ECLI:NL:TDIVTC:2026:32 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2025/1
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-05-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2025/1 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten dat hij ten aanzien van een rund een noodslachtverklaring onjuist, althans lichtvaardig heeft ingevuld en afgegeven en dat hij de noodslachting heeft uitgevoerd terwijl niet aan de daarvoor geldende vereisten was voldaan, omdat het rund zich nog in de wachttijd van een diergeneesmiddel bevond. De klachtambtenaar heeft verzocht beklaagde een voorwaardelijke schorsing van één maand op te leggen. [Klacht gegrond zonder maatregel.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren,
hierna: de klachtambtenaar
tegen
dierenarts [naam],
hierna: beklaagde
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig mr. L. Schleeper als gemachtigde van de klachtambtenaar. Beklaagde was eveneens aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat, mr. N. Bouwman. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat hij ten aanzien van een rund het document ‘Officieel certificaat in geval van noodslachting’ (hierna: noodslachtverklaring) onjuist, althans lichtvaardig heeft ingevuld en afgegeven en dat hij de noodslachting van het rund heeft uitgevoerd, zonder dat aan de daarvoor gestelde vereisten was voldaan, omdat het rund zich nog in de wachttijd van een diergeneesmiddel bevond. De klachtambtenaar heeft verzocht beklaagde een voorwaardelijke schorsing van één maand op te leggen.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Op 11 maart 2024 heeft beklaagde een noodslachting verricht bij een rund op een melkveebedrijf (hierna: de rundveehouder). Het rund is op dezelfde dag aangeboden aan het slachthuis, vergezeld van een Voedsel Keten Informatie (VKI) formulier en een noodslachtverklaring. In het VKI-formulier is opgenomen dat de koe op 26 februari 2024 was behandeld met het middel Novem (Reg NL 10219). Beklaagde heeft het voor hem bestemde deel van de noodslachtverklaring ingevuld en ondertekend. Daaruit volgt dat hij ten aanzien van het dier verklaart dat er, voor zover hem bekend, vanuit registers en documenten betreffende dit dier, uit oogpunt van de volksgezondheid geen bezwaren zijn tegen het in keuring nemen van het dier en het mogelijk geschikt verklaren van het vlees voor menselijke consumptie.
3.2. Nadat de op het slachthuis werkzame keuringsdierenarts had geconstateerd dat voor het in het VKI-formulier genoemde middel Novem een wachttermijn voor vlees gold van 15 dagen en die termijn op de dag van de noodslachting nog niet was verstreken, is een melding ‘dubieuze VKI’ gedaan, wat voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) aanleiding heeft gevormd een onderzoek te starten.
3.3. Op 20 maart 2024 hebben twee inspecteurs van de NVWA een inspectie uitgevoerd op het bedrijf van de rundveehouder. De inspecteurs hebben inzage gekregen in de agenda en logboekadministratie (hierna: de medicijnregistratie). Hierin stond vermeld – voor zover in deze zaak van belang – dat het rund op 26 februari 2024 20 cc Novem toegediend had gekregen. De rundveehouder heeft tijdens een verhoor door de NVWA verklaard dat de koe deze medicatie kreeg vanwege een uierontsteking, die op het moment van de noodslachting echter was genezen. De rundveehouder heeft erkend dat de koe te vroeg naar het slachthuis is afgevoerd en dat hij de wachttijd op de verpakking niet goed had gelezen en abusievelijk de wachttijd voor varkens had aangehouden. Hij stelt hier pas achter te zijn gekomen toen hij een andere koe met Novem behandelde en tot die tijd nog niet wist waarom de koe waar het hier om gaat was afgekeurd. Volgens de rundveehouder is een vergissing gemaakt en was er geen sprake van het bewust binnen de wachttermijn afvoeren van de koe naar het slachthuis.
