ECLI:NL:TDIVTC:2026:4 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/84

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:4
Datum uitspraak: 12-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): 2024/84
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Parkiet.Dierenarts wordt verweten dat hij: 1. niet tijdig heeft gereageerd op de gezondheidsverslechtering van de parkiet van klager; 2. onvoldoende heeft gecommuniceerd over de mogelijke behandelopties; 3. onvoldoende onderzoek heeft verricht, 4. onvoldoende instructies heeft gegeven aan de assistentes over de verzorging; 5. een onjuiste behandeling / onjuiste medicatie heeft ingezet.[Klacht gegrond ten aanzien van de onderdelen 1, 3 en 4, volgt een waarschuwing. Overige klachten ongegrond]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                                   klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                              beklaagde,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Klager is verschenen met zijn echtgenote. Beklaagde is eveneens verschenen, tezamen met gemachtigde mr. I.E. Boissevain. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Het college heeft ter zitting in afstemming met klager, de klachten als volgt samengevat:

Beklaagde wordt verweten dat hij:

1. niet tijdig heeft gereageerd op de gezondheidsverslechtering van de parkiet van klager;

2. onvoldoende heeft gecommuniceerd over de mogelijke behandelopties;

3. onvoldoende onderzoek heeft verricht,

4. onvoldoende instructies heeft gegeven aan de assistentes over de verzorging;

5. een onjuiste behandeling / onjuiste medicatie heeft ingezet.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de grasparkiet van klager met de naam [naam parkiet] (hierna; de parkiet), die 1 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.

3.2. Beklaagde is als dierenarts werkzaam bij een praktijk met meerdere vestigingen, waar ook andere dierenartsen werkzaam zijn. Gebleken is dat klager bewust heeft gekozen voor deze praktijk vanwege de deskundigheid van beklaagde op het gebied van vogels.

3.3. In juni 2023 is klager met de parkiet, die hij toen een maand in zijn bezit had, naar de praktijk van beklaagde geweest vanwege een zwelling op de borst. Er heeft een consult plaatsgevonden bij een collega van beklaagde, die telefonisch overleg met beklaagde heeft gehad en een dieet heeft voorgeschreven. In augustus 2023 is klager wederom bij de praktijk geweest wegens braakklachten van de parkiet. De behandelend dierenarts concludeerde dat er waarschijnlijk sprake was van een schimmel en heeft een kuur met Fungitraxx (REG NL 113020) voorgeschreven.

3.4. Op 5 december 2023 is klager met de parkiet op het spreekuur van beklaagde geweest omdat de parkiet een zure lucht verspreidde en een gezwollen krop had. Beklaagde heeft de parkiet onderzocht. Beklaagde stelde als waarschijnlijkheidsdiagnose dat er sprake was van een hernia van de krop. Vanwege de jonge leeftijd van de parkiet is geadviseerd eerst af te wachten of dit spontaan zou genezen en in de tussentijd de parkiet te laten afvallen. Na een half jaar zou opnieuw worden beoordeeld of een operatieve ingreep nodig zou zijn.

3.5. In de periode tussen december 2023 en juni 2024 is er enkele malen telefonisch contact geweest tussen klager en (collega’s van) beklaagde over de parkiet naar aanleiding van een bloedveer en de ontlasting van de parkiet

3.6. Op dinsdag 11 juni 2024 is klager met de parkiet op het spreekuur van beklaagde geweest voor de afgesproken hernia-controle. Beklaagde heeft geconstateerd dat de parkiet een goed gewicht had (36 gram) en dat de krop in omvang was afgenomen. Een operatie was volgens beklaagde daarom niet nodig. Geadviseerd is om na vier maanden terug te komen voor controle.

3.7. Op maandag 17 juni 2024 is klager op het spreekuur van een collega van beklaagde geweest vanwege een stinkende adem, lusteloosheid, verminderde eetlust en een zwelling van de krop. De collega heeft een bacteriologisch onderzoek en een ontlastingsonderzoek uitgevoerd en Fungitraxx (REG NL 113020) voorgeschreven,volgens klager vanwege een ‘mega bacterie’.  

3.8. Op dinsdag 18 juni 2024 heeft klager de parkiet meer dood dan levend in zijn kooi gevonden en vervolgens een soort mond op snavel beademing gegeven en kokoswater toegediend. Klager heeft vroeg in de ochtend naar de praktijk gebeld en gevraagd naar beklaagde. De assistente gaf aan dat beklaagde wel aanwezig was, maar dat hij aan het opereren en erg druk was en geen tijd had voor een onderzoek. Door de assistente werd geadviseerd om toch langs te komen om de parkiet in een couveuse warm te houden. Klager is naar de praktijk gekomen en de parkiet is door de assistente in een couveuse gelegd. Op enig moment kwam beklaagde in de ruimte met de couveuse. Hij heeft de parkiet opgepakt, de krop bevoeld en deze leeggemaakt. Beklaagde gaf aan dat de parkiet geen bacteriële infectie haden dat een operatie in verband met de hernia nodig was, maar dat hij daar op dat moment geen tijd voor had. De parkiet moest in de couveuse blijven. Volgens klager had beklaagde niet eerder dan donderdag, twee dagen later, tijd voor een operatie. Klager is naar huis gegaan en de parkiet bleef op de praktijk achter.

