ECLI:NL:TDIVTC:2026:31 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2023/66
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2023/66 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Hond. Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat hij bij de hond van klaagster wonden heeft gehecht zonder sedatie, dat hij de hond met een te zware ademhaling mee naar huis heeft gegeven, geen aanvullende pijnmedicatie heeft voorgeschreven en niet adequaat heeft gereageerd op telefonische meldingen van klaagster. [Klacht deels gegrond met waarschuwing.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift en de repliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Klaagster is verschenen, evenals beklaagde, bijgestaan door mr. I.E. Boissevain. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat hij bij de hond van klaagster wonden heeft gehecht zonder sedatie, dat hij de hond met een te zware ademhaling mee naar huis heeft gegeven, geen aanvullende pijnmedicatie heeft voorgeschreven en niet adequaat heeft gereageerd op telefonische meldingen van klaagster.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Jack Russel (teef) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die 1 jaar en 10 maanden oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Op vrijdag 11 augustus 2023 belde klaagster met de praktijk van beklaagde - niet haar eigen dierenarts - vanwege verwondingen die haar hond had opgelopen nadat ze van een boot was gevallen en onder water met haar kop tegen de motor van de boot was gekomen. Klager kon direct met de hond naar de praktijk komen en is daar omstreeks 10.30 uur aangekomen. De hond is vrijwel direct door beklaagde in behandeling genomen.
3.3. Beklaagde heeft bij zijn klinisch onderzoek geconstateerd dat de hond in shock was. De hond had een lichaamstemperatuur van 36 ° Celsius, bleke slijmvliezen, een trage hartslag en was non-responsief. De spierspanning was niet weggezakt en de hond kon haar kop nog omhoog houden. Beklaagde heeft de wonden schoon- en drooggemaakt, ontsmet en vervolgens gehecht. De gehechte wonden bevonden zich aan de huid van de linkeroogkas (een wond van circa 5 cm) en aan de huid van de bek (2 hechtingen). Daarnaast had de hond een verwonding aan een poot en schaafwonden. Na overleg is de hond opgenomen.
3.4. Beklaagde heeft de hond opgewarmd en de bloeddruk gestabiliseerd. Er is intramusculair een injectie Dexamethason gegeven in verband met de shock. Daarnaast heeft beklaagde intramusculair een injectie Atropine toegediend om de hartslag omhoog te krijgen. Ook zijn een langwerkend en een kortwerkend antibioticum en vitamines toegediend. Tijdens de opname heeft de hond ook drie keer subcutaan vocht gekregen. Volgens beklaagde knapte de hond gedurende de dag op, wat onder andere bleek uit de slijmvliezen die steeds meer roze kleurden. Omstreeks 22.00 uur heeft beklaagde de hond voor het laatst gecontroleerd voor de nacht.
3.5. Op zaterdag 12 augustus 2023 was de hond volgens beklaagde voldoende opgeknapt, at en dronk ze en heeft hij klaagster laten weten dat de hond opgehaald kon worden. Bij het ophalen in de ochtend heeft beklaagde klaagster gewezen op het risico op longproblemen omdat de hond onder water was geweest, waardoor de hond benauwd kon worden en dat klaagster dan contact moest opnemen. Beklaagde heeft nog een antibioticumkuur (Amoxicilline) meegegeven.
3.6. Klaagster stelt dat ze in de middag van 12 augustus 2023 tweemaal heeft gebeld met de praktijk. Omstreeks 16.30 uur heeft klaagster telefonisch gesproken met beklaagde. Partijen verschillen van mening over de exacte inhoud van dat gesprek. Klaagster stelt te hebben aangegeven dat het slechter ging en dat de hond slomer was en niet at. Beklaagde stelt dat hij heeft nagevraagd of de hond verslechterd was sinds die ochtend en na het ontkennende antwoord daarop geadviseerd heeft om af te wachten. Beklaagde heeft geen consult aangeboden en klaagster heeft ook niet om een consult gevraagd.
3.7. Op zondag 13 augustus 2023 verslechterde de situatie. In de avond is klaagster naar de dienstdoende spoedkliniek in [plaatsnaam 1] geweest. De hond is daar klinisch en röntgenologisch onderzocht en heeft een shockinfuus gekregen. Volgens klaagster is aldaar vastgesteld dat er sprake was van een longontsteking met vocht in de longen, maar deze diagnose staat niet in de patiëntenkaart. Vervolgens is de hond verwezen naar een dierenkliniek in [plaatsnaam 2] voor intensive care. Bij die kliniek heeft klinisch onderzoek, echografisch onderzoek en bloedonderzoek plaatsgevonden en is de hond opgenomen. De hond is op dinsdagmorgen 15 augustus 2023 overleden. Het is niet duidelijk geworden waaraan.
