ECLI:NL:TDIVTC:2026:22 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/71
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/71 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat zij onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld met de betrekking tot een advies tot euthanasie van de hond van klaagster. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] , klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Klaagster is verschenen. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. Op de Dijk, [naam belanghebbende] (collega en werkgever van beklaagde) en haar partner. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat zij onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld met de betrekking tot een advies tot euthanasie van de hond van klaagster.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een teckel, die 17 jaar en drie maanden oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid. Klaagster deelde het eigenaarschap van deze hond met haar ex-partner (hierna: mede-eigenaar). Vanaf februari 2024 verbleef de hond bij deze mede-eigenaar omdat klaagster op [land] verbleef, met uitzondering van de maand mei, in welke maand klaagster voor de hond heeft gezorgd.
3.2. Op maandag 8 juli 2024 is de mede-eigenaar naar het spreekuur van de kliniek van beklaagde geweest omdat de hond oud werd en erg achteruit was gegaan. De hond is klinisch onderzocht door een collega van beklaagde. Deze kwam tot de conclusie dat de hond ‘op’ was en adviseerde euthanasie op korte termijn. De mede-eigenaar heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht, waarbij hij heeft aangegeven dat de euthanasie op 12 juli 2024 zou kunnen worden uitgevoerd. Vervolgens heeft klaagster de kliniek op dezelfde dag gemaild en heeft zij op 10 juli 2024 een telefoongesprek gehad met de betreffende collega. Deze heeft aan klaagster toegelicht dat de hond een soort ‘zombie’ aan het worden was, dat hij steeds omviel en weinig bespiering meer had. De hond was verder dement, onrustig en veel afgevallen en het advies bleef euthanasie op korte termijn.
3.3. De mede-eigenaar heeft een afspraak gemaakt met beklaagde voor een consult op 22 juli 2024 voor een voorgenomen euthanasie en klaagster hiervan op de hoogte gesteld. Klaagster heeft vervolgens per e-mail aan de collega van beklaagde laten weten dat zij niet kon instemmen met de euthanasie en, als deze toch doorgezet zou worden, zij een klacht bij het tuchtcollege zou indienen. Beklaagde heeft de mede-eigenaar vervolgens telefonisch laten weten dat de euthanasie op 22 juli 2024 niet zou worden uitgevoerd.
3.4. Op 22 juli 2024 is de mede-eigenaar met de hond naar het spreekuur van beklaagde gekomen. Hij toondebeklaagde door klaagster aan hem verstuurde berichten van 12 en 14 juli 2024, waarin stond dat klaagster de zorg van de hond aan de mede-eigenaar had overgelaten, inclusief de beslissing over de euthanasie. Beklaagde heeft de hond klinisch onderzocht. De hond was de praktijk binnengedragen en kon op de behandeltafel niet blijven staan zonder hulp. Beklaagde constateerde dat de hond erg mager was en weinig spierweefsel meer had. De hond ademde snel en beklaagde hoorde een hartruis. Beklaagde kwam tot de conclusie dat er geen sprake meer was van een dierwaardig bestaan, vanwege de diverse ernstige gezondheidsklachten (zoals niet zelfstandig kunnen staan en lopen, benauwdheid, anorexie, dementie) en adviseerde, net als haar collega eerder,tot euthanasie op korte termijn.
3.5. Beklaagde heeft haar bevindingen en advies direct per e-mail aan klaagster gestuurd en later die middag aan klaagster nog telefonisch toegelicht. Desgevraagd is aan klaagster ook de patiëntenkaart toegestuurd. Verzoeken van klaagster tot aanpassing van de patiëntenkaart heeft beklaagde afgewezen.
3.6. Beklaagde heeft gewezen op de mogelijkheid van een second opinion. Op verzoek van de mede-eigenaar is op 26 juli 2024 de patiëntenkaart verstuurd naar een andere dierenkliniek in [plaatsnaam] voor een second opinion, waar vervolgens een afspraak met het oog op euthanasie is ingepland voor maandag 29 juli 2024. De mede-eigenaar heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht, zodat zij vanuit [het buitenland] naar Nederland kon komen om erbij te zijn, maar van die gelegenheid heeft klaagster geen gebruik gemaakt. Op maandag 29 juli 2024 is de hond vooraf nogmaals klinisch onderzocht door de dierenarts in [plaatsnaam]. Zij adviseerde eveneens tot euthanasie en heeft deze toen, met goedkeuring van de mede-eigenaar, uitgevoerd.
3.7. In augustus 2024 is onderhavige klacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet is of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Naar vaste jurisprudentie kan overigens niet worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.
5.3. Het college stelt vast dat het klaagschrift en de repliek van klaagster voor een groot deel gebaseerd is op al dan niet nagekomen afspraken tussen haar en haar ex-partner en de onbevredigende communicatie tussen hen. Daarin is geen rol weggelegd voor de dierenarts, noch voor het college. Datzelfde geldt voor de door klaagster geuite verwijten over de partijdigheid, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid van betrokkenen. Het college beperkt zich in deze tuchtprocedure enkel tot de beoordeling van het veterinaire handelen van beklaagde.
5.4. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde voldoende toegelicht dat zij een zorgvuldig klinisch onderzoek heeft verricht en een passend, in het belang van het welzijn van de hond, advies heeft gegeven. Het advies tot euthanasie op korte termijn kwam overeen met het eerder door haar collega gegeven advies, dat al door deze collega met klaagster was besproken. Dat beklaagde vervolgens, wetende van de onenigheid tussen de mede-eigenaren, heeft gewezen op de mogelijkheid om elders toch nog een second opinion te vragen is alleen maar extra zorgvuldig geweest. Gelet op de voldoende gebleken ernstig slechte conditionele gesteldheid van de hond, zonder enig reëel perspectief op verbetering, in combinatie met het al eerder gegeven zelfde advies, zou het college het op dat moment uitvoeren van de euthanasie door beklaagde overigens niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben geoordeeld. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.5. Klaagster verwijt beklaagde verder dat ze de opvolgend dierenarts niet op de hoogte heeft gebracht van de onenigheid tussen de eigenaren. Uit het verweer en wat ter zitting is besproken is gebleken dat beklaagde er niet van op de hoogte was wie de second opinion dierenarts was en dat de patiëntenkaart, waarin deze informatie stond vermeld, door een paraveterinair nadien toch tijdig is verzonden naar deze dierenarts, nadat ze het e-mailadres via de mede-eigenaar had verkregen. Overigens is het niet ongebruikelijk dat er geen rechtstreeks contact is in geval van een second opinion, met als bijkomstigheid dat daarmee ook de open veterinaire blik van een opvolgend dierenarts wordt behouden. Ook dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.6. Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde de patiëntenkaart niet op verzoek van klaagster wilde aanpassen, is het niet aan de diereigenaar om te bepalen welke woorden een dierenarts gebruikt om zijn of haar bevindingen te omschrijven. Hiernaast is niet gebleken dat de notities niet waarheidsgetrouw zijn geweest. Dit klachtonderdeel wordt eveneens ongegrond verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.