3.4. Op 12 april 2024 is beklaagde door de NVWA gehoord. Beklaagde heeft daarbij verklaard dat de veehouder serieus en secuur werkt, ook met betrekking tot de administratie van toegediende diergeneesmiddelen. Beklaagde heeft erop gewezen dat de rundveehouder vanuit zijn voormalige functie als gemeenteraadslid gewend is om zorgvuldig te werken en dat er op het bedrijf zorgvuldig met de koeien wordt omgegaan. Beklaagde stelt dat de veehouder hem heeft verteld dat het rund niet meer in een wachttijd zat met betrekking tot toegepaste diergeneesmiddelen en dat er voor hem, beklaagde, geen aanleiding was om de administratie daarover in te zien. Beklaagde heeft desgevraagd onder meer verklaard bekend te zijn met vraag 8 zoals vermeld op het noodslachtformulier en dat hij van de rundveehouder had gehoord dat de koe was afgekeurd. Beklaagde heeft erop gewezen dat er een boete van € 5.000 is opgelegd aan de rundveehouder, die met zijn familie in een moeilijke situatie verkeerde waarbij het voortbestaan van het bedrijf onzeker was en waardoor deze er zijn hoofd waarschijnlijk niet helemaal bij heeft gehad. Beklaagde heeft tevens verklaard dat de boete grote impact op de familie van de veehouder heeft en dat hij die boete erger vindt dan het feit dat er tegen hem een rapport is opgemaakt in het kader van een tuchtprocedure.
3.5. Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De NVWA heeft daarin geconcludeerd dat tijdens de ante mortem keuring de registers (logboeken) niet zijn ingezien door beklaagde en dat ingevolge vraag 8 in het ‘Officieel certificaat in geval van noodslachting’ onder het gedeelte ‘Officiële dierenarts’ dit register wel door beklaagde had moeten worden geraadpleegd. De klachtambtenaar heeft op basis van het berechtingsrapport besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Naar de kern genomen komt dat verweer erop neer dat hij naar eer en geweten heeft gehandeld en dat uit de algemene zorgplichtnorm van artikel 4.2 van de Wet dieren niet voortvloeit dat een dierenarts gehouden is de medicijnregistratie van een rundveehouder te controleren in de situatie waarin de rundveehouder expliciet verklaart dat het betrokken rund niet in een wachttermijn zit met betrekking tot toegediende medicatie. Beklaagde stelt dat een veroordeling in strijd met het legaliteitsbeginsel is, nu een dergelijke verplichting nergens duidelijk staat beschreven.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het rund in kwestie of dat hij op andere wijze is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is bepaald dat deze artikelen ook betrekking hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.
5.2. De klachtambtenaar heeft onder meer gesteld dat beklaagde, door als dierenarts zelf geen administratieve controle te doen om de mededeling van de rundveehouder te verifiëren, op basis van ontoereikend onderzoek ten onrechte heeft geconcludeerd dat het rund voor noodslachting in aanmerking kwam. Hierdoor is een risico voor de dier- en volksgezondheid ontstaan en het vertrouwen in de beroepsgroep van dierenartsen geschaad, aldus de klachtambtenaar.
5.3. Het college stelt bij het beoordelen van de klacht het volgende voorop. Een noodslachting van een rund buiten het slachthuis wordt verricht door een dierenarts. Ingevolge het bepaalde in de Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 gelden daarbij voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat tot een noodslachting mag worden overgegaan. Zo moet het gaan om een dier dat een ongeval heeft gehad waardoor het om welzijnsredenen niet naar het slachthuis kan worden vervoerd, maar voor het overige gezond is. Alvorens een noodslachting uit te voeren, moet de dierenarts een zogenoemde ‘ante mortem keuring’ van het (nog levende) rund ter plaatse verrichten. De dierenarts beslist daarbij of aan de voorwaarden voor noodslachting is voldaan en of het dier voor het overige gezond is. Volgens vaste rechtspraak is de dierenarts verplicht om ten behoeve van een ante mortem keuring een anamnese af te nemen en een zorgvuldig klinisch onderzoek te verrichten naar de algemene gezondheidstoestand van het rund. Om gezond te mogen worden verklaard, moet het dier tevens vrij zijn van geneesmiddelresiduen waarvoor een wachttijd geldt en dienen wachttermijnen in acht te worden genomen.
