ECLI:NL:TDIVTC:2026:36 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2025/15
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-05-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2025/15 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten te lang te hebben gewacht met een operatie bij een hond, als gevolg waarvan het dier is overleden. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] klagers,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Klagers en beklaagde waren daarbij aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten te lang te hebben gewacht met een operatie bij de hond van klagers, als gevolg waarvan het dier is overleden.
DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klagers met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een Amerikaanse Staffordshire Terrier (intacte reu), die elf jaar oud was ten tijde ven de gebeurtenissen die tot deze procedure hebben geleid. Eerder -in 2021, 2022 en 2024- waren klagers al met de hond op consult geweest vanwege blaasproblemen. Adviezen voor castratie werden toen afgewezen.
3.2. Op maandag 30 december 2024 hebben klagers gebeld met de praktijk omdat de hond plasproblemen had. Via de assistent heeft beklaagde geadviseerd urine van de hond naar de praktijk te brengen. Uit het urineonderzoek bleek dat er mogelijk sprake was van een blaasontsteking. Hiervoor heeft beklaagde pijnstillende en ontstekingsremmende medicatie voorgeschreven, te weten Metacam en Alfatrim. Er is een controleafspraak ingepland voor vrijdag 3 januari 2025.
3.3. Tijdens het consult op 3 januari 2025 bleek dat de plasproblemen aanhielden. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht met onder meer een rectaal onderzoek en een buikpalpatie. Beklaagde heeft geprobeerd de hond te katheteriseren met assistentie, maar de hond (34,8 kg) liet dit niet toe. Vervolgens is een röntgenfoto gemaakt. Daaruit bleek dat er mogelijk een steentje in de plasbuis zat en dat de hond een vergrote prostaat en forse spondylose (slijtage van de rugwervels) had. De diagnose betrof een blaasontsteking met mogelijk blaasstenen. Beklaagde zag geen aanleiding om de hond onder sedatie te katheteriseren. Dat dit een correcte keuze was wordt volgens haar bevestigd doordat de hond na het consult buiten een flinke plas deed. Het advies was om de kuur met Alfatrim met 10 dagen voort te zetten en daaraan Ypozane toe te voegen vanwege mogelijke benigne prostaathypertrofie (goedaardige prostaatvergroting). Er is wederom castratie geadviseerd.
3.4. Beklaagde heeft toegelicht dat castratie of het gebruik van Ypozane de twee geëigende behandelmethoden zijn bij een goedaardige prostaatvergroting. Bij castratie wordt de invloed van testosteron op de prostaat definitief weggenomen. Het is een permanente oplossing en leidt tot een snelle daling van de testosteronspiegel. Binnen enkele weken wordt de prostaat weer klein en daarmee neemt de vernauwing van de plasbuis af, zodat het plassen weer kan normaliseren. Ypozane zorgt enkel voor een tijdelijke ongevoeligheid voor de invloed van testosteron. Hierom geniet castratie de voorkeur.
3.5. Op 7 januari 2025 hebben klagers telefonisch aangegeven dat het beter ging met de hond en is er een afspraak voor castratie ingepland voor 3 februari 2025.
3.6. Op 13 januari 2025 hebben klagers in de ochtend telefonisch gemeld dat de hond sinds de vorige dag moeizaam plaste. Tijdens het consult in de middag bij beklaagde is in overleg besloten om de hond na het spreekuur onder sedatie te katheteriseren. Bij de katheterisatie is het steentje dat de plasbuis blokkeerde terug in de blaas gespoeld en kwam er wat gruis vrij. Het gruis is door beklaagde direct naar het laboratorium gestuurd voor een analyse van het soort steentjes. Er is per injectie Metacam en Dexadreson aan de hond toegediend en besloten om de behandeling met Metacam en Alfatrim met 5 dagen te verlengen.
