ECLI:NL:TDIVTC:2026:20 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/110

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:20
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/110
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Rund. Beklaagde wordt verweten dat hij (zieke) kalveren en koeien van klager heeft gevaccineerd zonder deze eerst klinisch te onderzoeken, dat hij voorafgaand aan de vaccinaties de uitslag van een laboratoriumonderzoek niet aan klager heeft verstrekt en dat hij ook de bijsluiter van het vaccinatiemiddel niet op schrift aan klager ter beschikking heeft gesteld. Klager stelt dat de wijze van vaccineren grote gevolgen heeft gehad voor zijn bedrijf. [Klacht ongegrond]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam]                                                                         klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                     beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Klager is verschenen. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. I.E. Boissevain. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat hij (zieke) kalveren en koeien van klager heeft gevaccineerd zonder deze eerst klinisch te onderzoeken, dat hij voorafgaand aan de vaccinaties de uitslag van een laboratoriumonderzoek niet aan klager heeft verstrekt en dat hij ook de bijsluiter van het vaccinatiemiddel niet op schrift aan klager ter beschikking heeft gesteld. Klager stelt dat de wijze van vaccineren grote gevolgen heeft gehad voor zijn bedrijf.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Klager is een veehouder met kalveren en koeien. Sinds 27 juni 2022 bestond er een één-op-één-overeenkomst met beklaagde. Beklaagde is tijdens zijn afwezigheid in de periode tussen 10 maart 2023 en 19 juni 2023 vervangen door collega’s. 

3.2. Op 3 mei 2023 is een collega van beklaagde op het bedrijf van klager geweest omdat er kalveren ziek waren. Deze collega heeft Resflor (REGNL10539) achtergelaten voor de kalveren met luchtweginfecties, dit overeenkomstig het bedrijfsbehandelplan. Tevens heeft deze collega een BRD Quickscan van MSD Animal Health (diagnostisch bloedonderzoek naar longaandoeningen) afgenomen bij de oudere kalveren. Op 6 juni 2023 was de uitslag van deze test bekend. Daaruit bleek dat de kalveren een Mannheimia infectie hadden doorgemaakt en dat het volgens MSD het beste was om dit preventief te voorkomen met het vaccin Bovipast.

3.3. Beklaagde heeft telefonisch het resultaat van het laboratoriumonderzoek besproken met de echtgenote van klager. Tijdens dat gesprek is volgens beklaagde voorgesteld de kalveren vanaf twee weken alsook de droogstaande koeien (opdat het vaccin via de biest bij net geboren kalveren zou komen) tweemaal te vaccineren tegen Mannheimia haemolytica met Bovipast en tevens maandelijks een bedrijfsbezoek af te leggen. Op vrijdag 16 juni 2023 is een sectie-uitslag van de Gezondheidsdienst naar zowel klager als naar de praktijk van beklaagde gestuurd met betrekking tot een driejarige koe van het bedrijf van klager met abcessen in de lever en chronische periarthritis van de tarsus.

3.4. Op maandag 19 juni 2023 heeft beklaagde een bedrijfsbezoek afgelegd. In aanwezigheid van klager en zijn echtgenote heeft hij een aantal kalveren gevaccineerdmet Bovilis Bovipast (REG NL 9260). Na het vaccineren van het kalf met werknummer [nummer] vertoonde het betreffende kalf respiratoire verschijnselen. Dit kalf is door beklaagde behandeld met een antibioticum (Draxxin) en een NSAID (Niglumine). Vervolgens heeft beklaagde de droogstaande koeien gevaccineerd.

3.5. Op 27 juni 2023 is de één-op-één-overeenkomst door klager opgezegd. Begin juli 2023 heeft een collega van beklaagde het bedrijf nog bezocht in verband met een zieke koe. Begin augustus 2023 is vanuit de praktijk van beklaagde desgevraagd de bijsluiter van Bovipast verstuurd naar klager. Enige tijd later heeft klager zijn onvrede geuit over de vaccinaties. Dit is tijdens een visite besproken en er is een schikkingsvoorstel gedaan, dat niet is geaccepteerd. Hierna is onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de dieren van klager, met betrekking tot welke dieren zijn hulp was ingeroepen, dan wel of hij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet is of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Naar vaste jurisprudentie kan verder niet worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier daaronder heeft geleden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Het eerste klachtonderdeel betreft dat beklaagde alleen telefonisch het resultaat van de BRD Quickscan aan klager althans zijn echtgenote heeft doorgegeven, maar dat hij deze laboratoriumuitslagen niet schriftelijk aan klager heeft verstrekt. Beklaagde heeft dit erkend en gesteld dat, indien klager daar eerder om zou hebben gevraagd, deze uitslagen direct aan hem zouden zijn toegestuurd, zoals dat nadien desgevraagd is gebeurd op 27 juni 2023.

