ECLI:NL:TDIVTC:2026:37 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/119

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:37
Datum uitspraak: 28-05-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): 2024/119
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij met betrekking tot een hond ten onrechte heeft geadviseerd tot een tweede operatie (een rhinoscopie gecombineerd met trepanatie), dat zij daaraan voorafgaand onvoldoende onderzoek heeft verricht en die tweede operatie onjuist heeft uitgevoerd, als gevolg waarvan de hond is overleden. [Klacht ongegrond.]

 HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam]                                                            klagers,

tegen

dierenarts [naam]                                        beklaagde.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Klagers waren daarbij aanwezig. Beklaagde heeft zich voor de zitting afgemeld. Namens haar is verschenen mr. S. Slabbers. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de hond van klagers ten onrechte heeft geadviseerd tot een tweede operatie (een rhinoscopie gecombineerd met trepanatie), dat zij daaraan voorafgaand onvoldoende onderzoek heeft verricht en die tweede operatie onjuist heeft uitgevoerd, als gevolg waarvan de hond is overleden.

DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klagers met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een kruising (reu), die zeven jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Sinds december 2022 had de hond af en toe een bloedneus en last van reverse sneezing, waarvoor hij vanaf 16 december 2022 onder behandeling was bij de eigen dierenarts. Deze dierenarts heeft als behandeling eerst een kuur met Prednisolon in combinatie met een antibioticum (Doxybactin en later Amoxicilline/clavulaanzuur) ingezet.

3.3. In februari 2023 is vanwege de aanhoudende bloedneuzen bij de eigen dierenarts een neusswab afgenomen en een röntgenfoto van de schedel gemaakt. Op de röntgenfoto waren afwijkingen te zien en de hond is voor een CT-scan doorgestuurd naar een andere dierenartsenpraktijk. Uit de daar gemaakte scan, beoordeeld door een specialist, bleek dat de rechter sinus was aangetast, mogelijk als gevolg van een schimmel, Aspergillose. De hond is vervolgens verwezen naar de gespecialiseerde kliniek waar beklaagde werkzaam is.

3.4. Op 31 maart 2023 zijn klagers met de hond naar de kliniek gekomen voor een intakegesprek bij een internist, collega van beklaagde. De internist heeft de eerdere onderzoeken van de andere klinieken besproken, bloed afgenomen en geadviseerd eerst een rhinoscopie (kijkonderzoek) te verrichten. Op 11 april 2023 is vanwege afwijkende leverwaarden op advies van de internist een echoscopisch onderzoek en nogmaals een bloedonderzoek uitgevoerd. Uit het bloedonderzoek bleek dat de hond een Ehrlichia-infectie had en bloedarmoede. Op 21 april 2023 heeft de internist getracht een rhinoscopie uit te voeren, wat niet lukte vanwege een bloeding. Op 4 mei 2023 is nogmaals bloedonderzoek verricht, waaruit bleek dat de hond herstellende was van de bloedarmoede en Ehrlichia infectie.

3.5. Op 9 mei 2023 heeft de internist telefonisch en per mail aan klagers toegelicht dat de waarschijnlijkheidsdiagnose Aspergillose was en dat een endoscopische behandeling (behandeling van de schimmel via de neus) geen optie was. Er is geadviseerd om een rhinoscopie gecombineerd met een trepanatie uit te laten voeren. Daarbij zou via een gat in de schedel de frontale sinus worden gereinigd. Ook heeft de internist gesproken over afwijkende leverwaarden. Klagers hebben op 9 mei 2023 per e-mail aan de internist doorgegeven dat zij instemden met een rhinoscopie met trepanatie. De internist heeft verklaard dat hij klagers voorafgaande aan de operatie heeft gewezen op het risico op neurologische klachten, omdat er sprake was van botaantasting in de cribiforme plaat.

3.6. Op 23 mei 2023 heeft beklaagde, chirurg, deze operatie uitgevoerd en met een scoop een inspectie uitgevoerd van de linker en rechter sinus. Het was niet mogelijk om met de scoop in de sinus frontalis te komen. Zij heeft een opening in de schedel gemaakt (trepanatie). Bij het inbrengen van de scoop bleken meerdere (Aspergillose) plaques te zien, wat later middels cytologie is bevestigd. Beklaagde heeft de plaques verwijderd, gespoeld. en Clotrimazol crème (een antischimmelmiddel) in de rechter sinus aangebracht. De eerste operatie is goed verlopen en de hond was hierna vrolijk en had een goede eetlust. Na de operatie werd de tweede operatie ingepland, zoals door de internist voorgeschreven.

3.7. Op 24 mei 2023 heeft de internist telefonisch aan klagers toegelicht dat er sprake was van botaantasting in de cribiforme plaat door de schimmel en dat er nog steeds een risico was op neurologische klachten. Op 26/27 mei 2023 heeft de hond in de nacht een (kortdurende) epileptische aanval gehad. Klagers hebben de kliniek van beklaagde hiervan op de hoogte gebracht.

3.8. Op 13 juni 2023 heeft beklaagde de tweede operatie uitgevoerd, waarbij via de bestaande schedelopening is gespoeld en Clotrimadol crème is aangebracht. In de avond is de hond door klagers opgehaald. De hond bleef volgens klagers echter te sloom en na enkele telefoontjes konden zij met de hond terugkomen naar de kliniek. Daar is de hond in de ochtend van 14 juni 2023 overleden.

