ECLI:NL:TDIVTC:2026:34 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2025/56
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-08-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2025/56 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten te zijn tekortgeschoten in de behandeling van een hond door ten onrechte de medicatie Furosoral volledig af te bouwen, naast dat haar verwijten worden gemaakt met betrekking tot de euthanasie van de hond. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] klager,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Beide partijen zijn verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, te zijn tekortgeschoten in de behandeling van de hond van klager door ten onrechte de medicatie Furosoral volledig af te bouwen, naast dat haar verwijten worden gemaakt met betrekking tot de euthanasie van de hond.
DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een Chihuahua (reu)), die elf jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedure hebben geleid.
3.2. Klager is op 20 december 2024 voor het eerst op consult geweest bij de kliniek van beklaagde. Na onderzoek is door beklaagde vastgesteld dat de hond een lekkende hartklep had (myxomateuze klepdegeneratie, stage C1 met mogelijk PH) en is in dat verband Vetmedin en Furosoral 10 mg (REG NL 113962) voorgeschreven. Bij dit consult is aan klager geadviseerd om de zogeheten ‘CEVA’-app te downloaden om de ademhaling van de hond in rust goed te kunnen tellen.
3.3. In de periode hierna is klager nog enkele keren bij de kliniek geweest. Tijdens een consult op 17 januari 2025 bij een collega van beklaagde is na bloedonderzoek vastgesteld dat de kaliumwaarde laag was en dat de oorzaak daarvan het gebruik van Furosoral zou kunnen zijn of de diarree die de hond op dat moment had. Op 27 januari 2025 is klager op consult geweest bij een andere collega van beklaagde, waarbij ook een bloedonderzoek is uitgevoerd.
3.4. Op 25 februari 2025 is klager met de hond op consult bij beklaagde geweest, waarbij een echo is gemaakt ter controle van het hart. Volgens beklaagde heeft zij, nadat klager zelf het afbouwen van Furosoral aan de orde had gesteld, voorgesteld af te bouwen naar de laagst mogelijke dosering (1/4 tablet) , zolang de ademhalingsfrequentie (RR) niet zou gaan stijgen. Klager zou de ademhalingsfrequentie wel moeten blijven controleren. Die bedroeg op dat moment 22 slagen per minuut. Volgens de patiëntenkaart is dit advies een dag later telefonisch herhaald en is genoteerd dat klager contact moest opnemen als de ademhalingsfrequentie boven de 30 slagen per minuut kwam of plotseling zou stijgen.
3.5. Op 25 maart 2025 heeft klager nog 2 strippen Furosoral met elk 10 tabletten van 10 mg op de praktijk afgehaald met de instructie om aan de hond eenmaal daags ¼ tablet toe te dienen. Volgens klager heeft de assistente toen na overleg met beklaagde tegen hem gezegd dat, als de strippen op waren, hij kon stoppen met Furosoral. Klager stelt dat hij deze medicatie op 5 mei 2025 voor het laatst aan de hond heeft gegeven.
3.6. Op zaterdag 10 mei 2025 is klager naar de spoeddienst gegaan, omdat het niet goed ging met de hond. Daar heeft de hond twee injecties Furosoral gekregen (vanwege kortademigheid) en werd Furosoral meegegeven met het advies om op de daarop volgende maandag naar de eigen dierenarts, zijnde beklaagde, te gaan.
3.7. Tijdens een consult op maandag 12 mei 2025 heeft beklaagde de hond klinisch onderzocht, een ECG en röntgenfoto’s gemaakt. Vervolgens heeft zij opnieuw een injectie Furosoral aan de hond toegediend. Ook is de hond gedurende de dag op de kliniek opgenomen en in een zuurstofkooi geplaatst. Bij het ophalen van de hond is aan klager geïnstrueerd om de hond tweemaal daags 1 tablet Furosoral (10 mg) toe te dienen en zijn er 10 tabletten aan klager meegegeven.
3.8. Een week later, op maandag 19 mei 2025, heeft klager met de kliniek gebeld omdat het niet goed ging met de hond en gaf hij aan dat het misschien tijd was om hem te laten inslapen. Er is aangeboden dat klager met de hond een half uur later kon komen, maar dat vond klager te snel. Klager vroeg aan de assistente of de hond de volgende ochtend bij hem thuis geëuthanaseerd kon worden. Er is een huisbezoek ingepland voor de volgende dag om 10.30 uur, dat later weer is omgezet naar een consult die volgende dag op de kliniek.
