ECLI:NL:TDIVTC:2026:35 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/84

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:35
Datum uitspraak: 09-04-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): 2023/84
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken, subonderwerp: -
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot het welzijn en de gezondheidstoestand van de op een veehouderij aanwezige varkens verwijtbaar nalatig te hebben gehandeld. De klachtambtenaar heeft gevorderd beklaagde een boete van € 3.000 op te leggen en een voorwaardelijke schorsing van één maand met een proeftijd van twee jaar. [Klacht deels gegrond met waarschuwing.]

HET  VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van 

de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15,

tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren,               de klachtambtenaar,

tegen

dierenarts [naam],                                                          beklaagde.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek.

De mondelinge behandeling vond plaats op 28 augustus 2025. Namens de klachtambtenaar is verschenen mr. L. Schleeper, vergezeld door een inspecteur van de NVWA. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. A.H. Blok.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, in de periode van 22 december 2020 tot en met 23 januari 2023 met betrekking tot het welzijn en de gezondheidstoestand van de op een veehouderij aanwezige varkens veterinair nalatig te hebben gehandeld. De klachtambtenaar heeft gevorderd beklaagde een boete van € 3.000 op te leggen en een voorwaardelijke schorsing van één maand met een proeftijd van twee jaar.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De zaak heeft betrekking op een varkenshouderij, waar beklaagde vanaf medio 2019 de vaste (1 op 1) begeleidend en verantwoordelijk dierenarts was, een taak die zij destijds overnam van een collega van de praktijk.  

3.2. De veehouders hielden gemiddeld 5.000 zuigbiggen, 8610 gespeende biggen, 167 opfokvarkens, 2.333 zeugen en enkele beren. Op 23 november 2023 werd het faillissement van de veehouderij uitgesproken. De curator heeft eerst onderzocht of bedrijfsovername mogelijk was. Vanaf 12 december 2022 mocht er niet meer geïnsemineerd worden en werd de focus gericht op bedrijfsbeëindiging op het moment dat de laatste biggen van de op dat moment nog drachtige zeugen afgevoerd konden worden. Dat zou naar verwachting eind mei 2023 zijn.

3.3. Op 23 januari 2023 heeft beklaagde op diens verzoek aan de curator een visitebrief geschreven over de zeugen die individueel in boxen waren gehuisvest. Hierin heeft zij vermeld dat die individuele huisvesting niet is toegestaan, maar ook dat het wijzigen van deze situatie niet mogelijk was, omdat de boxen en vloeren aangepast zouden moeten worden en het loslaten van deze varkens in groepsverband onrust zou veroorzaken en hun welzijn zou aantasten. Op 6 februari 2023 was de laatste bedrijfsvisite van beklaagde voorafgaande aan de inspectie van de NVWA, die ongeveer een week later heeft plaatsgevonden.  

3.4. Op 15 februari 2023  is op de veehouderij door de NVWA een controle verricht naar aanleiding van een anonieme melding over misstanden met betrekking tot de huisvesting van de varkens. De welzijnsinspectie werd uitgevoerd door twee inspecteurs, bijgestaan door enkele collega’s en in aanwezigheid van de bedrijfsleider en de curator.

3.5. De NVWA heeft een berechtingsrapport opgesteld met betrekking tot de uitgevoerde controle. In dat rapport zijn de bevindingen per stal beschreven.

In stal 1 en 2, de zeugenstallen, waren 14 afdelingen met in totaal 1031 zeugen in individuele boxen en 3 beren in individuele boxen. De samenvatting van de geconstateerde omissies in stal 1 en 2 is als volgt:

  • “Alle 1034 aanwezige varkens in stal 1 en 2 hadden niet de beschikking over permanent, schoon en vers drinkwater, waardoor er bij veel dieren ontlastingsproblemen zichtbaar waren.
  • Alle 1031 aanwezige zeugen hadden niet de beschikking over groepshuisvesting en werden langer dan 4 dagen gehuisvest in individuele boxen.
  • Alle 1034 varkens in stal 1 en 2 hadden niet de beschikking over hokverrijkingsmateriaal conform de 9 eisen zoals omschreven in de brochure hokverrijking van de WUR[1].
  • Veel aanwezige zeugen, gehouden in individuele boxen, hadden doorligwonden op de heupen, schouders, rug en rondom de staartaanzet
  • Veel aanwezige zeugen, gehouden in individuele boxen, waren mager en hadden een bodycondition score van 1of 2.
  • Bijna alle aanwezige zeugen, gehouden in individuele boxen, hadden te lange klauwen, waardoor de houding en stand van de zeugen niet normaal was. ”

In stal 3, de kraamafdelingen, waren 12 afdelingen met in totaal 297 zeugen in individuele kraamboxen.

