ECLI:NL:TDIVTC:2026:3 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/85 2024/115

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:3
Datum uitspraak: 12-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 2024/85
  • 2024/115
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenartsen wordt verweten met betrekking tot een hond te zijn tekortgeschoten in de diagnosestelling en dat ten onrechte een melding is gedaan bij de politie die heeft geleid tot inbeslagname en euthanasie, naast dat een second opinion is geweigerd. [Klachten ongegrond].  

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                                             klaagster,

tegen

dierenarts sub 1 [naam],                                                                beklaagde 1,

dierenarts sub 2 [naam],                                                            beklaagde 2,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Zowel klaagster als beklaagden zijn verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagden wordt verweten met betrekking tot de hond van klaagster te zijn tekortgeschoten in de diagnosestelling, dat ten onrechte een melding is gedaan bij de politie die heeft geleid tot inbeslagname en euthanasie en dat een second opinion is geweigerd.  

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Golden Retriever (teef) met de naam [naam hond] (hierna; de hond), 12 á 13 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Op 2 september 2024 omstreeks 16.30 uur is klaagster met de hond naar de praktijk van beklaagden gekomen met de dierenambulance, omdat ze, naar eigen zeggen, niet beschikte over eigen vervoer. Klaagster was niet eerder bij de praktijk van beklaagden geweest. De reden voor het bezoek was volgens klaagster dat er al twee dagen maden over de hond liepen en de dierenwinkel waar zij was geweest, haar had geadviseerd naar een dierenarts te gaan. Klaagster stelt dat zij het plan had om de hond te laten behandelen in een dierenziekenhuis en enkel naar de praktijk van beklaagden is gekomen voor een inschatting van wat de hond bij het dierenziekenhuis te wachten zou staan.

3.3. Beklaagde 2 heeft een klinisch onderzoek verricht en constateerde dat de hond koorts had (40,5° C), niet overeind kon komen, niet kon lopen, een vieze, natte vacht had, een grote massa boven het linker oog had, een chronische oorontsteking waar pus uitliep en een wond aan de achterhand met smet had waar maden uit liepen. Omdat beklaagde 2 nog maar kort werkzaam was bij de praktijk, besloot zij haar meer ervaren collega beklaagde 1 erbij te betrekken. Beklaagde 1 heeft de hond nogmaals nagekeken en vanwege de geconstateerde opgezette buik een echografisch onderzoek uitgevoerd, waarbij onder andere een massa voor de blaas en afwijkingen van de blaas zelf zijn geconstateerd. Beklaagde 1 heeft klaagster twee opties gegeven: óf opname en intensieve behandeling waarbij de prognose gereserveerd was, óf euthanasie. Klaagster liet beklaagden weten dat zij haar hond niet wilde laten opnemen of euthanaseren en mee naar huis wilde nemen. Volgens beklaagden gaf klaagster aan geen geld voor behandeling te hebben. Beklaagden concludeerden dat de hond er zeer slecht aan toe en lijdende was en dat het mee naar huis geven van de hond niet verantwoord was. De politie is gebeld om te bemiddelen.

3.4. In afwachting van de komst van de politie is aan de hond pijnstillende en koortsverlagende medicatie toegediend. De politie heeft ter plaatse vergeefs geprobeerd tussen partijen te bemiddelen. De hond is in beslag genomen door de politie met toestemming van de officier van justitie. Klaagster verloor op dat moment de zeggenschap over haar hond en de hond is op de praktijk gebleven. Klaagster is in de gelegenheid gesteld afscheid van haar hond te nemen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt en is met achterlating van de hondnaar huis gegaan. Beklaagden kregen later in de middag toestemming van de officier van justitie om te handelen zoals zij het beste voor de hond achtten. Beklaagden hebben de hond ongeveer twee uur na binnenkomst geëuthanaseerd, wat in hun visie geïndiceerd was gelet op de conditie, de leeftijd, de slechte prognose en om de hond een verdere lijdensweg te besparen. De hond is een dag later op de praktijk opgehaald door de dierenambulance en (collectief) gecremeerd.

3.5. Klaagster stelt dat zij haar hond mee had willen nemen voor een second opinion bij een dierenziekenhuis en heeft daartoe een brief overgelegd waaruit blijkt dat zij in de avond van 2 september 2024 contact heeft opgenomen met dat dierenziekenhuis. Beklaagden betwisten dat klaagster tijdens het bezoek aan hun praktijk heeft gesproken over een second opinion.

3.6. Medio september 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend, waarbij tevens is geklaagd over het optreden van de politie, de medewerkers van de dierenambulance en het strafrechtelijke traject wat tegen klaagster is ingesteld.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenartsen beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Ten slotte merkt het college vooraf op dat een deel van de klachten niet voor tuchtrechtelijke beoordeling in aanmerking komt, omdat ze buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen. Dit geldt voor de klachten over het handelen van de politie, justitie en het dierenambulancepersoneel en de klachten die betrekking hebben op haar andere hond, die niet door beklaagden is gezien. Het college oordeelt enkel over het handelen van beklaagden met betrekking tot de hond Dolce.

Inhoudelijk

5.5. Beklaagden wordt verweten een verkeerde diagnose te hebben gesteld en de politie te hebben ingeschakeld, wat uiteindelijk heeft geleid tot inbeslagname en euthanasie van de hond. Het college is van oordeel dat beklaagden in de gegeven situatie correct hebben gehandeld. De hond is door hen beiden onderzocht. Beklaagde 2 heeft er verstandig aan gedaan om ook haar meer ervaren collega bij het onderzoek te betrekken. Beklaagde 1 heeft vervolgens nog nader echografisch onderzoek gedaan. Naar het oordeel van het college hebben beklaagden op terechte gronden de hond niet willen meegeven aan klaagster, gelet op hun niet weersproken onderzoeksbevindingen. Gelet hierop en nu klaagster aanvankelijk weigerde de hond achter te laten, was het inschakelen van de politie een begrijpelijke vervolgstap en voldoende gebleken is dat beklaagden daarmee in het belang van het welzijn van de hond hebben gehandeld.  

5.6. Nadat de hond in beslag genomen was en door klaagster is achtergelaten op de praktijk, hebben beklaagden van de officier van justitie toestemming gekregen om te handelen zoals zij juist achtten. Het college kan zich verenigen met de keuze voor euthanasie in het licht van alle onderzoeksbevindingen en constateringen, de weigering van klaagster om de hond te laten behandelen, de leeftijd van de hond en de prognose die dermate slecht was, dat uitstel enkel zou leiden tot een langere lijdensweg. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.7. Beklaagden wordt voorts het weigeren van een second opinion verweten. Klaagster stelt in haar klaagschrift dat zij een second opinion wilde, maar beklaagden dit niet toestonden. Beklaagden hebben uitdrukkelijk weersproken dat door klaagster tijdens het bezoek aan hun praktijk heeft gesproken over de wens om een second opinion te laten uitvoeren. Gelet op de tegenspraak hierover tussen partijen wordt ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

5.8. Overige klachten vallen buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaken met de nummers 2024/85 + 2024/115:

verklaart de klachten tegen beide beklaagden ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.