3.9. Die volgende dag om 10.30 uur is klager met de hond op consult gekomen bij beklaagde, die direct constateerde dat er sprake was van ernstige dyspneu (benauwdheid), waarbij de vena jugularis (halsader) zichtbaar was. Beklaagde kon op basis van haar bevindingen instemmen met euthanasie. Het had echter haar voorkeur om dit direct in de kliniek te doen, maar klager wilde dat liever bij hem thuis. Hiermee is beklaagde akkoord gegaan. Het aanbod om nog een injectie Furosoral toe te dienen werd door klager afgewezen. Omstreeks 11:15 uur was beklaagde bij klager thuis en heeft zij na aankomst vrijwel direct intramusculair een eerste injectie met Zoletil (REG NL 115916) toegediend aan de hond, die op schoot zat bij klager. Hierna is beklaagde naar buiten gegaan vanwege haar astma en omdat de woning rokerig was. De hond maakte volgens klager angstaanjagende piep- en stikgeluiden. Na enkele minuten kwam beklaagde terug en vroeg zij klager om de hond buiten in de tuin te leggen, wat klager weigerde. Klager wilde dat de hond op zijn schoot bleef liggen. Beklaagde heeft vervolgens zonder gebruikmaking van een braunule intraveneus Euthasol toegediend in de voorpoot van de hond. Vervolgens is beklaagde weer naar de tuin gegaan, om even later terug te komen om naar het hart te luisteren en vast te stellen dat de hond was overleden. Vervolgens heeft beklaagde de woning van klager verlaten.
3.10. In juni 2025 heeft beklaagde over het handelen van beklaagde een klacht ingediend bij de kliniek. Het antwoord daarop was voor klager niet bevredigend. Hierna is de onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In geschil is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, zoals bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag hoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. In het eerste klachtonderdeel wordt beklaagde verweten ten onrechte te hebben beslist tot het volledig afbouwen van Furosoral. Klager stelt dat op 25 maart 2025 door de assistente, na overleg met beklaagde, is aangegeven dat hij het gebruik van deze medicatie moest afbouwen en daarmee volledig moest stoppen als de meegegeven strippen op waren. Beklaagde heeft dit betwist en gesteld dat klager de instructie heeft gekregen om geleidelijk af te bouwen tot ¼ tablet per dag, zolang de ademhaling niet boven de 30 slagen per minuut kwam. Beklaagde heeft voorts aangevoerd dat een dergelijk medicatieadvies nimmer door een paraveterinair wordt bepaald. Het college overweegt dat partijen over het (vermeende) advies om de Furosoral (tot nul) af te bouwen tegenstrijdige lezingen hebben gegeven. Om die reden en bij gebrek aan aanvullend bewijs kan dit niet tot een gegronde klacht leiden. Overigens wijzen de aantekeningen in de patiëntenkaart er niet op dat het advies is gegeven om af te bouwen naar nul. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.5. Het tweede klachtonderdeel betreft de euthanasie, waarbij beklaagde met name een gebrek aan communicatie en empathie en een te snel uitgevoerde euthanasie met onaangename nevenverschijnselen wordt verweten. In dat verband geldt in de eerste plaats dat het college niet oordeelt over verwijten die zien op de communicatie met en bejegening van een diereigenaar die geen invloed hebben gehad op de zorg voor het dier. Niet gebleken is dat de wijze van communiceren door beklaagde van invloed is geweest op de uitvoering van de euthanasie. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht hoe zij deze heeft uitgevoerd. De toegediende Zoletil betreft geen slaapmiddel maar een pre-narcosemiddel, waardoor een dier niet volledig buiten bewustzijn raakt. Met het middel wordt beoogd dat het te euthanaseren dier in het verdere proces geen pijn zal ervaren. De keuze voor dit middel is naar het oordeel van het college afdoende onderbouwd. De hond was benauwd, tegen het cyanotische aan. Verder geldt dat bij het toedienen van een sedatiemiddel, zeker wanneer dit intramusculair gebeurt, niet altijd kan worden voorkomen dat een dier hierop reageert met geluiden of een schrikreactie. Niet gebleken is dat de reactie van de hond op de intramusculair toegediende injectie door foutief of ondeskundig handelen van beklaagde is veroorzaakt, noch is vast komen te staan dat de hond hierdoor pijn heeft geleden. Ook dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. B.J.A. Langhout–Mak, drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.