ECLI:NL:TDIVTC:2026:26 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/105
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:26 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-03-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/105 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Niet ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Hond. De klacht heeft, in hoofdzaak, betrekking op de communicatie door beklaagde met betrekking tot de onderzoeken en de behandeling van de hond van klaagster tijdens een opname op de praktijk. [Klacht niet-ontvankelijk.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] , klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Klaagster is verschenen tezamen met haar dochter. Beklaagde is verschenen, bijgestaan door mr. Slabbers. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
De klacht heeft, in hoofdzaak, betrekking op de communicatie door beklaagde met betrekking tot de onderzoeken en de behandeling van de hond van klaagster tijdens een opname op de praktijk.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Cavalier King Charles Spaniël (teef) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die 12 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Op 2 juli 2024 heeft klaagster de hond omstreeks 9.15 uur naar de praktijk van beklaagdegebracht voor nader onderzoek in verband met keel- en/of slokdarmproblemen. De hond is daar opgenomen. Afgesproken werd dat eerst een röntgenfoto gemaakt zou worden om een slokdarmverwijding (megaoesofagus) uit te sluiten en vervolgens zou beklaagde een endoscopie uitvoeren.
3.3. Bij aankomst op de praktijk heeft klaagster kort met beklaagde gesproken. Er zijn röntgenfoto’s gemaakt door een assistente. Beklaagde heeft deze beoordeeld en aangegeven dat het raadzaam was om eerst nog het gebit van de hond door een collega specialist tandheelkunde te laten beoordelen in verband met eventuele gebitsproblemen en/of laesies. Daarbij is aan klaagster verteld dat niet duidelijk was wanneer de tandheelkundig dierenarts hiervoor tijd zou hebben en dat dit even kon duren.
3.4. De tandheelkundig dierenarts heeft het gebit van de hond beoordeeld en omstreeks 16.00 uur mondeling aan beklaagde doorgegeven dat er geen afwijkingen waren. Daarna – volgens beklaagde omstreeks 16:30 uur en volgens klaagster omstreeks 16:45 uur - heeft beklaagde klaagster gesproken over de uitkomst van het tandheelkundig onderzoek. Beklaagde wilde op dat moment liever naar huis, maar klaagster wilde dat de endoscopie nog dezelfde dag zou plaatsvinden. Beklaagde heeft de hond vervolgens gesedeerd. Hierna heeft hij de bek van de hond geïnspecteerd en bleek dat er een grote tumor achter in de keel zat en dat een deel van het gehemelte al was ‘weggewroten’. Beklaagde heeft klaagster erbij gehaald en haar de situatie laten zien. Beklaagde heeft vervolgens aangegeven dat de tumor niet operabel was en zijn advies was om de hond te laten inslapen. Klaagster heeft hiermee ingestemd. De hond is overgedragen aan een collega die de euthanasie heeft uitgevoerd.
3.5. In de weken hierna heeft klaagster per telefoon en e-mail haar onvrede geuit over de handelwijze van beklaagde. Klaagster heeft een klacht ingediend bij de praktijk, die niet naar haar tevredenheid is afgehandeld. Hierna is zij de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. Voor deze casus is met name relevant het naar vaste jurisprudentie eveneens geldende uitgangspunt dat niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.
5.5. Over de wijze waarop beklaagde die bewuste dag met klaagster heeft gecommuniceerd lopen de lezingen van partijen uiteen. Vast staat wel dat klaagster heeft ingestemd met de verrichte onderzoeken en voorgestelde keuzes en ze heeft geen klachten over de uitvoering ervan. Evenmin staan de diagnose, de prognose en de uiteindelijk verrichte euthanasie ter discussie. Ter zitting heeft klaagster desgevraagd bevestigd dat haar klacht per saldo ziet op de communicatie van beklaagde. Klaagster stelt dat beklaagde erg kortaf was, onvoldoende toelichting heeft gegeven over de behandelopties, onvoldoende aandacht had voor haar vragen, haar onvoldoende tijd heeft gegeven om de boodschap te laten bezinken en dat hij gehaast was en op tijd naar huis wilde in verband met een voetbalwedstrijd. Ook zou het te lang hebben geduurd voor het tandheelkundig onderzoek is uitgevoerd en zou de hond te lang in een kooi hebben moeten verblijven. Beklaagde betwist de versie van klaagster. Hij erkent dat hij op tijd naar huis wilde omdat zijn dienst er op zat, maar heeft desondanks het verdere onderzoek van de hond verricht en de uiteindelijke diagnose gesteld.
5.6. Voor het college is niet gebleken dat de wijze van communiceren door beklaagde of het beweerdelijke gebrek aan empathie van invloed is geweest op de zorg voor het dier. De onderzoekstappen zijn naar het oordeel van het college correct geweest en niet gebleken is dat deze onnodig lang op zich hebben laten wachten of dat het welzijn van de hond in het geding is geweest, noch dat de afloop bij een andere communicatiewijze anders zou zijn geweest.
5.7. Nu klaagster ter zitting heeft bevestigd dat de klacht feitelijk niet ziet op het veterinair handelen van beklaagde en niet gebleken is dat zijn communicatie de zorgverlening aan de hond heeft beïnvloed, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.