ECLI:NL:TDIVTC:2026:30 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/98

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:30
Datum uitspraak: 12-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/98
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Kat. Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de kat van klager in haar behandeling te zijn tekortgeschoten, met het overlijden van de kat tot gevolg. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                                  klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                                beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 november 2025. Klager is verschenen met zijn echtgenote. Beklaagde heeft zich voor de zitting afgemeld. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de kat van klager in haar behandeling te zijn tekortgeschoten, met het overlijden van de kat tot gevolg.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klager, een Schotse vouwoorkat (vrouwelijk) met de naam [naam kat] (hierna: de kat), 1 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Op dinsdag 8 oktober 2024 is klager voor het eerst op het spreekuur van de praktijk van beklaagde geweest. De kat was minder actief en wilde niet eten. Volgens beklaagdeheeft dit consult plaatsgevonden bij een collega en niet bij haar.Er is een anamnese afgenomen en er is een klinisch onderzoek verricht. De kat had 40,6 °Celsius koorts en de klachten waren verder aspecifiek, maar meest passend bij een infectie. Er zijn injecties toegediend met ontstekingsremmende en pijnstillende medicatie (Tolfedine) en een antibraakmiddel (Vominil). Blijkens de patientenkaart is geadviseerd weer contact op te nemen als het niet beter zou gaan, waarbij is vermeld dat de injecties konden worden herhaald.

3.3. Op woensdag 9 oktober 2024 kwam er pus uit de vulva van de kat, wijzend op een mogelijke baarmoederontsteking. Klager heeft telefonisch contact opgenomen met de praktijk en is te woord gestaan door een assistente. Deze heeft aangegeven dat er die dag geen ruimte was voor een operatie, en aangeboden is om met de kat langs te komen voor het eventueel herhalen van de injecties. Op dit aanbod is klager niet ingegaan. Er is een afspraak gemaakt voor de volgende ochtend met het oog op een baarmoederoperatie.

3.4. Op donderdag 10 oktober 2024 heeft de echtgenote van klager de kat naar de praktijk gebracht. Beklaagde heeft een ovariohysterectomie uitgevoerd. Beklaagde stelt dat ze gelet op de korte operatieduur (17 minuten) geen intraveneus infuus heeft toegediend, maar subcutaan per injectie vocht aan de kat heeft toegediend. De operatie is volgens beklaagde lege artis uitgevoerd. Na de operatie is Sedastop toegediend. Volgens beklaagde werd de kat redelijk vlot wakker en kon ze haar kopje optillen. Omstreeks het middaguur was de kat volgens beklaagde goed wakker, was haar lichaamstemperatuur goed en kon ze staan. Om 14.30 uur is de kat van de praktijk opgehaald. Er is medicatie (Metaxx en Cylanic) meegegeven en er zijn nazorginstructies verstrekt.

3.5. Klager stelt dat de kat na thuiskomst niet bewoog en niet at of dronk. Hij heeft daarover niet gebeld met de praktijk. Omstreeks 16.40 uur kroop de kat volgens klager met haar voorpoten, probeerde ze te staan, maar viel ze weer om en was daarna apathisch. Klager stelt dat hij toen direct contact heeft opgenomen met een tweedelijnskliniek, die hem weer verwees naar een eerstelijnspraktijk waar hij omstreeks 17.30 uur met de kat aankwam. De kat voelde koud aan en had een lichaamstemperatuur van 34°Celsius. De kat is in een couveuse gelegd en heeft een shock-infuus gekregen. Hierna steeg de lichaamstemperatuur langzaam weer naar 37,4° Celsius. Omstreeks 21.15 uur is een bloedonderzoek verricht. Met betrekking tot de differentiaaldiagnose werd gedacht aan hypothermie, shock, acuut nierfalen en/of hyperkaliëmie. In overleg met klager is de kat voor opname verwezen naar een tweedelijnsdierenziekenhuis.

3.6. Omstreeks 22.00 uur heeft klager de kat naar de betreffende tweedelijnskliniek gebracht. Met betrekking tot de differentiaaldiagnose werd aldaar volgens de verslaglegging uitgegaan van: ’severe neutropenia, severe kidney failure, suspicion of sepsis and prolonged shock’. De conditie van de kat was kritiek. De opties waren: óf de kat laten inslapen óf opname zonder de garantie op verbetering. Klager koos voor opname, maar onderweg naar de opnameruimte verslechterde de kat zodanig dat alsnog is besloten tot euthanasie. Er is geen sectie uitgevoerd.