De samenvatting van geconstateerde omissies in stal 3 is als volgt:

  • “Alle 297 aanwezige zeugen in stal 3 hadden niet de beschikking over hokverrijkingsmateriaal conform de 9 eisen zoals omschreven in de brochure hokverrijking van de WUR.
  • Veel aanwezige kraamzeugen hadden doorligwonden op de heupen, schouders, rug en rondom de staartaanzet. 
  • Een klein aantal aanwezige kraamzeugen waren mager en hadden een bodycondition score van 1.
  • Bijna alle aanwezige kraamzeugen hadden te lange klauwen, waardoor de houding en stand van de zeugen niet normaal was.”

In stal 4, de gespeende biggen, waren 20 afdelingen. Het berechtingsrapport vermeldt dat in deze stal geen omissies zijn geconstateerd.

3.6. De inspecteurs hebben aan de curator gevraagd om de administratie van het bedrijf, te weten visitebrieven van 2019 t/m 2023, bedrijfsgezondheid- en bedrijfsbehandelplannen (verder: BGP en BBP) van 2019 t/m 2023, logboeken van 2019 t/m 2023, IKB rapporten van 2018 t/m 2022 en de vee saldo kaarten van 2018 t/m 2022. Begin maart 2023 zijn er administratieve gegeven door de NVWA ontvangen.

3.7. Op basis van de door de NVWA aangetroffen situatie is er op 23 februari 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan de curator ten aanzien van het hokverrijkingsmateriaal, de lichtintensiteit, het drinkwater, de gasconcentraties, nestmateriaal en de grootte van de hokken van de beren. In overleg met de curator is door de toezichthouders besloten om de zeugen tot de sluiting van het bedrijf in de individuele boxen te laten, omdat hun welzijn en gezondheid bij het loslaten in groepshuisvesting niet geborgd kon worden.

3.8. Op 13 maart, 5 april en 3 mei 2023 zijn her-inspecties door de NVWA uitgevoerd.

3.9. Beklaagde is door de NVWA in de gelegenheid gesteld een reactie op de bevindingen te geven en daartoe uitgenodigd op kantoor. Het gesprek verliep volgens beklaagde niet in een goede constructieve sfeer, reden waarom zij niet meer heeft gereageerd op de uitnodiging voor een volgend gesprek. Op basis van het berechtingsrapport van de NVWA is klachtambtenaar hierna de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft in verweer onder andere toegelicht dat de begeleiding van de varkenshouderij werd bemoeilijkt door de afwijkende werkwijze en visie van de veehouder, zoals over het eigen voerconcept, het spaarzaam vaccineren en niet couperen van staarten. Toen zij de bedrijfsbegeleiding overnam was sprake van een scala aan gezondheidsproblemen. De veehouders gaven de dieren verwarmd brijvoer, met het oog op stikstof en ammoniakreductie, waarvoor het bedrijf in 2021 een innovatieprijs ontving. Dit maakte hen minder ontvankelijk voor kritische adviezen over het bedrijfsmanagement. Beklaagde heeft de prioriteit gelegd bij de verbetering van de meest kwetsbare groep; de gespeende biggen en de zeugen en biggen in de kraamstal. Door het afwijkende voerconcept waren de zeugen regelmatig te mager, maar dit leidde niet tot gezondheidsproblemen die verder veterinair ingrijpen vereisten. Beklaagde stelt steeds in gesprek te zijn gebleven met de veehouders en te hebben geadviseerd over maatregelen ter verbetering van de diergezondheid en het voorkomen van ziekteverschijnselen. Nadat de financiële situatie op het bedrijf medio 2022 verslechterde en werd besloten dat het bedrijf zou worden beëindigd, is de diergezondheid drastisch verslechterd. Beklaagde werd toen geconfronteerd met complexe dilemma's met betrekking tot de diergezondheid, terwijl financiële middelen en arbeidskracht onvoldoende meer beschikbaar waren. Zij heeft zich in die laatste fase ingespannen om de diverse diergroepen zo goed mogelijk door deze periode te leiden. Beklaagde stelt dat de situatie ten tijde van het bedrijfsbezoek van de NVWA op 15 februari 2023 allesbehalve exemplarisch was voor de diergezondheidssituatie in de voorafgaande jaren en een onrealistisch en vertekend beeld geeft. Er is volgens beklaagde in die voorgaande periode nimmer sprake geweest van dierverwaarlozing of misstanden van veterinaire aard en de klachtambtenaar heeft daarvoor ook geen of onvoldoende bewijs geleverd.

