ECLI:NL:TDIVTC:2026:28 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/90

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:28
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/90
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Schaap. Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot een ziek schaap van klager niet tijdig een (spoed)visite heeft afgelegd, zoals klager stelt te hebben verzocht en waardoor zijn schaap is komen te overlijden. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam]                                                                                                klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                                            beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Beklaagde is verschenen, bijgestaan door mr. Van Oosterhuizen. Klager is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot een ziek schaap van klager niet tijdig een (spoed)visite heeft afgelegd, zoals klager stelt te hebben verzocht en waardoor zijn schaap is komen te overlijden.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om één van de schapen van klager, een hobbydierhouder. In de periode van het handelen waarover wordt geklaagd heerste het blauwtongvirus in de regio.  

3.2. Op donderdag 1 augustus 2024 heeft beklaagde aan het eind van de middag klager bezocht vanwege zijn omstreeks 12:30 uur gedane melding dat hij een ziek schaap had. Vrijwel alle visites van beklaagde op die dag hielden verband met blauwtong en het adres van klager bevond zich aan het einde van haar visiteroute. Ze heeft ter plaatse alle vijf schapen van klager onderzocht. Bij twee schapen was overduidelijk sprake van het blauwtongvirus. Beklaagde heeft deze twee schapen een injectie met langwerkende pijnstillende/ontstekingsremmende medicatie toegediend. Ook heeft ze dwangvoer achtergelaten en instructies gegeven over de toediening ervan. Bij vertrek heeft beklaagde aangegeven dat de prognose gereserveerd was en dat klager contact moest opnemen als de situatie verslechterde of niet verbeterde.

3.3. Op vrijdag 2 augustus 2024 heeft klager omstreeks 13:30 uur gebeld met de praktijk. De assistente gaf aan dat het erg druk was en dat alle dierenartsen onderweg naar andere klanten waren. Op zijn verzoek werd klager doorgeschakeld naar beklaagde. Klager gaf aan dat één van zijn (reeds behandelde) schapen nog steeds erg ziek was en vroeg beklaagde of zij nogmaals langs kon komen. Over de inhoud en strekking van dit telefoongesprek lopen de lezingen van partijen uiteen.

3.4. Twee uur later belde klager nogmaals naar de praktijk met de vraag hoe laat beklaagde zou komen. De assistente heeft contact opgenomen met beklaagde, die via de assistente aangaf dat dit wegens drukte moeilijk in te schatten was. Omstreeks 16.00 uur arriveerde beklaagde bij klager. Het betreffende schaap was kort daarvoor overleden tijdens het dwangvoeren. Beklaagde heeft het overleden schaap bekeken. Verder heeft zij klager geholpen met het dwangvoeren van het andere zieke schaap en samen met klager de overige drie schapen bij elkaar gedreven om ze nogmaals te onderzoeken.

3.5. In de periode hierna heeft klager meermaals telefonisch contact gehad met de praktijk om zijn onvrede over het handelen van beklaagde te uiten. Eind september 2024 is onderhavige tuchtklacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het betreffende schaap van klager, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Klager stelt dat hij tijdens het telefoongesprek op vrijdag 2 augustus 2024, omstreeks 13:30 uur, heeft aangegeven dat het zieke schaap een spoedgeval betrof en dat beklaagde aangaf dat ze er binnen een half uur zou zijn. Beklaagde betwist dat ze heeft beloofd er binnen een half uur te zijn en stelt dat ze uit de woorden van beklaagde ook niet had begrepen dat er sprake was van een spoedsituatie. Beklaagde stelt dat ze heeft aangegeven aan het einde van haar visiteronde te komen. Ter zitting heeft beklaagde gewezen op het feit dat alle dierenartsen destijds zeer volle agenda’s hadden in verband met het heersende blauwtongvirus.

5.5. Het college constateert dat partijen elkaar tegenspreken over wat er precies is (toe)gezegd tijdens het telefoongesprek op vrijdag 2 augustus 2024 omstreeks 13:30 uur, een dag nadat beklaagde klager eerder had bezocht en de twee zieke schapen had behandeld. Hierdoor is niet vast te stellen of en zo ja, hoe expliciet klager heeft gezegd dat er in zijn ogen sprake was van een spoedgeval en wat beklaagde daarop heeft geantwoord. Een dag eerder was klager overigens wel geïnstrueerd te bellen als de situatie verslechterde of niet verbeterde.

5.6. Het college neemt in overweging dat in beginsel alle dieren die destijds met blauwtong waren besmet spoedgevallen betroffen, die met vaart onderzocht en zo mogelijk behandeld moesten worden. Het komt het college aannemelijk voor dat beklaagde het betreffende schaap van klager, dat ze de vorige dag al had gezien en medicatie had toegediend, niet als extra  spoedeisend heeft beschouwd dan zieke dieren van andere dierhouders. Beklaagde kon per saldo ook niet veel meer voor het schaap betekenen dan zij al had gedaan. Blauwtong is een virus waarvoor geen gericht diergeneesmiddel bestaat – buiten medicatie ter symptoombestrijding - en dat een hoge mortaliteit onder schapen kent. Hoewel het college begrijpt dat klager wilde dat beklaagde spoedig langs zou komen, kan het college evenzeer begrijpen dat beklaagde die dag meerdere spoedgevallen diende te helpen en dat zij in haar afweging heeft meegenomen dat zij het betreffende schaap van klager een dag eerder al had behandeld. Het staat ook niet vast dat klager expliciet om een spoedvisite had verzocht en beklaagde had toegezegd om eerder te komen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.7. Klager stelt verder dat hij niet op de juiste wijze is geïnformeerd over de mogelijkheid om schapen te vaccineren tegen het blauwtongvirus. Beklaagde heeft in dat kader toegelicht dat niet alleen haar collega bij een visite op 21 juli 2024 heeft geadviseerd om de schapen te vaccineren, maar ook dat de praktijk daarover een nieuwsbrief heeft gestuurd naar schapenhouders en dat dit ook veel in het nieuws is geweest. Tegen die achtergrond ziet het college onvoldoende aanleiding om te concluderen dat klager onjuist of onvolledig zou zijn geïnformeerd over de vaccinatiemogelijkheid en dat beklaagde daarin een persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt zou treffen. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.8. Ten slotte stelt klager dat beklaagde in verweer heeft geïnsinueerd dat het schaap is overleden als gevolg van de wijze waarop hij het schaap heeft gedwangvoerd. Beklaagde betwist dit. Het college leest in het verweerschrift niet de beweerdelijke insinuatie die klager daar kennelijk wel in leest. Dit onderdeel van de klacht wordt eveneens ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.