5.5. Het college overweegt dat het niet ongebruikelijk is om naar aanleiding van een laboratoriumuitslag de conclusie met een veehouder telefonisch te bespreken. Daarbij kan dan ook direct het behandelplan worden doorgesproken en daartoe een afspraak worden gemaakt. Beklaagde heeft hierin niet verwijtbaar gehandeld, naast dat hij nadien de laboratoriumuitslag alsnog naar klager heeft gestuurd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.6. Het tweede klachtonderdeel betreft dat beklaagde geen klinisch onderzoek heeft verricht voorafgaande aan de vaccinaties op 19 juni 2023. Klager stelt dat hij beklaagde erover heeft geïnformeerd dat er na de IBR-koppelenting op 1 juni 2023 verschillende ontstekingen aanwezig waren op de spuitplekken en dat de koeien een verminderde weerstand hadden. Ook stelt klager dat bij een koe na sectie door de GD een verhoogd kopergehalte is aangetroffen. Klager stelt dat voorafgaande aan de vaccinaties op 19 juni 2023 de map met brieven en uitslagen daarover klaar zijn gelegd, maar dat beklaagde er niet naar heeft gekeken. Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde bewust zieke dieren heeft gevaccineerd, wat volgens de bijsluiter niet is toegestaan.

5.7. Beklaagde betwist dat er voorafgaande aan de vaccinaties op 19 juni 2023 door klager is gesproken over ziekteverschijnselen of een verminderde weerstand onder de koeien en stelt dat hij een visuele inspectie van het koppel heeft verricht zonder dat daarbij afwijkende of verontrustende signalen zijn gebleken. Beklaagde stelt dat hij nimmer zieke dieren zou vaccineren en dat er na het vaccineren (enkel) één kalf bleek te hoesten, dat hij vervolgens heeft behandeld.

5.8. Het college concludeert dat er tegenspraak is tussen partijen over of er voorafgaande aan de vaccinaties door klager melding is gemaakt over zieke koeien en of expliciet is verwezen naar de sectie-uitslag van 16 juni 2023, die overigens eveneens door de GD was verstuurd naar de praktijk van beklaagde. De uitslag betrof bovendien maar één koe met een individueel gezondheidsprobleem. Het college is van oordeel dat beklaagde enkel uit dit sectieverslag niet had hoeven te begrijpen dat er een koppelprobleem speelde, wat ook niet vast is komen te staan. Het college heeft geen redenen om te twijfelen aan het betoog van beklaagde dat er vooraf geen conditionele belemmeringen of weerstandsproblemen waren gebleken voor de vaccinaties. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

5.9. Het derde klachtonderdeel betreft het niet aan klager verstrekken van de bijsluiter van het vaccinatiemiddel. Uit deze bijsluiter volgt volgens klager dat alleen gezonde dieren mogen worden gevaccineerd. 

5.10. Het college overweegt dat het niet gebruikelijk is om standaard bij vaccinaties of andere diergeneesmiddelen die door de dierenarts zelf worden toegediend, de bijsluiter aan diereneigenaren te verstrekken. Als er om gevraagd wordt, dan mag worden verwacht dat deze wel wordt verstrekt en dat is in dit geval begin augustus 2023 ook gebeurd. Beklaagde heeft er verder terecht op gewezen dat de bijsluiter waarop klager zich beroept niet de van toepassing zijnde versie betreft, nu deze een [land] registratienummer heeft en niet de Nederlandse bijsluiter is. Uit de ten tijde van de vaccinaties van toepassing zijnde Nederlandse en daarmee correcte bijsluiter is niet gebleken van contra-indicaties voor de toediening van het vaccinatiemiddel. Dit onderdeel van de klacht wordt ongegrond verklaard.

5.11. Ten slotte wordt overwogen dat klager nog heeft gesteld dat de vaccinaties met Bovipast bij zieke dieren en het niet vaccineren van alle koeien grote gevolgen heeft gehad voor het bedrijf en dat er hierdoor in het najaar veel koeien ziek zijn geworden. Klager heeft echter niet aangetoond dat beklaagde zieke koeien heeft gevaccineerd noch dat het vaccineren van droogstaande koeien een Mannheimia infectie bij de koppel melkkoeien zou hebben veroorzaakt en dat het nadien gestegen celgetal, het weigeren van de melk door de afnemer en het door de NVWA wegvoeren van veel koeien het gevolg is geweest van de keuze voor de entstof of de wijze van vaccineren door beklaagde. Het autopsieverslag van een drooggezette koe biedt daarvoor geen bewijs.

5.12. Op grond van het voorgaande wordt als volgt beslist.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en drs. M.W.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.