3.7. Op donderdagmiddag 16 januari 2025 was de uitslag van het laboratoriumonderzoek bekend en heeft beklaagde hierover direct met klaagster gebeld. De hond bleek op dat moment goed te plassen. Uit de uitslag bleek dat er sprake was van cystinestenen. Dergelijke stenen zijn niet op te lossen door het geven van aangepaste voeding. Dergelijke stenen dienen operatief te worden verwijderd en daarnaast diende de hond gecastreerd te worden en speciaal voer te krijgen om nieuwe cystinestenen te voorkomen. Het alternatief was euthanasie. Beklaagde gaf aan dat er nog niet direct een operatie is ingepland om klagers de gelegenheid te geven over de te maken keuze na te denken.
3.8. Op zondag 19 januari 2025 in de nacht hebben klagers de spoedlijn gebeld, omdat de hond niet kon plassen, een dikke buik had en pijn leek te hebben. De dienstdoende dierenarts adviseerde om de volgende ochtend om 8:00 uur contact op te nemen met de eigen dierenarts.
3.9. De volgende ochtend is door klagers even na 8:00 uur met de kliniek van beklaagde gebeld en is een afspraak gemaakt om 11.00 uur. Tijdens dit consult is wederom gesproken over een blaasoperatie of euthanasie. Beklaagde heeft bij het consult overwogen om de hond direct te catheteriseren, echter bij een eerder bezoek is gebleken dat de hond dit wakker niet toe liet. Klagers kozen voor een operatie die is ingepland in de middag om 13.30 uur. Beklaagde heeft een injectie Metacam aan de hond toegediend en klagers zijn met de hond naar huis gegaan. Omstreeks 13.00 uur kwam er een spoedgeval binnen bij de kliniek. Beklaagde heeft onderbouwd dat ze genoodzaakt was tot triage en daarbij het spoedgeval van 13:00 uur voorrang heeft gegeven omdat dit anders op zeer korte termijn de dood van deze patiënt tot gevolg zou hebben. Klagers zijn er telefonisch over geïnformeerd dat de operatie van hun hond hierdoor uitgesteld werd. Nadien werden zij nogmaals gebeld met de mededeling dat de hond om 15.00 uur terecht kon. Omstreeks 15.30 uur heeft beklaagde de hond onder narcose gekatheteriseerd en een luchtcontrastfoto gemaakt. Op deze foto waren de steentjes goed te zien. Aansluitend heeft beklaagde de hond geopereerd aan de blaas en zijn de steentjes verwijderd. Vervolgens is de eveneens ingeplande castratie uitgevoerd.
3.10. De daarop volgende dagen is meermaals telefonisch contact geweest, waarbij vanuit de kliniek is benadrukt dat het belangrijk was dat de hond goed at en dronk. Op woensdag 22 januari 2025 – tijdens de vrije dag van beklaagde - is klaagster met de hond naar het spreekuur van een collega van beklaagde gegaan, omdat de hond zijn eten en medicatie uitspuugde. De collega heeft een bloedonderzoek verricht, waaruit werd geconcludeerd dat er sprake was van ernstig nierfalen. Geadviseerd werd de hond met een intraveneus infuus te spoelen en aanvullend onderzoek te doen met katheterisatie en het maken van röntgenfoto’s. Dit is door klagers afgewezen. Ook euthanasie werd afgewezen. Vervolgens is een injectie tegen de misselijkheid toegediend en zijn tabletten Cerenia meegegeven.
3.11. In de daarop volgende dagen ging het slechter met de hond. Hij at en dronk nauwelijks en het toedienen van dwangvoer met medicatie lukte evenmin. Het voorgeschreven antibraakmiddel had geen effect. Op maandag 27 januari 2025 is de hond door een collega van beklaagde geëuthanaseerd. Enige tijd later is de onderhavige tuchtklacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In geschil is de vraag of beklaagde is tekort geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klagers, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt tevens dat het college niet oordeelt over financiële geschilpunten tussen partijen.
