ECLI:NL:TDIVTC:2026:39 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2025/21
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-05-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2025/21 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij tijdens een laparoscopische ovariëctomie bij een hond de galblaas heeft geraakt, waarna er gal in de buikholte terecht is gekomen. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] klaagster,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Klaagster was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. E. Lugtenburg. Beklaagde was eveneens aanwezig, vergezeld door mw. [naam belangstellende]. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat zij tijdens een laparoscopische ovariëctomie bij de hond van klaagster de galblaas heeft geraakt, waarna er gal in de buikholte terecht is gekomen.
DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Jack Russel (teef), die bijna 1 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Voorafgaand aan de operatie heeft een consult plaatsgevonden bij een collega van beklaagde. Tijdens dat consult is gesproken over sterilisatie, waarbij zowel de traditionele methode (open buik operatie) als de laparoscopische ovariëctomie (kijkoperatie) zijn besproken, met voor- en nadelen. Klaagster koos voor een laparoscopische operatie.
3.3. Op 27 maart 2024 is de hond conform afspraak bij beklaagde op de praktijk aangeboden voor de operatie. In de patiëntenkaart en het verweer van beklaagde is beschreven hoe de operatie is verlopen. Om kijk- en werkruimte te creëren is bij de hond in rugligging de Veress-naald geplaatst, 2 centimeter achter het sternum. Dit verliep soepel. Via het gaatje in de buikholte is CO2 toegediend en het abdomen opgeblazen. Vervolgens zijn er 2 trocarts in de buikwand aangebracht, waarvan de caudale poort 1-2 cm van de navel (het werkkanaal) en de craniale poort vlak onder het sternum (camera). Daarna zijn de maag, milt, diafragma, lever, darmpakket en de blaas gecontroleerd, waarbij geen galblaas zichtbaar was. De beide nieren konden partieel in beeld worden gebracht. Er werd wat sijpelend bloed waargenomen vanuit de craniale poort langs de buikwand. De ovaria zijn succesvol verwijderd middels electrocauterisatie en de beide uterushoornen vertoonden geen afwijkingen. Bij het naar buiten brengen van de ovaria kwam er echter zichtbaar geel vocht mee, wat kon duiden op gallekkage. Beklaagde heeft daarom besloten de buik te openen voor een inspectie van de buikorganen. Beklaagde constateerde aan de rechterzijde van de galblaas, die slap en leeg was, een minimaal punctie gaatje, waaruit gal lekte. Zij heeft het gaatje met Monocryl 4.0 gehecht. Hierna is de buik vijf keer gespoeld met warme ringerlactaat en is de galblaas meermaals gecontroleerd, die zich weer vulde en op spanning kwam. De lekkage was daarmee verholpen. Er is tussentijds nog overleg gevoerd met een chirurg van een tweedelijnskliniek, die adviseerde de galblaas te verwijderen, wat beklaagde in overleg met klaagster niet heeft gedaan. Vlak voor het einde van de operatie daalde de hartslag van de hond sterk en heeft beklaagde Sedastop, Atropine en Adrenaline toegediend. De recovery van de hond, die een ondertemperatuur had, verliep traag.
3.4. Beklaagde heeft de hond vervolgens doorverwezen naar een tweedelijnskliniek voor intensieve postoperatieve zorg. Na twee dagen opname is de hond daar ontslagen. In de daarop volgende week is de hond vier keer door een collega van beklaagde gecontroleerd, waarbij tevens bloedonderzoek heeft plaatsgevonden. De hond is hierna hersteld verklaard.
3.5. Partijen verschillen van mening over de vraag of beklaagde een medische fout heeft gemaakt. De verzekeraar van de praktijk van beklaagde heeft een financiële claim van klaagster afgewezen. Ook overige communicatie tussen partijen heeft niet tot een vergelijk geleid. Hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In geschil is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen beter had gekund, maar of de dierenarts in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Een dierenarts kan in het veterinair tuchtrecht ook alleen maar voor het eigen veterinair handelen verantwoordelijk worden gehouden en niet voor het handelen van een collega. Een ander uitgangspunt in het veterinair tuchtrecht is dat het college niet oordeelt over financiële geschilpunten tussen partijen.
