ECLI:NL:TDIVTC:2026:29 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/106 VTC 2024/107

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:29
Datum uitspraak: 12-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s):
  • VTC 2024/106
  • VTC 2024/107
Onderwerp: Konijnen
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Konijn. Dierenarts, beklaagde 1, wordt verweten dat zij een huidwond bij het konijn van klaagster onvoldoende heeft schoongemaakt en gedesinfecteerd alvorens deze te lijmen. Dierenarts, beklaagde 2, wordt verweten een dag later onjuist te hebben gehandeld bij de triage, dat zij de mate van ziek zijn van het konijn onjuist heeft ingeschat en onvoldoende reflecterend vermogen heeft getoond. [Klachten ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                           klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                        beklaagde 1.

dierenarts [naam],                                                     beklaagde 2,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 27 november 2025. Beklaagden zijn verschenen. Klaagster is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Dierenarts [naam], beklaagde 1, wordt verweten dat zij een huidwond bij het konijn van klaagster onvoldoende heeft schoongemaakt en gedesinfecteerd alvorens deze te lijmen. Dierenarts [naam], beklaagde 2, wordt verweten een dag later onjuist te hebben gehandeld bij de triage, dat zij de mate van ziek zijn van het konijn onjuist heeft ingeschat en onvoldoende reflecterend vermogen heeft getoond.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het konijn van klaagster, met de naam [naam konijn] (hierna: het konijn), een Teddy Widder (voedster), drie å vier jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.

3.2. Op zaterdag 9 november 2024 heeft klaagster omstreeks 14.15 uur telefonisch contact opgenomen met de praktijk van beklaagden -haar eigen dierenartsenpraktijk was gesloten-, omdat zij bij het wegknippen van klitten in de huid van het konijn had geknipt. Klaagster kon met het konijn op de praktijk terecht. Omstreeks 15.20 uur heeft beklaagde 1 het wondje van 0,5 cm á 1 cm schoongemaakt en gelijmd. Het wondje is niet ontsmet met Betadine of alcohol. Klaagster betwist dat het wondje is schoongemaakt. Na het lijmen zijn er nog wat haren weggeknipt en bleek er nog een klein wondje aanwezig, dat eveneens is gelijmd. Het totale consult duurde minder dan 10 minuten.

3.3. Op zondag 10 november 2024 was het konijn volgens klaagster in de ochtend nog actief en at ze, maar rond het middaguur verslechterde haar conditie. Ongeveer een uur later ontdekte klaagster een zwelling op de plek waar was gelijmd en heeft zij hierover contact opgenomen  met de praktijk en is een afspraak ingepland voor 15.40 uur. Klaagster, die huisarts is, heeft tussentijds Meloxicam aan het konijn toegediend. Onderweg naar de praktijk heeft klaagster omstreeks 15:15 uur naar de praktijk gebeld om aan te geven dat het konijn erg ziek was en gevraagd of het konijn direct kon worden gezien. Beklaagde 2 was op dat moment echter bezig met de uitvoering van een euthanasie. Daarnaast werd omstreeks 15.25 uur door de dierenambulance onverwacht en onaangekondigd een kat in status epilepticus op de praktijk gebracht. Klaagster kwam omstreeks 15.30 uur aan en nam met het konijn plaats in de wachtkamer.

3.4. Omstreeks 15.40 uur heeft een assistente het konijn meegenomen voor triage. Op dat moment was beklaagde 2 ook even in deze ruimte. Op basis van de klinische parameters werd het konijn niet als spoedgeval aangemerkt. De assistente heeft het konijn terug gebracht naar klaagster in de wachtruimte en aangegeven dat ze moest wachten totdat ze aan de beurt was. Vervolgens is eerst een eerder ingeplande patiënt geholpen. Omstreeks 16.00 uur is klaagster met het konijn de spreekkamer binnen geroepen. Beklaagde 2 heeft een anamnese afgenomen en een klinisch onderzoek verricht en liet klaagster weten dat ze, anders dan klaagster zelf, niet dacht aan sepsis. Beklaagde 2 heeft een foto gemaakt en telefonisch overleg met beklaagde 1 gevoerd. Er is voor gekozen om in het bultje van ongeveer 0,5 cm te prikken. Het konijn is meegenomen naar de operatiekamer, de haren rond het bultje zijn weggeschoren en het bultje is ontsmet met alcohol. Vervolgens heeft beklaagde 2 tweemaal met een naald in het bultje geprikt, waarbij geen pus of vloeistof vrijkwam. De lijm is een klein beetje los gepeuterd. Beklaagde 2 heeft wederom overleg met beklaagde 1 gevoerd. In verband met mogelijke weefselreactie op de wondlijm is voor de zekerheid een oraal antibioticum voorgeschreven (Sulfatrim drops 30 ml), Er is geen extra pijnstilling voorgeschreven, omdat klaagster had aangegeven voldoende Meloxicam in huis te hebben. Hiernaast is geadviseerd door te gaan met dwangvoeren.

