ECLI:NL:TDIVTC:2026:27 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2025/88

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:27
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2025/88
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Cavia. Beklaagde wordt, in hoofdzaak, verweten dat zij ten onrechte Duplocilline heeft toegediend aan de cavia van klaagster, ten gevolge waarvan de cavia is overleden. [Klacht gegrond met waarschuwing.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                                         klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                                        beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Klaagster is verschenen met haar moeder. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. T.A.M van Oosterhout. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, in hoofdzaak, verweten dat zij ten onrechte Duplocilline heeft toegediend aan de cavia van klaagster, ten gevolge waarvan de cavia is overleden.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de cavia (beer) van klaagster met de naam [naam cavia] (hierna: de cavia), die 1 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Klaagster heeft op donderdag 11 juli 2024 de praktijk van beklaagde bezocht, omdat de cavia al twee dagen stil in een hoek zat en niet wilde eten. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht. Ze concludeerde dat de cavia erg slap was en voelde bij palpatie drie verhardingen van circa 2 cm in de buikholte, zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak. De longen waren rein van toon, de turgor was goed, het hart klopte snel en de cavia had geen diarree.

3.3. Beklaagde heeft aan klaagster verteld dat zij niet gespecialiseerd is in cavia’s en stelde een symptomatische behandeling voor. Ze dacht aan een mogelijke ontsteking/abcesvorming, constipatie of tumoren. Beklaagde stelt dat ze heeft aangegeven dat, als er met zekerheid een diagnose gewenst zou zijn, klaagster doorgestuurd kon worden. Volgens beklaagde stemde klaagster en haar eveneens bij het consult aanwezige moeder in met een symptomatische behandeling. Beklaagde heeft 0,3 ml Duplocilline LA (REG NL 4251) subcutaan ingespoten en een flesje Novacam suspensie (REG NL 105577) meegegeven. Daarnaast heeft ze geadviseerd de cavia dwangvoeding te geven.

3.4. Op vrijdag 12 juli 2024 heeft de moeder van klaagster aan beklaagde laten weten dat de cavia ongeveer zes uur na de toediening van de medicatie diarree kreeg en vrijwel direct daarna is overleden. De moeder gaf aan dat zij via internet had gevonden dat Duplocilline dodelijk kan zijn voor cavia’s. Beklaagde antwoordde dat het haar onwaarschijnlijk leek dat de cavia hierdoor was overleden.

3.5. Medio augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden met de leidinggevende van beklaagde, dat niet heeft geleid tot een voor klaagster bevredigend resultaat, vooral omdat beklaagde zelf niet bij het gesprek aanwezig was. Hierna is de onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de cavia van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet is of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Het eerste onderdeel van de klacht betreft het inzetten van het antibioticum Duplocilline. Klaagster stelt dat dit middel niet gegeven had mogen worden, omdat het gevaarlijk is voor cavia’s. Beklaagde heeft toegelicht voor dit middel te hebben gekozen omdat er geen geregistreerd alternatief is voor cavia’s en ze geen oraal toe te dienen antibioticum wilde inzetten, omdat de cavia niet at. Dit middel werd verder door haar leidinggevende in zijn algemeenheid aanbevolen als geschikt voor knaagdieren. Het alternatief was doorverwijzen of niets doen.

5.4. Beklaagde heeft erkend dat haar na voortschrijdend inzicht is gebleken dat zij dit antibioticum beter niet had kunnen toedienen, maar dat zij zich daar op dat moment niet van bewust was. Beklaagde stelt dat eigen onderzoek en navraag nadien uitwees dat het middel risicovol is voor cavia’s, maar zij stelt dat het onwaarschijnlijk is dat de cavia van klaagster is overleden aan Duplocilline, waarbij zij erop heeft gewezen dat de cavia 6 uur na de injectie is gestorven, terwijl het reëler zou zijn geweest dat Duplocilline veel later, te weten eerst tussen de 24 uur en 6 dagen na de toediening ervan mogelijk had geleid tot dysbacteriose en het overlijden van de cavia.

5.5. Het college overweegt dat er voor cavia’s inderdaad geen geregistreerd antibioticum is, zodat beklaagde alleen kon uitwijken naar een off-label middel. Ook is er geen formularium opgesteld voor antibioticumgebruik bij cavia’s door een beroepsvereniging zoals de KNMvD. Dat beklaagde in het kader van symptoombestrijding heeft gekozen voor een antibioticum en dan voor een parenteraal toe te dienen variant is voldoende onderbouwd. Dit neemt niet weg dat beklaagde voorafgaand aan de inzet meer (literatuur)onderzoek of navraag bij een specialist had moeten doen naar welke werkzame stof als geschikt en voldoende veilig wordt gezien voor gebruik bij cavia’s en welke niet. Voldoende vast staat dat het gebruik van Duplocilline bij cavia’s risicovol is.De klacht is in zoverre gegrond. Dat de cavia is overleden als gevolg van het toedienen van dit middel acht het college overigens niet waarschijnlijk althans is dit niet komen vast te staan.

5.6. Voor zover nog is geklaagd over de interne klachtafhandeling binnen de praktijk, waarbij beklaagde niet aanwezig is geweest, geldt dat dit verwijt de communicatie betreft ná het overlijden van de cavia en niet ziet op het veterinair handelen van beklaagde. Daarmee valt dit verwijt buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht.

5.7. Bij het opleggen van de maatregel heeft het college meegewogen dat beklaagde heeft erkend dat het gebruik van Duplocilline bij cavia’s risico’s met zich brengt en dat zij zich toetsbaar heeft opgesteld en een open en leerbare houding heeft getoond. Na te melden maatregel wordt door het college passend geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond, zoals omschreven onder 5.5;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.