5. DE BEOORDELING

5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts jegens de dieren in kwestie behoorde te betrachten of dat zij anderszins in strijd heeft gehandeld met hetgeen van haar als diergeneeskundige mocht worden verwacht, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Het college stelt voorop dat er tijdens de inspectie op 15 februari 2023 door de NVWA op de varkenshouderij is vastgesteld dat het welzijn en de gezondheidstoestand van diverse (toen nog aanwezige) varkens waren aangetast. Echter is voor de beoordeling van de klacht met name ook relevant of de geconstateerde bevindingen van de NVWA op die bewuste dag kunnen worden teruggevoerd naar de gehele ten laste gelegde periode van 22 december 2020 tot en met 23 januari 2023, een periode van ruim 2 jaar voorafgaande aan dag van de inspectie.

5.3. De eerste klacht houdt meer algemeen in dat beklaagde onvoldoende actief en concreet heeft aangestuurd op managementmaatregelen ter verbetering van de gezondheid van de varkens op het bedrijf, waardoor de dieren niet de nodige zorg kregen en zij in hun intrinsieke waarde, welzijn en gezondheid werden aangetast. De klachtambtenaar heeft dit uitgesplitst naar een aantal onderwerpen.

5.3.1. Individuele huisvesting

Uit de rapportage van de NVWA volgt dat alle zeugen waren gehuisvest in individuele boxen. Sinds 1 januari 2013 is het niet meer toegestaan dat varkens langdurig in individuele boxen verblijven. Dit volgt uit artikel 2.13, eerste lid Besluit houders van dieren. Beklaagde wist dat dit niet geoorloofd was, maar zag dit niet als het meest dringende probleem – in verhouding tot de andere problemen die vanaf het begin op het bedrijf speelden– omdat er geen wezenlijke gezondheidsproblemen onder de zeugen waren die niet konden worden verholpen. Beklaagde heeft erkend dat zij de veehouders niet heeft aangesproken op de individuele huisvesting.

Het college acht aannemelijk dat de veehouders in verminderde mate open stonden voor adviezen met betrekking tot hun bedrijfsmanagement. Het college begrijpt eveneens dat beklaagde er in de gegeven omstandigheden voor heeft gekozen prioriteit te geven aan de meest kwetsbare groep, de gespeende biggen, wat zij ook met succes heeft gedaan. Dat neemt niet weg dat beklaagde al veel eerder had kunnen en moeten aansturen op het maken van plannen om de huisvestingssituatie van de zeugen te legaliseren. Voor zover beklaagde erop heeft gewezen dat instanties als het IKB toezien op de nalevering van de voorwaarden voor certificering, ontslaat dit een dierrenarts niet van de eigen verantwoordelijkheid voor correcte huisvesting. Dat het later, in de aanloop naar de bedrijfsbeëindiging, voor het welzijn van de zeugen intussen te risicovol was om ze in groepsverband los te laten, betekent niet dat daar niet in een veel eerder stadium op had kunnen worden geacteerd. Het college acht de klacht gegrond met betrekking tot de huisvesting van de zeugen en het niet in een eerder stadium constructief aansturen op wijziging van deze situatie.  

5.3.2. Ontbreken hokverrijkingsmateriaal

Uit de rapportage van de NVWA blijkt dat op 15 februari 2023 de zeugen in stal 1, 2 en 3 de beschikking hadden over afleidingsmateriaal in de vorm van een plastic ring aan een stalen buis, maar dat dit materiaal onvoldoende was en niet voldeed aan de 9 eisen zoals opgesomd in de brochure van de WUR. Ook werden door de NVWA atypische gedragingen onder de varkens in stal 1 en 2 waargenomen, zoals stangbijten of overmatig speekselen, waar in de visitebrieven slechts tweemaal een opmerking over is gemaakt

Beklaagde stelt dat zij niet standaard alle individuele hokken heeft gecontroleerd op hokverrijkingsmateriaal, maar wel altijd als daar aanleiding voor was bij afwijkend gedrag of gezondheidsklachten. Beklaagde stelt dat zij, indien dit nodig was, de veehouder hierop heeft aangesproken en adviezen heeft verstrekt. Naar het oordeel van het college kunnen de in het geding gebrachte foto’s die op 15 februari 2023 zijn gemaakt niet als toereikend bewijs dienen voor de aanname dat er structureel geschikt hokverrijkingsmateriaal ontbrak met bijkomend afwijkend gedrag en, als dat het geval was, beklaagde de veehouder niet zou hebben geadviseerd om dit te verbeteren. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.