3.5. Klaagster heeft de praktijk naar eigen zeggen bezorgd verlaten en overwogen naar een dierenziekenhuis te gaan, maar is met het konijn naar huis gegaan. Klaagster stelt dat het konijn omstreeks 17.00 uur het toegediende dwangvoer uit haar bek liet lopen. Omstreeks 18.15 uur gebeurde dat nog een keer. Op dat moment zat het konijn stil in haar hok met een versnelde ademhaling. Klaagster besloot om het nog een uur af te wachten. Omstreeks 19.30 uur heeft klaagster een dierenziekenhuis benaderd. Onderweg daarheen is het konijn overleden.

3.6. Op dezelfde avond heeft klaagster per e-mail haar onvrede naar de praktijk van beklaagden geuit. Het antwoord daarop is niet naar tevredenheid van klaagster geweest. Medio november 2024 is de onderhavige klacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts hadden behoren te betrachten ten opzichte van het konijn van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van een dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 1 (zaaknummer 2024/107)

5.4. Beklaagde wordt verweten dat zij het wondje van het konijn tijdens het eerste consult op zaterdag niet goed heeft schoongemaakt en gedesinfecteerd alvorens zij het wondje heeft gelijmd. Het college overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beklaagde het wondje heeft gereinigd met een watje met water. Anders dan klaagster stelt wordt desinfectie van kleine wondjes bij konijnen niet aanbevolen. Het reinigen met een watje met water is bij een klein, schoon wondje bij een konijn met een tere huid, zoals hier het geval was, een correcte werkwijze. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Inhoudelijk met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 2 (zaaknummer 2024/106)

5.5. Het eerste klachtonderdeel betreft de triage. Niet weersproken is dat kort voor aankomst van klaagster bij de praktijk die zondagmiddag de dierenambulance onaangekondigd en onverwacht een kat in status epilepticus binnen bracht die voorrang kreeg op andere patiënten. Eveneens staat vast dat de triage 10 minuten na aankomst heeft plaatsgevonden. Deze is uitgevoerd door een assistente en beklaagde heeft hierover beslist. Het konijn was op dat moment alert, niet benauwd, stabiel en vertoonde geen acute, verontrustende symptomen. De vitale functies (zoals ademhaling, hartslag, temperatuur) waren niet alarmerend, de slijmvliezen roze en de medische toestand was niet verslechterd. Naar het oordeel van het college is de triage correct en binnen een redelijke termijn uitgevoerd en het college acht de conclusie van beklaagde dat het konijn geen spoedgeval betrof dat met voorrang op andere patiënten moest worden geholpen, begrijpelijk. Dit onderdeel van de klacht wordt ongegrond verklaard.

5.6. Het tweede klachtonderdeel betreft de klinische beoordeling en behandeling nadat klaagster met het konijn in de spreekkamer is ontvangen. Klaagster stelt dat beklaagde de mate van ziek zijn, ondanks aanwezige anamnestische alarmsignalen onvoldoende heeft onderkend en dat het konijn opgenomen had moeten worden met zuurstofsuppletie en intraveneus antibiotica had moeten krijgen. Het college overweegt dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat beklaagde voldoende klinisch onderzoek heeft verricht. Er was gelet op de beschreven bevindingen op dat moment geen aanleiding om uit te gaan van septische shock. Tegen die achtergrond was het in dat stadium voorschrijven van oraal toe te dienen antibiotica en pijnstillende medicatie een verdedigbare en aanvaardbare keuze. Aangezien geen sectie is verricht is achteraf ook niet vast te stellen waaraan het konijn een aantal uren na het bezoek aan de praktijk is overleden. Overigens kan een ziekteproces bij konijnen snel ontstaan en verlopen en is bekend dat zij pijn en zwakte niet snel laten zien. Voor zover de klacht tevens inhoudt dat het konijn ten onrechte niet is doorverwezen, overweegt het college dat daar op zichzelf geen aanleiding toe was en dat klaagster zelf met de gedachte speelde om naar een andere kliniek te gaan, maar daar om haar moverende redenen niet voor heeft gekozen. Het college is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

5.7. Het laatste klachtonderdeel houdt in dat beklaagde onvoldoende zou beschikken over reflecterend vermogen. Dit klachtonderdeel wordt eveneens ongegrond verklaard, nu hiervoor is overwogen dat beklaagde niet verwijtbaar onjuist of nalatig heeft gehandeld.

5.8. Op grond van het voorgaande worden de klachten tegen beide beklaagden ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaken met de nummers 2024/106 en 2024/107:

verklaart de klachten ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.