5.4. Na te hebben beslist dat aan de voorwaarden voor noodslachting is voldaan en het dier voor het overig klinisch gezond is bevonden, dient de dierenarts het voor hem/haar bestemde deel van de noodslachtverklaring volledig in te vullen. Volgens vaste rechtspraak zijn de juistheid en volledigheid van verklaringen als de onderhavige van groot belang in het kader van het systeem van de georganiseerde gezondheidszorg voor dieren in Nederland.
5.5. Vaststaat dat de noodslachting van het betreffende rund door beklaagde op 11 maart 2024 heeft plaatsgevonden en daarmee binnen de geldende wachttijd van vijftien dagen voor vlees van het op 26 februari 2024 aan het rund toegediende geneesmiddel Novem. Hierom kwam het rund niet voor noodslachting in aanmerking en had beklaagde daar niet toe mogen overgaan. Ook staat vast dat beklaagde voorafgaand aan de noodslachting van het rund de medicijnregistratie niet heeft opgevraagd en niet heeft ingezien.
5.6. De vraag die hier speelt is of beklaagde mocht afgaan op de verklaring van de rundveehouder of dat hij dit zelf had moeten verifiëren door de medicijnregistratie van de rundveehouder te raadplegen. Het college oordeelt dat beklaagde deze verificatie had moeten uitvoeren om te voorkomen dat het rund op het slachthuis ten onrechte geschikt zou kunnen worden verklaard voor menselijke consumptie. Daarbij heeft de klachtambtenaar er terecht op gewezen dat deze verplichting volgt uit Verordening (EU) 2017/625 in samenhang gelezen met artikel 5 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/624, waarin is opgenomen dat een dierenarts bij een ante mortem keuring op het bedrijf een controle moet uitvoeren van de ‘registers en documentatie van het bedrijf van herkomst, met inbegrip van verificatie van informatie over de voedselketen’. Door zonder nader onderzoek enkel af te gaan op de verklaring van de rundveehouder, heeft beklaagde niet de zorgvuldigheid betracht die van hem mocht worden verwacht alvorens te besluiten tot de noodslachting. Hieraan kan niet afdoen de stelling van beklaagde dat er al jarenlang een vertrouwensband tussen hem en de veehouder bestond. Immers kan ondanks die vertrouwensband niet worden uitgesloten dat de veehouder onjuist of onvolledig verklaart of zich vergist in de geldende wachttijd voor een toegepast diergeneesmiddel. De klacht wordt dan ook gegrond verklaard.
5.7. Beklaagde heeft nog aangevoerd dat een veroordeling in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel omdat de verplichting tot het controleren van de medicijnregistratie ten tijde van de noodslachting nergens (expliciet) stond vermeld. Het college volgt beklaagde daarin niet, nu de verplichting uit de hiervoor genoemde Europese wet- en regelgeving volgt. Wel houdt het college rekening met het feit dat dit vereiste binnen de beroepsgroep in de hier in het geding zijnde periode kennelijk niet of onvoldoende bekend was en er van overheidswege of door bijv. beroepsorganisaties weinig lijkt te zijn gedaan om dit vereiste bij de beroepsgroep onder de aandacht te brengen. Het college heeft in zijn uitspraak van 17 december 2024, gepubliceerd 30 januari 2025 op www.tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TDIVTC:2024:39, geoordeeld dat een dierenarts tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt als niet de medicijnregistratie wordt gecontroleerd alvorens te beslissen of een rund voor noodslachting in aanmerking komt. Het college acht het redelijk om in ieder geval vanaf de publicatiedatum van die uitspraak, 30 januari 2025, van dierenartsen te mogen verwachten te weten wat de norm in dezen is en dat die tevens de controle van het medicijngebruik bij de veehouder omvat. Nu deze zaak zich voor die datum heeft afgespeeld, ziet het college af van het opleggen van een maatregel.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond;
ziet af van het opleggen van een maatregel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.32 van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats, drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en drs. I. Hens en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.