3.9. Op initiatief en kosten van de kliniek van beklaagde heeft een post-mortum onderzoek plaatsgevonden bij de universiteitskliniek. De onderzoekconclusie luidde dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de laesies in de hersenen tot het overlijden van de hond hebben geleid. Partijen zijn hierna met elkaar in gesprek getreden, maar verschillen van mening over de vraag of beklaagde een fout heeft gemaakt of dat de hond is overleden aan de gevolgen van de schimmelinfectie. Hierna zijn klagers de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In geschil is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klagers, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt verder als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae. Een ander uitgangspunt in het veterinair tuchtrecht is dat het college niet oordeelt over financiële geschilpunten tussen partijen.

5.3. Het eerste klachtonderdeel betreft dat beklaagde ten onrechte heeft geadviseerd tot een tweede operatie en deze ook heeft uitgevoerd. Klagers stellen dat zij beklaagde hebben gevraagd of zij voorafgaande aan het voor de tweede keer aanbrengen van Clotrimazol, een monster kon nemen van de sinusinhoud om te beoordelen of de schimmelsporen nog aanwezig waren en of de tweede operatie nog noodzakelijk was. Beklaagde stelt dat de door de internist voorgeschreven behandeling uit twee sessies bestond, omdat alleen een eerste behandeling slechts een slagingspercentage van 50% heeft. Voorafgaande aan de tweede ingreep heeft beklaagde aan klaagster uitgelegd dat zij bij de tweede ingreep ook geen scoop zou gebruiken, maar enkel zou spoelen door de reeds bestaande opening, voorafgaande aan het toedienen van de Clotrimazol. Op basis van de spoeling kan geen diagnose gesteld worden omdat de sensitiviteit te laag is. Voor het nemen van een biopt is een scoop nodig, die ze niet gebruikt heeft. Beklaagde betwist dat zij op enigerlei wijze heeft toegezegd eerst een monster te nemen voorafgaande aan de tweede ingreep.

5.4. Het college overweegt dat het behandelplan is opgesteld door de internist, die het plan ook met klagers heeft besproken. Beklaagde heeft als chirurg enkel het opgestelde behandelplan, dat uit twee operaties bestond, uitgevoerd. Beklaagde is daarmee in tuchtrechtelijke zin niet verantwoordelijk voor de keuze voor de tweede operatie. Over de vermeende toezegging over het nemen van een monster van de sinusinhoud alvorens de tweede ingreep uit te voeren, hebben partijen tegenovergestelde lezingen gegeven. Nu het afhankelijk van het type onderzoek ook enkele dagen tot weken zou duren voordat daarvan een uitslag bekend zou zijn, komt het het college onwaarschijnlijk voor dat beklaagde een toezegging heeft gedaan om de reeds ingeplande tweede operatie van de uitslag van een nog te nemen monsteronderzoek te laten afhangen. Dit onderdeel van de klacht wordt ongegrond verklaard.

5.5. Het tweede klachtonderdeel betreft de klacht dat beklaagde onvoldoende onderzoek heeft verricht voorafgaande aan de tweede operatie. Het college overweegt aanvullend op hetgeen hiervoor is overwogen dat beklaagde als chirurg niet verantwoordelijk was voor het al dan niet (laten) uitvoeren van extra onderzoek voorafgaande aan de tweede operatie. Dit onderdeel van de klacht is eveneens ongegrond. 

5.6. Het derde klachtonderdeel betreft de klacht dat beklaagde de tweede operatie onjuist heeft uitgevoerd. Klagers stellen met verwijzing naar het post-mortem onderzoek en de verklaring van een familielid, die radioloog is, dat beklaagde teveel druk op de schedel heeft uitgeoefend, waardoor de naald door de achterwand is geschoten en de Clotrimazol bij de hersenen van de hond is gekomen, die daaraan is overleden. Beklaagde betwist dat zij teveel druk heeft uitgeoefend en heeft toegelicht hoe zij een incisie heeft gemaakt in de huid en gebruik heeft gemaakt van de reeds bestaande opening voor het spoelen en het toedienen van Clotrimazol, waarbij geen naald is gebruikt, maar enkel een spuit zonder naald en dat de conus niet zo diep kan komen. Uit het verslag van de patholoog blijkt ook dat de tractus een grillig verloop heeft en dus niet van een naald kan zijn. Het is niet uitgesloten dat de Clotrimazol door de vanwege de schimmel aangetaste hersenwand is gekomen.

5.7. Het college vindt het aannemelijk dat voor het (her)openen van het gaatje in de schedel geen naald is gebruikt om door de fibrine te komen en, waarbij het niet nodig was om druk uit te oefenen. Beklaagde heeft geloofwaardig toegelicht dat de Clotrimazol is aangebracht met een spuit zonder naald. Het college acht het, mede gelet op de uitkomst van het post-mortem onderzoek, onwaarschijnlijk dat foutief handelen van beklaagde debet is geweest aan het feit dat de Clotrimazol bij de hersenen is gekomen. Daarbij geldt dat de hond is overleden aan een ernstige infectie van de hersenen, die niet kan zijn ontstaan binnen 24 uur als een reactie op het voor de tweede keer aangebrachte middel maar al langer moet hebben bestaan. Of de epileptische aanval na de eerste behandeling reden had moeten vormen voor extra onderzoek voorafgaande aan de tweede behandeling, is een beslissing die niet aan beklaagde als chirurg was. Tot slot vat het college de door beklaagde tegen klagers gemaakte opmerking dat ze dit nooit meer zo zou doen, niet op als een erkenning van een fout, maar als een reactie op de ingediende klacht. Ook dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.8. Klagers hebben nog benoemd dat zij de hond na de tweede ingreep hebben meegekregen terwijl hij nog niet wakker was. Beklaagde heeft dit tegengesproken. Gelet hierop en bij gebrek aan toereikend bewijs kan niet worden geconcludeerd dat de hond na de operatie door beklaagde te vroeg mee naar huis is gegeven.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.