ECLI:NL:TDIVTC:2026:25 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/86 VTC 2024/87

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:25
Datum uitspraak: 12-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s):
  • VTC 2024/86
  • VTC 2024/87
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Koe. Dierenarts, beklaagde 1, wordt verweten dat hij niet bereikbaar was tijdens een spoeddienst. Dierenarts, beklaagde 2, geborgde dierenarts en tevens werkgever van beklaagde 1, wordt verweten verantwoordelijk te zijn voor het creëren van een werkomgeving waarin het mogelijk is geweest dat er geen dierenarts bereikbaar was tijdens de spoeddienst. [Klachten ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                      klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                    beklaagde 1,

dierenarts [naam],                                                 beklaagde 2.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Klaagster is verschenen. Beklaagden zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. T. van Oosterhout. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Dierenarts [naam], beklaagde 1, wordt verweten dat hij niet bereikbaar was tijdens een spoeddienst. Dierenarts [naam], beklaagde 2, geborgde dierenarts en tevens werkgever van beklaagde 1, wordt verweten verantwoordelijk te zijn voor het creëren van een werkomgeving waarin het mogelijk is geweest dat er geen dierenarts bereikbaar was tijdens de spoeddienst.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de koe van klaagster met de naam [naam koe] (hierna: de koe), een drachtige vaars ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Klaagster heeft met haar echtgenoot een maatschap. De maatschap heeft melkkoeien, vleeskoeien en vleesvarkens. Voor de koeien heeft de maatschap een bilaterale (één-op-één) overeenkomst als bedoeld in het Reglement Geborgde Rundveedierenarts met de dierenartsenpraktijk waar beklaagden werken. Beklaagde 2 wordt daarin genoemd als de geborgde rundveedierenarts en beklaagde 1 als dierenarts voor spoedhulp. Voor de varkens heeft de maatschap een één-op-één overeenkomst met een andere dierenartsenpraktijk. Beklaagde 1 verzorgt sinds 1998 de veterinaire begeleiding van het runderbedrijf van klaagster.

3.3. In het weekend van 10 en 11 augustus 2024 had beklaagde 1 spoeddienst voor alle diersoorten in het praktijkgebied. In de nacht van zaterdag op zondag was er een spoedgeval op het bedrijf van klaagster. Een koe moest kalven van een kalf dat vergroeid leek te zijn en niet op natuurlijke wijze kon worden geboren. Omstreeks 22.45 uur heeft klaagster het spoednummer van de praktijk van beklaagden gebeld en werd zij doorgeschakeld naar de voicemail van beklaagde 1. Klaagster stelt dat zij gedurende de nacht meerdere keren heeft gebeld naar de praktijkspoedlijn voor veehouderijen, de praktijkspoedlijn voor kleine huisdieren en rechtstreeks naar het mobiele nummer van beklaagde 1, maar dat zij telkens werd doorgeschakeld naar diens voicemail, die zij enkele keren heeft ingesproken.

3.4. Klaagster heeft omstreeks 0.30 uur eveneens gebeld met het spoednummer van de dierenartsenpraktijk waar zij een één-op-één overeenkomst voor de varkens mee heeft. De dierenarts aldaar gaf aan geen ervaring met keizersneden bij koeien te hebben en heeft contact opgenomen met een dierenarts van een andere praktijk. Deze tweede dierenarts gaf aan niet te willen komen, vanwege de één-op-één overeenkomst die er met de praktijk van beklaagden bestond. Via een omweg heeft klaagster het telefoonnummer van een praktijk-collega bemachtigd, dat zij omstreeks 6.45 uur heeft gebeld om aan te geven dat beklaagde 1 niet bereikbaar was. Deze collega is naar de woning van beklaagde 1 gereden om het hulpverzoek van klaagster door te geven.

3.5. Vervolgens is beklaagde 1 direct naar het bedrijf van klaagster gereden waar hij omstreeks 7.45 uur arriveerde. Hij trok zijn verloskleding aan, bood ondertussen naar eigen zeggen zijn excuses aan, waarbij hij aangaf wat de reden voor zijn onbereikbaarheid was en ging vervolgens naar de koe. Het kalf bleek te zijn overleden en geconcludeerd werd dat de koe een paretische achterhand had waarvan ze niet meer zou herstellen. In overleg met klaagster is de koe geëuthanaseerd.  

3.6. Tijdens de visite en daarna liepen de spanningen op, waarbij beklaagde stelt dat hij door klaagster beledigd is, wat klaagster overigens betwist. Op 14 augustus 2024 heeft een collega van beklaagden een bedrijfsbezoek afgelegd om andere redenen, waarbij over het voorval is gesproken.

3.7. Nadien heeft beklaagde 2 als werkgever een telefoongesprek met klaagster over het gebeurde gevoerd. Begin september 2024 is onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend. Er is hierna vanuit de praktijk nog een schikkingsvoorstel aan klaagster aangeboden, dat door haar is afgewezen. De praktijk is overigens niet aansprakelijk gesteld voor geleden schade. Wel is de één-op-één overeenkomst beëindigd.

3.8. Aan het einde van de mondelinge behandeling bij het tuchtcollege heeft de voorzitter partijen, mede gelet op hun al lang bestaande werkrelatie, voorgesteld om met elkaar in gesprek te gaan om in der minne tot een oplossing van het geschil te komen. Medio december 2025 heeft klaagster het college bericht een uitspraak te wensen.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de drachtige koe van klaagster, met betrekking tot welk dier hulp was ingeroepen, dan wel of zij anderszins zijn tekortgeschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van een dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 1 (zaaknummer 2024/86)

5.4. De klacht betreft het niet bereikbaar zijn tijdens een spoeddienst. Klaagster stelt dat zij alleen bij deze praktijk terecht kon vanwege de onderlinge één-op-één overeenkomst. Zij stelt zich op het standpunt dat beklaagde zijn voicemail regelmatig had moeten controleren en ook vaker had moeten controleren of zijn telefoon goed werkte.

