ECLI:NL:TDIVTC:2026:24 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/47

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:24
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/47
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat hij de hond van klaagster te lang heeft laten lijden door euthanasie te weigeren. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van

[naam],                                                                       klaagster,

tegen
 

dierenarts [naam],                                                     beklaagde.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer en de repliek. Beklaagde heeft afgezien van het indienen van een dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Beide partijen zijn zonder kennisgeving niet verschenen. De uitspraak is in raadkamer bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat hij de hond van klaagster te lang heeft laten lijden door euthanasie te weigeren.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een ChowChow-Wetterhoun met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna drie jaar oud was. Op tweejarige leeftijd is bij de hond aan beide zijden elleboogdysplasie vastgesteld. Om die reden heeft de hond in augustus 2023 een operatie ondergaan (middels arthroscopie). Na een moeizaam verlopen revalidatietraject was de hond in december 2023 zodanig hersteld dat ze weer normaal kon lopen en rennen.

3.2. Begin april 2024 viel het klaagster op dat de hond tijdens wandelingen vaker stil bleef staan, ging zitten of zelfs liggen. Binnenshuis werd de hond onrustiger. Ze stond vaak op om ergens anders weer te gaan liggen en likte veelvuldig aan haar (linker) voorpoot.

3.3. Omdat de dierenarts die de hond in augustus 2023 had geopereerd niet beschikbaar was, heeft klaagster een afspraak gemaakt bij de kliniek van beklaagde.

3.4. Tijdens een consult bij beklaagde op 4 april 2024 bleek dat de hond gevoelig was op de ellebogen en dat er sprake was van slijtage (artrose) en krakende gewrichten (crepitatie). Beklaagde heeft een injectie Metacam toegediend en Novacam voorgeschreven. Ook is een voedingsadvies gegeven. Tijdens het consult heeft beklaagde de mogelijkheid van een CT-scan of een echo besproken. Afgesproken werd om daarmee nog te wachten en eerst te bezien of de medicatie effect zou hebben.

3.5. Op 9 april 2024 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met beklaagde, omdat er eerder sprake was van een verslechtering dan van een verbetering. Beklaagde heeft geadviseerd een CT-scan te laten maken bij een andere dierenkliniek. Dit heeft klaagster de volgende dag gedaan. Uit de CT-scan kwam onder meer naar voren dat er sprake was van ‘bilateral medial coronoid disease’ en dat in beide ellebogen losse stukjes botfragmenten zaten. De aan deze kliniek verbonden dierenarts heeft Phen-pred voorgeschreven.

3.6. Op 12 april 2024 heeft beklaagde de uitkomst van de CT-scan met klaagster besproken. Tijdens dit consult heeft klaagster aangegeven dat zij een voorkeur had om de hond te laten euthanaseren, ter besparing van een lijdensweg en omdat zij twijfelde of een volgende operatie wel blijvend resultaat zou opleveren. Beklaagde heeft voorgesteld de uitslag van de CT-scan door een orthopedisch gespecialiseerde collega te laten beoordelen en deze dierenarts te vragen haar visie te geven over een operatie met een prognose. Daarmee heeft klaagster ingestemd. Om de tussenliggende periode te overbruggen heeft beklaagde Galliprant (pijnstiller en ontstekingsremmer) voorgeschreven en een Extracorporale Magnetotransductie Therapie (hierna EMTT) ingesteld.

3.7. Op zaterdag 13 april 2024 is klaagster tijdens de spoeddienst met de hond bij beklaagde op consult geweest, omdat de hond ziek werd van de Phen-pred en in de nacht piepend door het huis liep. Beklaagde heeft de hond Prevomax (tegen braken), Buscopan en Catosal (ondersteuning) toegediend en tabletten Cerenia (tegen braken) voorgeschreven.

3.8. Op 15 april 2024 heeft de tweede EMTT-therapie plaatsgevonden. Blijkens de patiëntenkaart heeft klaagster tijdens dat consult aangegeven dat er nog altijd geen verbetering was opgetreden. De hond wilde niet wandelen, lag veel en likte vaak aan haar (rechter) voorpoot. Beklaagde heeft toegelicht dat hij tijdens dit consult met klaagster over euthanasie heeft gesproken, maar dat hij daar op dat moment zelf nog niet achter kon staan omdat hij nog in afwachting was van de visie van de orthopedisch collega en voor hem nog niet overtuigend was gebleken dat de behandelopties waren uitgeput. Beklaagde stelt klaagster daarbij te hebben gewezen op de mogelijkheid zich met het euthanasieverzoek tot een andere dierenarts te wenden.