3.8. Op 14 augustus 2023 heeft klaagster beklaagde telefonisch op de hoogte gebracht van de opname en het overlijden van de hond. Eind augustus 2023 heeft klaagster beklaagde aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. Ongeveer een maand later is onderhavige tuchtklacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. Het eerste klachtonderdeel betreft dat beklaagde de wonden van de hond heeft gehecht zonder sedatie/narcose of (plaatselijke) verdoving. Beklaagde heeft dit erkend en bevestigt dat hij klaagster hierin geen keuze heeft gegeven.
5.5. Het college volgt beklaagde in zijn argumentatie dat narcose bij een dier in shock significant hogere risico’s meebrengt. Beklaagde heeft verder enkel in de huid gehecht en voor wat betreft lokale verdoving of hechten zonder lokale verdoving overweegt het college dat beide opties gepaard gaan met het meerdere keren moeten prikken in de huid. Met beklaagde is het college van oordeel dat de meerwaarde van lokale verdoving ten opzichte van het hechten zonder verdoving gering en de belasting voor de hond vrijwel gelijkwaardig is in het geval er slechts een beperkt aantal huidhechtingen gezet moet worden, zoals hier het geval was. Nu niet is gebleken dat de hond hierdoor in haar welzijn is geschaad, treft beklaagde hierin naar het oordeel van het college geen tuchtrechtelijk verwijt. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.
5.6. Het tweede klachtonderdeel betreft dat beklaagde geen pijnstillende medicatie heeft meegegeven bij het ontslag van de hond uit de opname. In dat verband heeft beklaagde ter zitting toegelicht dat de hond in de ochtend in haar hok zat en wat had gegeten. Het college acht in dit geval niet verwijtbaar dat beklaagde de hond na de opname met de toediening van 24 uur werkzame Dexamethason en na de constatering dat de wonden gesloten waren, geen verdere pijnstilling heeft meegegeven. Ook hier is niet gebleken dat de hond hiervan nadeel heeft ondervonden of in haar welzijn is geschaad. Het college acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.
5.7. Het derde klachtonderdeel betreft het meegeven van de hond uit de opname, terwijl ze nog een zware ademhaling had. Klaagster vond dat de hond bij het ophalen erg sloom was en erg moeizaam ademde. Beklaagde heeft aangegeven dat de hond in de ochtend in haar hok zat en wat heeft gegeten en dat er geen sprake van een zware ademhaling.
5.8. Het college stelt vast dat er tegenspraak is tussen partijen over of de hond al dan niet een zware ademhaling had ten tijde van het ontslag uit de opname op die zaterdagochtend omstreeks 11.00 uur. Het college leest in de patiëntenkaart van de opvolgend dierenkliniek in [plaatsnaam 1] dat op zondagavond door klaagster aldaar is aangegeven dat de hond sinds die zondag kortademig was en steeds suffer werd. Tevens staat daarin vermeld dat de hond die zondagavond ook omviel en dat toen met spoed is gebeld. Dit duidt er naar het oordeel van het college niet op dat de klachten met betrekking tot de kortademigheid al aanwezig waren op het moment van ontslag uit de opname op zaterdagmorgen. Dit onderdeel van de klacht wordt daarom eveneens ongegrond verklaard.
5.9. Het vierde klachtonderdeel betreft het onvoldoende reageren op de telefonische meldingen van klaagster in de middag na het ontslag. Niet in geschil is dat klaagster niet heeft gevraagd om een consult, maar dat beklaagde dit ook niet actief heeft aangeboden.
5.10. Het college neemt in aanmerking dat beklaagde klaagster bij het ophalen van de hond heeft gewaarschuwd voor mogelijke complicaties met betrekking tot de luchtwegen en dat de hond het benauwd zou kunnen krijgen.Klaagster stelt dat ze tijdens het telefoongesprek die middag duidelijk heeft aangegeven dat het veel slechter met de hond ging, terwijl beklaagde stelt dat werd verteld dat het nog niet beter ging, maar ook niet slechter. Hoewel de gezondheidstoestand zoals deze door klaagster via de telefoon is gemeld en door beklaagde is begrepen mogelijk nog niet direct een acute situatie impliceerde, kan het niet aan een eigenaar worden overgelaten om te beoordelen of de situatie al dan niet alarmerend is, maar is dit aan de dierenarts. Zeker nu klaagster na het ontslag van de hond uit de opname tot tweemaal toe telefonisch contact had opgenomen en haar zorgen had geuit, had het in de rede gelegen om als dierenarts actief zelf een consult aan te bieden en hierop zo nodig aan te dringen. Dit is niet gebeurd en dit onderdeel van de klacht wordt gegrond verklaard. Na te melden maatregel wordt door het college passend geacht.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, voor zover het betreft het niet actief aanbieden van een consult naar aanleiding van telefonische meldingen van klaagster in de middag na het ontslag uit de praktijk, met verwijzing naar hetgeen onder 5.10 is overwogen;
geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.