandeling van de hond. Het college overweegt dat beklaagde zich in dit verband heeft beroepen op een uitspraak van het college (ECLI:NL:TDIVTC:2018:29), die echter niet vergelijkbaar is met de onderhavige casus. In dit geval heeft beklaagde op verzoek van een eerstelijnspraktijk een veterinaire beoordeling verricht en adviesgegeven naar aanleiding van een aan haar getoonde röntgenfoto. Daarmee is er sprake van een veterinaire handeling waarover bij het college een klacht kan worden ingediend. Dat er geen behandelovereenkomst was en het beoordelingsverzoek van de collega-dierenarts niet aan haar persoonlijk was gericht, maakt dat niet anders. Klaagster is in haar klacht ontvankelijk.

Inhoudelijk

5.4. Beklaagde wordt verweten dat zij de botbreuk heeft gemist toen zij op 11 oktober 2023 de haar getoonde röntgenfoto heeft beoordeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beklaagde direct op de haar getoonde röntgenfoto zag dat er sprake was van overvulling van het enkelgewricht en aangaf dat een CT-scan noodzakelijk was. Zij heeft zich bij het advies niet uitgelaten over of zij al dan niet een breuk heeft gezien. Beklaagde heeft verder gesteld dat het advies in beide gevallen, dus ongeacht of er wel of geen breuk op de foto te zien was, hetzelfde zou zijn geweest, namelijk nader onderzoek middels een CT-scan. Dit overigens conform het praktijkprotocol om bij jonge honden met een aandoening van een complex gewricht als het enkelgewricht een dergelijke scan te maken alvorens tot een definitieve diagnose en een gericht behandeladvies te komen.

5.5. Met beklaagde is het college van oordeel dat ook voorafgaand aan een eventuele operatie van een enkelgewricht eerst de mogelijk verdere schade aan het gewricht onderzocht moet worden. Daarvoor volstaat een tweedimensionale röntgenfoto niet, maar is een driedimensionale CT-scan nodig. In dit geval was een CT scan aangewezen om eerst een compleet beeld van het trauma te krijgen alvorens tot een passend behandeladvies te kunnen komen. Verder is beklaagde pas in een later stadium betrokken geraakt en is niet gebleken is dat het haar persoonlijk kan worden aangerekend dat het nog enige tijd heeft geduurd -kennelijk was de mobiele scanapparatuur niet eerder beschikbaar- voordat die CT-scan is gemaakt en beoordeeld. De klacht wordt aldus ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. M.J. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.