3.9. Klager stelt dat hij op woensdag 19 juni 2024 meerdere keren naar de praktijk heeft gebeld, waarbij hem verzekerd werd dat de parkiet van voldoende voer werd voorzien en met een pipet medicatie kreeg. In de avond werd klager telefonisch bericht dat de parkiet om 17.30 uur was overleden. Klager heeft de assistente gevraagd om een sectie te laten uitvoeren om de doodsoorzaak vast te kunnen stellen, mede in verband met zijn andere vogels. Op vrijdag 21 juni 2024 heeft beklaagde met klager gebeld en aangegeven dat de parkiet was overleden aan sepsis en dat een sectie in zijn visie verspilling van geld zou zijn maar wel elders sectie zou kunnen laten doen.

3.10.  Klager heeft telefonisch diverse vragen gesteld aan beklaagde, waar niet naar tevredenheid van klager op is geantwoord. Klager heeft achteraf nog vragen voorgelegd over hoe de parkiet had moeten worden behandeld aan een andere dierenarts en aan een specialist vogelgeneeskunde. In september 2024 is onderhavige klacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de parkiet van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen dan wel of hij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt tevens als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.

5.3. Vooraf wordt eveneens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk

5.4. Met betrekking tot het eerste onderdeel van de klacht, het niet tijdig reageren op de verslechtering van de gezondheidssituatie van de parkiet op 18 juni 2024, overweegt het college het volgende. Omdat beklaagde op die dag geen afgesproken consult had met klager over de parkiet en hij aan het opereren was en andere drukke werkzaamheden had, kan het college zich voorstellen dat beklaagde zich die dag niet de (eerst) verantwoordelijk dierenarts achtte voor de parkiet. Echter, voor zover beklaagde tussen zijn andere werkzaamheden door in de vogelruimte de parkiet heeft opgepakt, de krop heeft bevoeld en deze leeg heeft gemaakt om de pijn te verlichten, is sprake geweest van veterinair handelen. Daarmee kan beklaagde tevens verantwoordelijk worden gehouden voor de besluitvorming over het vervolg. Naar het oordeel van het college had beklaagde óf zelf het verdere onderzoek en behandeling van de parkiet op zich moeten nemen óf, als het hem aan tijd ontbrak, de parkiet daartoe adequaat moeten overdragen aan een collega dierenarts. Beklaagde had tevens in de patiëntenkaart moeten (laten) vermelden dat hij de krop had geleegd en of nader onderzoek moest worden verricht. Op grond van het voorgaande heeft beklaagde de situatie teveel op zijn beloop gelaten en acht het college de klacht in zoverre gegrond.

5.5. Met betrekking tot het tweede onderdeel van de klacht, onvoldoende communicatie over behandelopties, gaat het college ervan uit dat klager doelt op het feit dat niet is gecommuniceerd over het doen van nader onderzoek, zoals bijvoorbeeld een röntgenonderzoek met gebruik van contrastvloeistof. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat hij door het bevoelen van de krop voldoende informatie had om tot een eerste diagnose te komen en dat nader onderzoek ook risicovol kon zijn. Klager had een voorkeur voor beklaagde vanwege zijn expertise op het gebied van vogels, wat dan tevens meebrengt dat van klager mocht worden verwacht zich te conformeren aan de werkwijze van beklaagde, waarbij hij de parkiet visueel heeft beoordeeld, bevoeld en vervolgens zijn conclusies heeft getrokken. Deze werkwijze kan naar het oordeel van het college in dat eerste stadium niet als onjuist of onvoldoende worden gekwalificeerd. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.6. Het derde klachtonderdeel betreft dat er onvoldoende onderzoek is verricht, met name toen de parkiet in opname verbleef. Zoals hiervoor onder 5.4. reeds is overwogen valt beklaagde te verwijten dat hij er niet voor heeft gezorgd dat collega’s nader onderzoek zouden verrichten.

5.7. Het vierde onderdeel van de klacht betreft het onvoldoende instructie geven aan de assistentes gedurende de opname. Beklaagde heeft daarover ter zitting verklaard dat hij de parkiet op die dag niet als zijn patiënt zag. Het college overweegt dat juist bij een praktijk waar meerdere dierenartsen werkzaam zijn, het invullen van de patiëntenkaart en communicatie essentieel is. Zoals hiervoor is overwogen was beklaagde na het legen van de krop verantwoordelijk voor het regelen van het vervolg en daarmee ook voor de instructies richting de assistentes door ofwel dit zelf te doen ofwel dit aan een andere dierenarts over te dragen. Niet gebleken is dat dit is geregeld. Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

5.8. Het vijfde onderdeel van de klacht betreft een onjuiste behandeling en het geven van de verkeerde medicatie. Ter zitting is duidelijk geworden dat klager doelt op het stellen van de diagnose ‘mega bacterie’  en het voorschrijven van Fungitraxx. Dit is echter door een collega van beklaagde  gedaan. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat collega’s hem telefonisch om advies kunnen vragen, maar dat zij altijd zelfstandig beslissen over de behandeling. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zelf niet is uitgegaan van een bacteriële infectie en ook niet Fungitraxx heeft voorgeschreven, dat overigens wordt ingezet ter bestrijding van schimmel. Gelet op het voorgaande wordt dit onderdeel van de klacht ongegrond verklaard.

5.9. Samenvattend acht het college klachtonderdelen 1, 3 en 4 gegrond. Na te melden maatregel wordt door het college passend geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond ten aanzien van onderdelen 1, 3 en 4;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;

verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.