5.3. Klaagster stelt dat zij er voorafgaande aan de operatie niet over is geïnformeerd dat zich tijdens de operatie het probleem kon voordoen zoals dat zich hier heeft geopenbaard (een perforatie van de galblaas) en dat zij dit tevoren had willen weten, omdat haar de meest veilige operatie voor haar hond voor ogen stond.
5.4. Het college stelt vast dat het gesprek over de te kiezen sterilisatiemethode tussen klaagster en een collega dierenarts is gevoerd, waar beklaagde niet bij betrokken en niet voor verantwoordelijk was. Verder leidt het college uit hetgeen ter zitting is besproken af dat klaagster wist dat ook een laparoscopische operatie, zoals iedere operatie, nooit geheel risicoloos is. Terzijde geldt dat het praktisch gezien niet altijd mogelijk is om tevoren alle mogelijke risico’s die zich eventueel zouden kunnen voordoen te benoemen. Als gezegd is het ook een collega van beklaagde geweest die de voorlichting hierover heeft gegeven en niet beklaagde. Dit onderdeel van de klacht slaagt daarom niet.
5.5. Klaagster stelt dat beklaagde door het aanprikken van de galblaas een medische fout heeft gemaakt. Beklaagde deelt die mening niet en stelt zich op het standpunt dat zich een zeldzame complicatie heeft voorgedaan. Ter ondersteuning heeft zij een rapport overgelegd van een chirurg, gespecialiseerd in operaties van kleine huisdieren.
5.6. Het college overweegt dat de laparoscopische ovariëctomie over het algemeen minder risico’s kent dan de klassieke open buik sterilisatie. De laparoscopische variant staat bekend als veilig, minimaal invasief, met minder weefseltrauma en minder postoperatieve pijn en een sneller herstel. Dit betekent echter niet dat de laparoscopische methode helemaal geen risico’s heeft. Het kan, hoewel dit zeldzaam voorkomt, gebeuren dat de galblaas of andere buikorganen worden geraakt tijdens het inbrengen van de Veress naald of de trocarts.
5.7. De methode vereist goede scholing, training en ervaring, maar het college trekt niet in twijfel dat beklaagde, zoals zij heeft verklaard, veel ervaring heeft met deze operatiemethode en wekelijks meerdere honden op deze wijze succesvol behandelt. Het college trekt verder niet in twijfel dat het verwijderen van de ovaria als zodanig soepel is verlopen. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat alle gebruikelijke voorzorgsmaatregelen zijn genomen en ook uit haar beschrijving van het verloop van de operatie volgt dat deze zoals te doen gebruikelijk en niet op een afwijkende wijze is uitgevoerd. Ook voor het overige zijn er onvoldoende aanknopingspunten die wijzen op een verwijtbare misslag. Er kunnen zich tijdens een operatie altijd complicaties voordoen, zonder dat daar per definitie foutief handelen van de dierenarts aan ten grondslag ligt. Het college gaat er in dit geval vanuit dat hier een zeldzame complicatie is opgetreden, die niet aan incompetentie of ondeskundig handelen van beklaagde te wijten valt.
5.8. Beklaagde heeft verder, toen na het verwijderen van de ovaria bleek dat er gelig vocht meekwam, adequaat gehandeld door een nadere controle van de buikorganen uit te voeren en daartoe de buikwand te openen. Het gevolg van een perforatie van de galblaas is immers dat er gal in de buikholte kan lekken, wat kan leiden tot een ontsteking van het buikvlies. Beklaagde heeft het geconstateerde gaatje in de galblaas gehecht en hierna de buikholte meermaals gespoeld en na controles vastgesteld dat de lekkage was verholpen. Zij heeft ook literatuur en een chirurg geraadpleegd en de hond na de operatie verwezen naar een tweedelijnskliniek voor intensieve postoperatieve nazorg en na meerdere controles hierna op de eigen praktijk is de hond ook volledig hersteld.
5.9. Op grond van het voorgaande komt het college tot de conclusie dat beklaagde niet nalatig en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt ongegrond verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.