3.7. De volgende dag heeft klager telefonisch zijn ongenoegen kenbaar gemaakt aan de praktijk van beklaagde over de behandeling aldaar. Hierna is onderhavige tuchtklacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klager, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt verder als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk

5.4. Het eerste klachtonderdeel houdt in dat tijdens het eerste consult op de praktijk op 8 oktober 2024 niet meteen een operatie is aangeboden. Los van het feit dat beklaagde heeft gesteld zij bij dit consult niet betrokken is geweest en zij daarom ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, is niet gebleken dat er toen al tekenen waren die wezen op een baarmoederontsteking (zoals pus uit de vulva), maar is enkel koorts zonder bekende oorzaak vastgesteld en is daarop geacteerd. Daarmee lag opereren op die dag niet in de rede. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.5. Voor wat betreft het telefonisch overleg met de assistente op 9 oktober 2024, stelt klager dat de assistente geen overleg heeft gehad met een dierenarts. Vast staat echter wel dat de assistente aan klager heeft aangeboden met de kat naar de praktijk te komen, maar dat hij dit om hem moverende reden niet heeft gedaan. Ter zitting heeft klager toegelicht dat hij dacht dat de kat alleen weer injecties kon krijgen, die eerder niet geholpen hadden en dat hij achteraf gezien beter wel had kunnen gaan. Het college overweegt dat, als de kat naar de praktijk was gebracht, beklaagde of een collega de kat had kunnen onderzoeken en indien nodig, vocht had kunnen toedienen en, als er op dat moment geen tijd zou zijn voor verdere behandeling of een operatie, de kat had kunnen worden verwezen naar een kliniek waar dit wel mogelijk was.

5.6. Het tweede klachtonderdeel houdt in dat er geen bloedonderzoek is uitgevoerd voorafgaande aan de operatie en dat beklaagde daarmee in haar diagnostiek is tekortgeschoten. Beklaagde heeft toegelicht dat een bloedonderzoek niet bij haar eigen praktijk vestiging kon worden uitgevoerd, maar enkel bij een dependance of dat een bloedmonster naar een extern laboratorium had moeten worden opgestuurd, wat onnodig tijd zou kosten. Het college kan zich met deze argumentatie verenigen. Duidelijk was dat de baarmoeder operatief moest worden verwijderd. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.7. Het derde klachtonderdeel houdt in dat er door beklaagde onvoldoende vocht is toegediend. Klager stelt dat de kat blijkens het bloedonderzoek dat bij de tweedelijnskliniek nadien is uitgevoerd ernstig gedehydrateerd was en dat aldaar tegen hem is gezegd dat acuut nierfalen het gevolg kan zijn van het ontbreken van een vochtinfuus tijdens de door beklaagde uitgevoerde operatie. Beklaagde stelt daartegenover dat zij per injectie onderhuids twee keer 50 ml vocht aan de kat heeft toegediend. Het college heeft geen reden om deze verklaring van beklaagde in twijfel te trekken. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het bloedonderzoek bij het opvolgend dierenziekenhuis bijna 6 uur na het ontslag van de kat uit de praktijk van beklaagde heeft plaatsgevonden, is voor het college niet vast komen staan dat aan de kat tijdens de operatie onvoldoende vocht is toegediend. Overigens is ook geen sectie verricht en daarmee niet met zekerheid vast te stellen waar de kat precies aan is overleden en of dit acuut nierfalen of een andere aandoening is geweest. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.8. Het vierde klachtonderdeel betreft het verwijt dat de kat na de operatie te snel mee naar huis is gegeven. Partijen spreken elkaar echter tegen over de conditie van de kat bij vertrek uit de praktijk. Waar klager stelt dat de kat ten tijde van het ontslag niet kon staan en amper haar kopje op kon tillen, heeft beklaagde gesteld dat zij de kat heeft zien staan en dat ze wakker en alert was. Gelet op de tegenstrijdige lezingen van partijen, kunnen de feiten hierover door het college niet worden vastgesteld en wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

5.9. De klacht met betrekking tot de onregelmatigheden in de patiëntenkaart is na de ter zitting daarover gegeven toelichting komen te vervallen.

5.10. Het laatste klachtonderdeel betreft het verstrekken van onvoldoende informatie over de risico’s van de operatie. Het college overweegt dat, buiten de optie euthanasie, waar klager niet voor koos, er feitelijk geen andere keuze was dan opereren, ongeacht de eventuele risico’s. Iedere operatie brengt risico’s met zich mee en niet gebleken is dat het verstrekken van meer informatie zou hebben geleid tot een ander advies of keuze. Het college acht dit onderdeel van de klacht daarom eveneens ongegrond.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.