5.3.3. Geen beschikking over permanent drinkwater.

Op 15 februari 2023 heeft de NVWA geconstateerd dat de zeugen in stal 1 en 2 niet permanent beschikten over schoon en vers water, dat ze droge mest hadden en dat er veel zeugen een prolaps hadden. In de visitebrieven is wel sporadisch geschreven over de watergift in relatie tot problemen bij de zeugen in de kraamstallen, maar er ontbreken volgens de klachtambtenaar adviezen ter verbetering.

Met beklaagde is het college van oordeel dat de eenmalige constatering van de NVWA in de dragende zeugenstal op 15 februari 2023 niets zegt over de andere stallen, noch over de situatie in de voorgaande periode in de zin dat er sprake is geweest van een structureel probleem. Beklaagde stelt voorheen nimmer gebreken met betrekking tot de waterafgifte te hebben geconstateerd en ook geen verhoogd aantal prolapsen of droge mest.

De verplichting dat varkens permanent moeten kunnen beschikken over drinkwater is neergelegd in artikel 2.26, tweede lid, Besluit houders van dieren. Tijdens de controle op 15 februari 2023 is in dat kader alleen een tekortkoming geconstateerd in stal 1 en 2. Bij de drie hierna verrichte (her)inspecties waren er geen problemen met het drinkwater. Hiernaast geldt dat het ontstaan van een prolaps bij varkens meerdere oorzaken kan hebben en niet altijd door een gebrek aan water hoeft te komen. Het college acht niet bewezen dat er structureel sprake was van het niet kunnen beschikken over voldoende drinkwater. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.

5.3.4. Slechte fysieke gezondheid varkens

Door de NVWA zijn op 15 februari 2023 diverse problemen vastgesteld op het gebied van klauwgezondheid, verwondingen en de voedingsconditie van varkens. Er werden meerdere zeugen aangetroffen met (extreem) lange klauwen en een afwijkende stand van de poten. In de visitebrieven worden volgens de klachtambtenaar hierover door beklaagde

nauwelijks opmerkingen gemaakt en ontbreekt het aan adviezen ter verbetering.

Voor wat betreft de te lange klauwen overweegt het college dat het individueel constateren en behandelen van klauwen vrijwel onmogelijk is bij een dergelijk groot bedrijf waar de dierenarts twaalf keer per jaar komt, dat klauwproblemen ook voorkomen bij varkens die in groepsverband leven en opgelost zouden moeten worden door aanpassing van het voerschema, wat maanden duurt en feitelijk slechts nieuwe gevallen voorkomt. Beklaagde heeft verder toegelicht dat de wijze van voeren erg kwetsbaar was en soms heeft geleid tot magere varkens en dat zij op die momenten de veehouders daarop heeft aangesproken. Als bij bezoeken bijvoorbeeld bleek dat sprake was van ernstige doorligplekken, gaf zij de veehouder de keuze tussen of behandelen en resultaten afwachten of euthanasie. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de sterftecijfers niet hoger waren dan gemiddeld.

De klachtambtenaar heeft zich meer algemeen op het standpunt gesteld dat beklaagde veel eerder had behoren in te grijpen althans melding van diermishandeling had behoren te maken volgens de ’meldcode dierenmishandeling’ van de KNMvD  (bijv. aan de dierenbescherming of de NVWA). Naar het oordeel van het college is evident is dat de bedrijfssituatie zorgelijk werd nadat er financiële problemen ontstonden, echter staat daarmee nog niet vast dat in die voorliggende periode, vanaf december 2020, op de varkenshouderij sprake is geweest van daadwerkelijke dierverwaarlozing en misstanden, zodanig dat beklaagde daar melding van had behoren te maken, noch dat zij in die voorliggende periode heeft nagelaten diergeneeskundige zorg te verlenen waar dit geboden was om het dierenwelzijn zo goed mogelijk te borgen.