5.3. Het eerste klachtonderdeel betreft dat beklaagde te laat is overgegaan tot een blaasoperatie. Klagers stellen dat de hond tijdens het consult op 13 januari 2025 al onder sedatie is gekatheteriseerd en dat zij in de veronderstelling verkeerden dat de steentjes al waren verwijderd. Klagers stellen dat toen al besloten had kunnen worden de steentjes operatief te verwijderen.
5.4. Het college overweegt dat bij de katheterisatie op 13 januari het steentje dat de plasbuis blokkeerde terug in de blaas is gespoeld, waardoor de noodzaak om dit steentje acuut operatief te verwijderen er op dat moment niet was. De hond kon na de behandeling ook weer plassen. Het college acht verdedigbaar dat beklaagde eerst heeft laten onderzoeken om wat voor type steentje het ging alvorens tot een eventuele operatie te besluiten. Afhankelijk van het soort steentje was een blaasoperatie mogelijk niet nodig en daarvoor was eerst een analyse van het vrijgekomen gruis nodig. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat operaties, zeker bij al wat oudere honden, een risico met zich brengen. Hoewel er na de katheterisatie een passagerisico bleef bestaan vanwege de mogelijkheid dat het steentje weer terug in de plasbuis terecht kon komen, acht het college de afweging die beklaagde heeft gemaakt voldoende onderbouwd en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit onderdeel van de klacht wordt ongegrond verklaard.
5.5. Het tweede klachtonderdeel betreft dat beklaagde geen of onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de zeldzame kristallen die zijn vastgesteld bij het urineonderzoek dat op 30 december 2024 plaatsvond. Het college overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat met de term ‘zeldzaam’ in de administratie enkel is gerefereerd aan het zeer beperkte aantal aangetroffen kristalletjes van onbekende structuur. Anders dan klagers hebben begrepen was er geen sprake van zeldzame kristaltypen die tot nader onderzoek noopten. Het college volgt beklaagde in deze uitleg en trekt deze niet in twijfel. Dit onderdeel van de klacht wordt eveneens ongegrond verklaard.
5.6. Het derde klachtonderdeel houdt in dat beklaagde de in nood verkerende hond op 19 januari 2025 niet direct heeft geopereerd. Beklaagde heeft toegelicht dat zij de hond tijdens het spoedspreekuur omstreeks 11.00 uur heeft gezien en dat zij nogmaals de opties heeft besproken: het onder narcose opnieuw katheteriseren, een blaasoperatie of euthanasie. Klaagsters kozen voor een operatie, die diezelfde middag is ingepland om 13.30 uur. Eerder was niet mogelijk vanwege het spreekuur. Beklaagde heeft voor de tussentijd pijnstilling aan de hond toegediend. Kort voor de ingeplande operatie kwam er een spoedgeval de kliniek binnen waardoor de operatie van de hond van klaagsters is uitgesteld en de hond omstreeks 15:30 uur is geopereerd.
5.7. Het college overweegt dat de verstreken tijd tussen het moment waarop is gekozen voor een operatie en de geplande operatie om 13:30 uur niet onredelijk lang is geweest. Weliswaar had de hond al geruime tijd niet meer geplast, maar in deze periode ook nauwelijks gegeten en gedronken. Het even snel tussen de bedrijven door de druk verlichten met een katheterisatie was bij deze hond niet mogelijk en niet gebleken is dat de blaas tijdens het wachten op de behandeling vol was of op knappen stond. Dat de operatie vervolgens werd uitgesteld omdat er een spoedgeval tussen kwam kan beklaagde niet worden verweten en was als uitkomst van de triage begrijpelijk. De hond is hierna alsnog binnen een redelijke termijn behandeld. Beklaagde heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat doorverwijzen naar een andere kliniek op die zondag eveneens tijd had gekost en niet tot een wezenlijk eerdere behandeling elders zou hebben geleid. Alles overziend acht het college ook dit klachtonderdeel ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.