5.5. Beklaagde erkent dat hij de betreffende nacht spoeddienst had en bereikbaar zou moeten zijn. Hij heeft toegelicht dat hij voor zijn dienst begon, de doorschakeling van de vaste praktijktelefoon naar zijn mobiele telefoon volgens vast gebruik via de assistente en hemzelf heeft getest en dat deze functioneerde. Ook heeft hij toegelicht dat hij die zaterdag meerdere telefoontjes heeft gehad, waarvan de laatste omstreeks 21.00 uur. Beklaagde had geen redenen om aan te nemen dat de doorschakeling niet functioneerde. Achteraf is gebleken dat zijn mobiele telefoon om een voor hem onbegrijpelijke reden en zonder dat hij zich daarvan bewust is geweest, op enig moment in de vliegtuigstand terecht is gekomen, waardoor hij geen inkomende oproepen, berichten of meldingen op zijn telefoon meer heeft ontvangen. Hierdoor heeft hij niet eerder kunnen reageren op de spoedoproep van klaagster. Beklaagde heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de dierenartsen van andere praktijken die klaagster die nacht heeft benaderd en gesproken, haar verzoek om spoedhulp niet hadden mogen weigeren.

5.6. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken concludeert het college dat hier sprake is geweest van een uiterst ongelukkig incident, waarvan onduidelijk is gebleven wat hier nu de precieze oorzaak van is geweest en of beklaagde hierin zelf een fout heeft gemaakt. Aangezien de doorschakeling tevoren is getest en beklaagde geloofwaardig heeft verklaard een groot deel van de avond wel bereikbaar te zijn geweest en ook daadwerkelijk door klanten te zijn gebeld, hoefde van hem in redelijkheid niet te worden verwacht om de doorschakeling en zijn telefoon voortdurend te blijven controleren en mocht hij ervan uitgaan dat deze functioneerde. Nu voorts niet is gebleken van onverschilligheid of enige opzet, noch van een bewuste weigering om noodhulp te verlenen, voert het naar het oordeel van het college in dit specifieke geval te ver om beklaagde hiervoor tuchtrechtelijk aansprakelijk te houden. Deze klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

5.7. Ter informatie aan klaagster wijst het college er nog op dat iedere dierenarts verplicht is om verzochte hulp te verlenen in een spoedsituatie en dat daar het systeem van de geborgde dierenarts niet aan in de weg staat. Dit laatste staat vermeld in artikel 3 onder g.1 van de bilaterale overeenkomst. Verwezen wordt tevens naar de website van de Stichting Geborgde Dierenarts.[1]

Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 2 (zaaknummer 2024/87)

5.8. De klacht komt erop neer dat beklaagde als werkgever bewust een werkomgeving heeft gecreëerd waarin het mogelijk is geweest dat een dierenarts niet bereikbaar was tijdens een spoeddienst. Hij had er volgens klaagster voor moeten zorgen dat de spoeddienst bereikbaar was.

5.9. In verweer en ter zitting is uiteengezet hoe de doorschakeling van de vaste praktijktelefoon naar het mobiele telefoonnummer van de dienstdoende dierenarts van tevoren is getest om zorg te dragen voor een adequate bereikbaarheid tijdens de spoeddienst. Dit zou in principe voldoende moeten zijn en daarop mocht worden vertrouwd. Van een praktijk kan in redelijkheid niet altijd worden verwacht om tijdens een nachtdienst meerdere dierenartsen stand-by te laten zijn en ook hier weegt het college mee dat het hier een uiterst ongelukkige en uitzonderlijke situatie betreft. Het college gaat dan ook niet mee in de stelling van klaagster dat beklaagde 2 bewust een werkomgeving heeft gecreëerd waarin een dierenarts niet bereikbaar was, reden waarom ook de klacht tegen hem ongegrond wordt verklaard. Terzijde geldt dat zich altijd situaties kunnen voordoen waarin de spoeddienst (tijdelijk) niet bereikbaar is, zoals bijvoorbeeld bij stroomuitval, geen bereik op de locatie waar een dierenarts zich bevindt of als zich meerdere spoedsituaties tegelijkertijd voordoen.

5.10. Van de zijde van beklaagden is ter zitting nog naar voren gebracht dat naar aanleiding van deze casus de mobiele telefoon van beklaagde 1 is vervangen, ondanks dat bij controle ervan geen gebreken aan het licht zijn gekomen en dat de telefooncentrale verder is aangepast in die zin dat, als een dienstdoende dierenarts zijn of haar telefoon gedurende een uur niet opneemt, de vaste lijn dan wordt doorgeschakeld naar het telefoonnummer van een andere dierenarts die geen dienst heeft. Hieruit blijkt een streven naar verdere optimalisering van de dienstverlening en dat het lerend vermogen bij de praktijk aanwezig is om een situatie zoals die zich hier heeft voorgedaan voor de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Blijft staan dat, vanuit tuchtrechtelijk perspectief bezien, in dit geval beide beklaagden er in redelijkheid vanuit mochten gaan dat het doorschakelsysteem tijdens die bewuste nachtdienst na het testen ervan functioneerde en dat er in beginsel geen reden was om al in een eerder stadium verdere waarborgen in te bouwen. Het college ziet ook ten aanzien van beklaagde 2 onvoldoende reden voor tuchtrechtelijke consequenties.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaken met de nummers 2024/86 + 2024/87:

verklaart de klachten ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

[1] https://www.geborgdedierenarts.nl/rundveedierenarts/veelgestelde-vragen#3