ECLI:NL:TDIVTC:2026:38 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2025/18

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:38
Datum uitspraak: 28-05-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): 2025/18
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Kat. Dierenarts wordt verweten dat zij de diagnose patella luxatie heeft gemist bij een klinisch onderzoek voorafgaand aan het vaccineren van een kitten, dat nadien door klaagster is geadopteerd. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                      klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                    beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling vond plaats op 29 januari 2026. Beide partijen zijn verschenen. Beklaagde werd bijgestaan door mr. S. Slabbers. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij de diagnose patella luxatie heeft gemist bij een klinisch onderzoek voorafgaand aan het vaccineren van een kitten, dat nadien door klaagster is geadopteerd.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klaagster, een Europese korthaar (kater) met de naam [naam kat] (hierna: het kitten), 15 weken oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Het kitten verbleef in een asiel en is in juli en augustus 2024, samen met drie andere kittens uit hetzelfde nest, onder behandeling gesteld bij de kliniek van beklaagde vanwege diarreeklachten en verminderde eetlust. In juli 2024 is Coccidiose vastgesteld. Een maand later is niesziekte en Clostridium perfringens geconstateerd. De kittens zijn hiervoor behandeld.

3.3. Op 12 september 2024 heeft beklaagde het kitten op verzoek van het asiel gevaccineerd. Daaraan voorafgaand heeft zij een klinisch onderzoek verricht. Beklaagde heeft het vaccinatieboekje ingevuld en daarin aangetekend dat er geen klinische afwijkingen waren.

3.4. Op 16 september 2024 heeft klaagster kennis gemaakt met het kitten en op 23 september 2024 heeft zij deze geadopteerd. De medewerkers van het asiel hebben klaagster geïnformeerd over de eerdere verholpen diarreeklachten in juli en augustus 2024 en dat de dierenarts geen afwijkingen had geconstateerd bij het vaccinatieconsult op 12 september 2024. Aan klaagster is het vaccinatieboekje meegegeven.

3.5. Op 15 oktober 2024 is klaagster met het kitten naar haar eigen dierenarts gegaan voor aanvullende vaccinaties. Deze dierenarts constateerde dat er aan beide zijden sprake was van patella luxatie in de tweede graad.

3.6. In oktober 2024 heeft klaagster het asiel op de hoogte gebracht van de door de eigen dierenarts gestelde diagnose en gevraagd om een tegemoetkoming in de kosten van de door haar eigen dierenarts voorgeschreven voedingssupplementen en noodzakelijke maandelijkse injecties met Nandrolon. Dit verzoek is afgewezen. Er is nog een kosteloos consult bij een orthopedisch specialist aangeboden. Van dit aanbod heeft klaagster geen gebruik gemaakt. Hierna is zij de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het kitten, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

Ontvankelijkheid

5.3. Namens beklaagde is gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht, nu zij ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd, te weten ten tijde van de klinische beoordeling voorafgaand aan de vaccinaties op 12 september 2024, nog geen eigenaar van het kitten was. Daarbij is er ook op gewezen dat er geen behandelovereenkomst tussen klaagster en de kliniek bestond en dat beklaagde nimmer contact heeft gehad met klaagster.

5.4. Klaagster stelt zich op het standpunt dat het asiel een medische garantie heeft afgegeven althans dat zij erop mocht vertrouwen dat het kitten geen klinische afwijkingen had, anders dan de klachten die in juli en augustus 2024 waren geconstateerd en verholpen. Als zij geweten had van de patella luxatie, dan had zij het kitten niet geadopteerd, aldus klaagster.

5.5. Het college trekt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht de vergelijking met een aankoopkeuring zoals die bij paarden plaatsvindt, waarbij een aankoopbeslissing mede wordt gebaseerd op de uitslag van die keuring. Een dergelijke keuring wordt eveneens verricht op het moment dat een aspirant-koper (nog) geen eigenaar is. In dergelijke zaken is een latere koper gerechtigd om bij het tuchtcollege een klacht in te dienen over een aan een aankoop voorafgaande keuring, ongeacht of hij of zij op dat moment al eigenaar was. Achterliggende gedachte is dat ook derden in een dergelijke situatie moeten kunnen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van een door een dierenarts verrichte keuring en een rapport daarover. Het college is in dit geval van oordeel dat de adoptiebeslissing van klaagster kan worden gelijkgesteld aan een aankoopbeslissing op basis van een keuring. Klaagster heeft haar adoptiebeslissing gebaseerd op de verklaring van het asiel dat het kitten gezond was, zoals beklaagde heeft geconcludeerd en in het vaccinatieboekje heeft genoteerd. Verder mag bekend worden verondersteld dat dieren die in een asiel verblijven op enig moment naar een andere eigenaar gaan en dat beoogde eigenaren mogen vertrouwen op de notities in een recent ingevuld vaccinatieboekje. Tegen die achtergrond oordeelt het college de klacht ontvankelijk.

Inhoudelijk

5.6. De klacht betreft het missen van de diagnose patella luxatie bij het door beklaagde op 12 september 2024 uitgevoerde klinisch onderzoek voorafgaande aan de vaccinaties. Klaagster stelt dat haar bij het ophalen van het kitten van het asiel al was opgevallen dat de achterpoten een ‘rare’ stand hadden. Toen zij later met het kitten naar haar eigen dierenarts ging is de patella luxatie vastgesteld. Daarbij heeft de eigen dierenarts aangegeven dat deze aandoening, ervan uitgaande dat de kat geen ongeval had gehad, niet plotseling ontstaat.

5.7. Beklaagde stelt dat zij geen afwijkingen aan het bewegingsapparaat heeft geconstateerd en zij het kitten voorafgaande aan het onderzoek normaal heeft zien lopen. Het college volgt beklaagde in haar verweer dat patella luxatie een aangeboren erfelijke aandoening betreft -behoudens als deze door trauma ontstaat- die nog niet voelbaar en waarneembaar hoeft te zijn bij jonge kittens. De aandoening laat zich doorgaans pas zien tijdens de ontwikkeling van kitten naar volwassen kat. Het onderzoek bij de eigen dierenarts vond overigens meer dan een maand later plaats. Het is niet uitgesloten dat de knieën van het kitten ten tijde van het onderzoek van beklaagde nog zo soepel waren dat de diagnose toen nog niet kon worden gesteld of dat de aandoening zich toen nog niet had geopenbaard. Op grond hiervan is voor het college niet vast komen te staan dat beklaagde het verwijt treft dat zij bij haar onderzoek de diagnose patella luxatie heeft gemist. Gelet hierop wordt de klacht ongegrond verklaard.

5.8. Overige verwijten vallen niet onder de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht of zijn van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

6. DE BESLISSING                           

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.