3.9. Op 17 april 2024 heeft klaagster een video-opname van de hond naar de kliniek gestuurd en beklaagde gevraagd de hond alsnog te euthanaseren, ook omdat geen van de chirurgen die zij tussentijds had gesproken kon garanderen dat een tweede operatie blijvend succesvol zou zijn en zij de hond een lijdensweg wilde besparen. Na overleg heeft een paraveterinair klaagster telefonisch verteld dat beklaagde begrip had voor haar verzoek, maar dat hij niet bereid was tot euthanasie over te gaan. De paraveterinair heeft klaagster vervolgens verwezen naar een collega-dierenarts die mogelijk wel bereid zou zijn om de hond te euthanaseren.

3.10. Klaagster heeft zich vervolgens tot een andere dierenarts gewend. Na bestudering van de CT-scan en de door klaagster gemaakte video-opname, klinisch onderzoek en een gesprek met klaagster over de behandelmogelijkheden en prognoses, heeft deze dierenarts de hond, die inmiddels sinds enkele dagen ook niet meer at, op 19 april 2024 geëuthanaseerd.

3.11. Enkele weken na het overlijden van de hond is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt opgemerkt dat in het veterinair tuchtrecht niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. De wijze waarop de communicatie tussen klaagster en (de kliniek van) beklaagde ná het overlijden van de hond is verlopen zal daarom buiten de beoordeling blijven. Ook financiële geschilpunten vallen naar vaste jurisprudentie buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht en zullen eveneens onbesproken worden gelaten.

Inhoudelijk

5.3. Klaagster verwijt beklaagde dat hij de hond veel te lang heeft laten lijden, door op 12 april 2024 en in de daarop volgende dagen euthanasie te weigeren. Het college volgt klaagster hier niet in. De op een dierenarts rustende zorgplicht betekent nog niet dat deze gehouden is een euthanasie uit te voeren zodra een diereigenaar daarom vraagt. Het kan voorkomen dat euthanasie in de visie van de dierenarts medisch gezien niet noodzakelijk is, er geen sprake is van uitzichtloos c.q. ondraaglijk lijden of dat de behandelmogelijkheden in de visie van de dierenarts nog niet zijn uitgeput. Wel vereist de zorgplicht dat een dierenarts het welzijn van het dier waarborgt en zich inspant om het dier comfortabel en pijnvrij te houden. Tevens mag van een dierenarts in een situatie als hier aan de orde worden verwacht dat deze – zo nodig- de diereigenaar wijst op de mogelijkheid van een second opinion over euthanasie bij een andere dierenarts.

5.4. Uit de stukken leidt het college af dat euthanasie op 12 april 2024 voor het eerst tussen partijen ter sprake is gekomen. Het stond beklaagde op dat moment vrij om klaagster erover te informeren dat een behandeling of operatie mogelijk nog zinvol was en te adviseren daarover advies van een orthopedisch collega-dierenarts in te winnen. Hiermee heeft klaagster ingestemd. Daarbij heeft beklaagde zich voldoende ingespannen om – in afwachting van het advies van deze collega-dierenarts – met behulp van medicatie en EMTT de hond zo comfortabel mogelijk te houden. Terzijde wordt opgemerkt dat, hoewel het effect van EMTT bij honden niet wetenschappelijk is bewezen, beklaagde afdoende heeft gemotiveerd dat hem met deze therapie en de ingezette medicatie het verbeteren van het welzijn van de hond voor ogen stond en niet zijn eigen financiële gewin, zoals klaagster heeft gesuggereerd.

5.5. Voor wat betreft de dagen na 12 april 2024 kan het college begrijpen dat beklaagde eerst nog heeft willen wachten op de visie van de orthopedisch collega-dierenarts over een eventuele operatie. Klaagster had er ook voor kunnen kiezen om zich met haar verzoek tot een andere dierenarts te wenden en beklaagde stelt dat hij klaagster op 15 april 2024 expliciet op die mogelijkheid heeft gewezen. Blijkens de patiëntenkaart heeft de paraveterinair tijdens het telefoongesprek op 17 april 2024 ook de naam van een dierenarts doorgegeven die wellicht wel bereid zou zijn euthanasie uit te voeren. Daarmee is die keuze aan klaagster gelaten en is in dat opzicht niet nalatig gehandeld.

5.6. Resumerend is in de gegeven situatie voor het college niet gebleken dat beklaagde de op hem als dierenarts rustende zorgplicht voor de hond heeft geschonden of dat hem anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen kan worden verweten. De klacht wordt ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.