ECLI:NL:TDIVTC:2026:21 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2025/25

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:21
Datum uitspraak: 12-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2025/25
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de pup van klaagster onnodige onderzoeken heeft voorgesteld, naast dat zij een melding heeft gedaan bij de NVWA. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                                  klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                                beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De zaak is zonder hoorzitting afgedaan. Het college heeft de zaak in raadkamer besproken en uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de pup van klaagster onnodige onderzoeken heeft voorgesteld, naast dat zij een melding heeft gedaan bij de NVWA.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de pup van klaagster, een Franse Bulldog (teef) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die 9 weken oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Klaagster heeft op dinsdag 18 februari 2025 om 10.00 uur de praktijk van beklaagde bezocht voor de 9-weken vaccinaties. Beklaagde heeft de pup klinisch onderzocht. Met betrekking tot een geconstateerde hartruis heeft beklaagde gewezen op de mogelijkheid om, als de hartruis zou aanblijven, een hartecho uit te voeren. Met betrekking tot de heupen heeft beklaagde besproken dat voor de toekomst röntgenonderzoek een optie zou zijn. Beklaagde heeft voorts geadviseerd na de eerste loopsheid de pup te steriliseren om de kans op melkkliertumoren te verkleinen en een baarmoederontsteking te voorkomen. Klaagster gaf aan te willen fokken met de pup en beklaagde heeft het fokbeleid met betrekking tot brachycefale honden toegelicht.

3.3. Na het consult heeft klaagster besloten naar een andere dierenarts te gaan en heeft zij de vervolgafspraak bij beklaagde afgezegd. Eind maart 2025 is onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, dan wel of zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet is of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Naar vaste jurisprudentie geldt verder dat niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.

5.3. Beklaagde wordt verweten dat zij tijdens het consult onnodige onderzoeken heeft voorgesteld.  Beklaagde hoorde bij het klinisch onderzoek -net als de dierenarts die bij de eerdere vaccinaties betrokken was- een lichte hartruis en adviseerde om, indien deze ruis bij de volgende vaccinaties nog steeds hoorbaar zou zijn, een hartecho uit te voeren. Op verzoek van klaagster heeft ze ook specifiek de heupen van de pup gecontroleerd. Ze constateerde geen afwijkingen en gaf aan dat, indien de hond klachten met lopen zou krijgen of als klaagster verder onderzoek wilde, röntgenonderzoek een optie zou zijn.

5.4. Het college is van oordeel, anders dan klaagster, dat beklaagde geen onnodige onderzoeken heeft voorgesteld, maar enkel heeft aangegeven welke onderzoeken mogelijk in de toekomst zouden kunnen worden gedaan. Deze adviezen alsook het advies om de hond na de eerste loopsheid te steriliseren, waren op het moment van het consult nog niet noodzakelijk, maar konden in de toekomst wenselijk of nodig zijn. Het waren naar het oordeel van het college uit voorzorg ingegeven correcte adviezen, die bovendien afhankelijk waren van de eventuele ontwikkeling van gezondheidsklachten in de toekomst. Het college acht ook niet aannemelijk dat beklaagde zonder instemming van klaagster tot deze onderzoeken zou zijn overgegaan als de hond patiënt bij beklaagde was gebleven. De klacht wordt ongegrond verklaard.

5.5. Voor zover beklaagde mogelijk een (anonieme) melding heeft gedaan bij de NVWA van de geboorte van een Franse Bulldog met een te korte snuit, is klaagster er in de schriftelijke fase van de procedure reeds op gewezen dat het iedereen, ook een dierenarts, vrijstaat een dergelijke melding te doen en dat dit geen veterinair handelen betreft dat onder de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht valt. Ditzelfde geldt voor de meer algemeen aan klaagster verstrekte informatie over het fokken met een Franse Bulldog.  

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.