5.4. De tweede klacht betreft het niet handelen conform de BGP’s van 2021 en 2022. Beklaagde wordt in dat verband verweten dat uit deze plannen volgt dat euthanasie in overleg met de dierenarts plaatsvindt, maar dat dit niet daadwerkelijk gebeurde. De NVWA heeft ten aanzien van vier varkens vastgesteld dat deze in een zodanig slechte conditie verkeerden, dat deze direct geëuthanaseerd dienden te worden en dat de bedrijfsleider kennelijk niet zelf in staat was om te beoordelen wanneer euthanasie geïndiceerd was. Voor zover de NVWA heeft geconcludeerd dat er vier varkens geëuthanaseerd hadden moeten worden, geldt dat dit buiten de ten laste gelegde periode is vastgesteld, te weten tijdens latere controles op 13 maart 2023 (twee stuks) en op 3 mei 2023 (twee stuks) en dat uit het verslag van de controle op 15 februari 2023 niet blijkt dat er toen dieren waren die geëuthanaseerd hadden moeten worden. Hiernaast heeft beklaagde gesteld dat bij de bedrijfsbezoeken werd beoordeeld of er dieren voor euthanasie in aanmerking kamen en dat, indien zij constateerde dat dit het geval was, de veehouder, die hiertoe de bevoegdheid had, dit deed en dat hierover waar nodig dus wel degelijk overleg was. De klachtambtenaar en beklaagde hebben verder een andere visie op hoe de conditiescores in het BGP geïnterpreteerd moeten worden en er zijn geen vaste voorschriften over wanneer welke score toegekend moet worden. In ieder geval is niet gebleken dat er binnen de ten laste gelegde periode dieren eerder hadden moeten worden geëuthanaseerd en dat daar geen overleg over plaatsvond en niet conform de BGP’s werd gehandeld. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.

5.5. De derde klacht betreft dat beklaagde onvoldoende administratie heeft bijgehouden. De klachtambtenaar verwijt beklaagde dat haar visitebrieven te summier waren waar het de algehele gezondheids- en welzijnssituatie van de dieren en actiepunten betrof. De visitebrieven betreffen vooral de kraamstal en de gespeende biggen en nauwelijks de andere zeugen.

Beklaagde heeft daarover verklaard dat zij de meest kwetsbare groepen de meeste aandacht gaf en dat die groepen daarom uitgebreider in de visitebrieven zijn beschreven. De andere afdelingen bezocht zij echter ook en als er aanleiding voor was, maakte ze daar ook opmerkingen over. Zij stelt verder dat de door de klachtambtenaar genoemde Richtlijn verslaglegging van de KNMvD alleen aanbevelingen bevat en dat deze in de praktijk niet uitvoerbaar is op detailniveau. Ook is opgemerkt dat het weinig zinvol is om de tekortkoming over de individuele huisvesting iedere maand opnieuw in het verslag te vermelden.

5.6. Het college overweegt dat er geen dwingende voorschriften zijn over hoe gedetailleerd en specifiek een visiteverslag en een BGP dienen te zijn. Aan de klachtambtenaar kan echter worden toegegeven dat deze hier aan de summiere kant waren, maar het college ziet onvoldoende aanleiding om daar in dit geval tuchtrechtelijke consequenties aan te verbinden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat beklaagde, ondanks de summiere documentatie, het college er voldoende van heeft overtuigd dat zij zich feitelijk voldoende heeft ingespannen om de diergezondheid en het dierenwelzijn op het bedrijf te borgen en met de varkenshouder overleg voerde en over actiepunten ter verbetering heeft gesproken, zoals over het belang van een verantwoord voerconcept, stalklimaat, hokinrichting, hokverrijkingsmateriaal, watergift en de invloed van deze factoren op het voorkomen van ziekteverschijnselen. Hiernaast geldt dat beklaagde zelf erkent dat haar verslaglegging van de bedrijfsbezoeken uitgebreider en concreter had gekund, wat ook geldt voor de BGP's en de opvolging van actiepunten daarin. Dit heeft ertoe geleid dat op eigen initiatief bijvoorbeeld de sjablonen van de visitebrieven en BGP’s zijn aangepast en in administratieve zin de nodige verbeteringen zijn doorgevoerd, waarmee beklaagde zich transparant, reflecterend en leerbaar heeft getoond voor de toekomst. 

5.7. Samenvattend wordt de eerste klacht gegrond verklaard, betrekking hebbend op de ongeoorloofde individuele huisvesting. Voor het overige geldt dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de aanloop naar en na het faillissement niet wezenlijk meer invloed heeft kunnen uitoefenen op verbetering van de bedrijfssituatie en dat zij heeft gedaan wat in redelijkheid toen nog binnen de beperkte (financiële) mogelijkheden lag en ondanks de belemmeringen die zij ondervond. Hiernaast acht het college onvoldoende onderbouwd en niet bewezen dat de op 15 februari 2023 aangetroffen situatie representatief was voor de voorgaande jaren en dat in die voorliggende periode sprake is geweest van een verwijtbaar tekortschieten in de veterinaire begeleiding van het bedrijf, althans niet zodanig dat dit tuchtrechtelijke consequenties zou moeten hebben.

5.8. Op grond van het voorgaande wordt door het college als volgt beslist.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond voor wat betreft het niet constructief adviseren met betrekking tot de individuele huisvesting van de varkens;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-Van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

[1] Wageningen University & Research