ECLI:NL:TDIVTC:2026:23 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/72
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/72 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Beklaagde wordt verweten dat zij voorafgaande aan de euthanasie van de hond van klaagster onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de achtergrond en de gezondheidsklachten van de hond en dat de euthanasie onzorgvuldig is uitgevoerd. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam], klaagster,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Klaagster is verschenen. Beklaagde is niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat zij voorafgaande aan de euthanasie van de hond van klaagster onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de achtergrond en de gezondheidsklachten van de hond en dat de euthanasie onzorgvuldig is uitgevoerd.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een teckel die 17 jaar en drie maanden oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid. Klaagster deelde het eigenaarschap van deze hond met haar ex-partner (hierna: mede-eigenaar). Vanaf februari 2024 verbleef de hond bij deze mede-eigenaar omdat klaagster op [land] verbleef, met uitzondering van de maand mei, in welke maand klaagster voor de hond heeft gezorgd.
3.2. Op vrijdag 26 juli 2024 heeft de mede-eigenaar contact gezocht met de kliniek van beklaagde om een afspraak te maken voor een second opinion na een door een voorgaande dierenartsenpraktijk geadviseerde euthanasie van de hond. De afspraak is gemaakt voor maandag 29 juli 2024, waarbij door beklaagde als voorwaarde werd gesteld dat de patiëntenkaart van de voorgaande praktijk opgestuurd zou worden. Op diezelfde vrijdag is die patiëntenkaart door beklaagde ontvangen. Daarin is opgenomen dat de hond op 8 juli 2024 naar het spreekuur van de eigen dierenarts was geweest, die na klinisch onderzoek had geconcludeerd dat de hond ‘op’ was en tot euthanasie op korte termijn heeft geadviseerd. Deze dierenarts heeft dit telefonisch met klaagster gecommuniceerd. In die patiëntenkaart is opgenomen dat klaagster moeite mee had met het advies en daarin staan ook notities met betrekking tot een later consult dat op 22 juli 2024 nog bij een vervanger van de eigen dierenarts heeft plaatsgevonden, waarbij eveneens tot euthanasie op korte termijn is geadviseerd. De mede-eigenaar heeft klaagster van de afspraak bij beklaagde op de hoogte gebracht, zodat zij vanuit [het buitenland] naar Nederland kon komen om erbij te zijn. Van die gelegenheid heeft klaagster geen gebruik gemaakt.
3.3. Op maandag 29 juli 2024 heeft de mede-eigenaar de hond naar het spreekuur van beklaagde gebracht. Voorafgaand aan het consult heeft beklaagde de patiëntenkaart van de voorgaande dierenartsen gelezen. Zij heeft een anamnese afgenomen en de hond nogmaals klinisch onderzocht. De hond was erg wankel, kon zich niet staande houden en viel steeds op zijn rechterzij. Beklaagde zag dat de hond erg apathisch en erg mager was en vrijwel geen bespiering op de ledematen meer had. Beklaagde concludeerde dat de hond geen dierwaardig bestaan meer had en adviseerde eveneens tot euthanasie. Met goedkeuring van de mede-eigenaar is de euthanasie uitgevoerd.
3.4. De volgende dag heeft klaagster contact opgenomen met beklaagde om haar te laten weten dat zij het niet eens was met de uitgevoerde euthanasie. Beklaagde heeft telefonisch een toelichting gegeven. In augustus 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Naar vaste jurisprudentie kan bij het college verder niet worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.
5.3. Het college constateert dat het klaagschrift en de repliek van klaagster voor een groot deel gebaseerd is op al dan niet nagekomen afspraken tussen haar en haar ex-partner en de onbevredigende communicatie tussen hen. Daarin is geen rol weggelegd voor de dierenarts, noch voor het college. Datzelfde geldt voor de door klaagster geuite verwijten over de partijdigheid, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid van betrokkenen. In deze tuchtprocedure beperkt het college zich tot de beoordeling van het veterinaire handelen van beklaagde.
5.4. Klaagster stelt dat het onderzoek voorafgaande aan de euthanasie onzorgvuldig en onvolledig is geweest, omdat beklaagde niet heeft onderzocht of de hond meerdere eigenaren had en of alle eigenaren konden instemmen met euthanasie. Ze stelt dat beklaagde de chip en identiteit van de hond had moeten controleren, nu in het overgedragen dossier van de eigen dierenartsenpraktijk staat vermeld dat klaagster moeite had met de euthanasie, wat wijst op onenigheid tussen de eigenaren.
5.5. Het college is van oordeel dat een dierenarts niet altijd de verplichting heeft om de identiteit van een mede-eigenaar te checken. Het feit dat de patiëntenkaart op verzoek van de mede-eigenaar was verzonden door de voorgaande dierenartsenpraktijk naar beklaagde en de daarin opgenomen informatie wees voldoende op het eigendom van de mede-eigenaar, die toestemming heeft gegeven voor de euthanasie. Die toestemming was voldoende, mede indachtig de conditie waarin de hond verkeerde, waarover hierna meer.
5.6. Klaagster verwijt beklaagde dat zij de euthanasie onzorgvuldig heeft uitgevoerd. Ter zitting is gebleken dat dit de keuze om tot een euthanasie-advies te komen betreft en niet de technische uitvoering van de euthanasie als zodanig. Klaagster heeft daarbij verwezen naar artikel 1.10 onder d. van het Besluit houders van dieren, waarin staat vermeld dat dieren alleen mogen worden gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden.
5.7. Het college is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft aangetoond dat zij een zorgvuldig klinisch onderzoek heeft verricht en een daarbij passend advies heeft gegeven, dat overeenkwam met eerder door twee voorgaande dierenartsen gegeven adviezen. Anders dan klaagster stelt, hoeft er niet per definitie sprake te zijn van ondraaglijk lijden, maar kan ook tot het euthanaseren van een dier worden overgegaan als een dierenarts vast stelt dat dit in het belang van het dier is, dit op grond van artikel 1.10 onder b. van het Besluit houders van dieren. Hier is door drie dierenartsen zelfstandig van elkaar vastgesteld dat de hond geen dierwaardig bestaan meer had en dat er geen enkel reëel perspectief op enige verbetering van het welzijn bestond. Voldoende gebleken is dat de 17-jarige hond zichzelf niet meer staande kon houden, vaak omviel en apathisch was en dat er in die zin sprake was van (uitzichtloos) lijden. Het college is van oordeel dat hier, in het belang van het welzijn van het dier, een volkomen terecht euthanasieadvies is gegeven en dat beklaagde daartoe mocht overgaan. Dit dierwelzijnsbelang prevaleerde in het onderhavige geval boven het belang van een eigenaar die moeite heeft met afscheid nemen. Onenigheid tussen mede-eigenaren mag er niet aan in de weg staan dat een dier de juiste zorg ontvangt en dat was in dit geval euthanasie.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.